De Afrikaanse kerken in de Bijlmermeer

Bijna zeven jaar lang bleef het potje gedekt. Over de lading van het neergestorte El Al-vliegtuig kwam nooit duidelijkheid. De wereld vergat de Bijlmermeer en ook de getroffen bewoners probeerden te vergeten. In de Afrikaanse Pinksterkerken vonden ze de nodige hulp. Nu is de Bijlmerramp terug in het nieuws waardoor oude wonden opnieuw opengaan.
De Klieverink. Zo heet de grote betonnen garage waar ik met de Ghanese predikant Tom Marfo heb afgesproken. Vlakbij liggen de appartementsgebouwen -Kruitberg en Groeneveen- waar het Israëlische vliegtuig neerstortte. Drieënveertig doden, bedenk ik, terwijl ik vóór de garage op Marfo wacht. Afrikanen rijden langzaam af en aan. Ze claxonneren en kijken in mijn richting. Ik weet niet wat ze willen. Als Marfo me ophaalt, lijkt hij mijn gedachten te raden: ‘Zij werken zonder vergunning als taxichauffeur’, legt hij uit. ‘Als de politie één van hen aanhoudt, zegt de passagier dat hij een vriend is. De prijs voor een rit in Amsterdam bedraagt vijf gulden. Zonder verblijfsvergunning geraak je hier moeilijk aan legaal werk.’

De Afrikaanse geest

In het Bijlmergebouw volg ik Marfo door een doolhof van gangen, trappen en liften tot hij eindelijk zijn sleutel bovenhaalt en de deur van zijn appartementje opendoet. In de hoek staat nog een grote plastic kerstboom zonder versiering en op de schouw prijkt een tien kilogram zware bijbel. Als een kopje aardbeithee is ingeschonken en mijn gastheer eindelijk neerzit, steek ik van wal. Welke rol hebben de Afrikaanse kerken gespeeld na de vliegramp, wil ik weten. Het antwoord van Marfo laat even op zich wachten. In een kort gebed bedankt hij God omdat hij me veilig naar Amsterdam Zuid-Oost heeft gebracht. Dan begint hij te vertellen. Eerst zacht, daarna met luide stem alsof hij in een preekstoel staat: ‘Een tragedie brengt het beste in ons naar boven. De Afrikaanse geest is sterk. Als één van onze broeders ziek is, voelen we ons allemaal ziek. Wanneer iemand iets tragisch overkomt, overkomt het ons allemaal. Helpen is niet onze eerste reactie, maar wel samen wenen met diegene die verdriet heeft.’ Marfo vertelt over een man die in het gebouw woonde waar het vliegtuig crashte: ‘Hij zag zijn dochter voor zijn ogen exploderen. Ondertussen heeft hij twee nieuwe kinderen en is hij een actief lid binnen de kerkgemeenschap. Hij is geen gebroken man. Integendeel, gesterkt door zijn geloof zet hij zich in voor anderen die hulp nodig hebben. Zijn christelijk engagement is nu groter dan vóór het drama.’

Slapeloosheid en concentratieverlies

Niet alle mensen hebben echter zoveel kracht. Vier jaar na het ongeluk richtte Otto Ruff -een Molukse predikant- de ‘Stichting Nabij’ op waar zich nu nog steeds Bijlmerbewoners met een trauma aanmelden. ‘Mijn werk bestaat uit geregelde huisbezoeken bij de slachtoffers’, vertelt Otto Ruff. ‘In hun vertrouwde omgeving kunnen ze hun tranen gemakkelijker de vrije loop laten. De traumaverwerking gaat gepaard met emoties, spanningen, slapeloosheid en concentratieverlies.’ In het begin werden deze mensen doorverwezen naar de bestaande Nederlandse hulpinstanties. Na verloop van tijd bleek echter dat de Afrikaanse cultuur en de westerse medische wetenschap met elkaar botsten. Otto Ruff: ‘Een Afrikaan zal geestelijke pijn eerder met dansen, zingen en bidden bestrijden. Hij heeft minder de behoefte om over zijn problemen te praten, zeker niet als de gesprekspartner een hem onbekende psycholoog of psychiater is.’ Volgens Otto Ruff kan het maatschappelijk belang van de Afrikaanse kerken in deze optiek nauwelijks worden onderschat: ‘In de Afrikaanse Pinksterkerken kregen de slachtoffers wél de kans om hun trauma op hun eigen Afrikaanse manier te bestrijden’, zegt hij. Toch zijn nog niet alle wonden geheeld. Otto Ruff: ‘Zeker nu het drama opnieuw mediabelangstelling krijgt, komt samen met de verdrongen herinneringen ook weer de pijn naar boven.’

Een hechte familie

Niet alleen de slachtoffers van de Bijlmerramp vonden steun in de Afrikaanse kerken, merkt Tom Marfo op: ‘Het gebeurt vaak dat hier asielzoekers uit Sudan, Congo of Angola toekomen met ernstige oorlogstrauma’s. Sommigen hebben hun eigen broers en zussen op wrede wijze zien vermoorden. Ook zij hebben hulp nodig. In onze kerken horen zij spreken over de verrijzenis. De gedachte dat zij hun vermoorde broeders en zusters zullen terugzien, troost hen.’ Op dat moment gaat de telefoon. Een vrouw vraagt Marfo om raad. Haar tienjarig zoontje moet steeds maar overgeven. Ze vertrouwt het niet. Marfo stelt de vrouw gerust, geeft haar wat raad en heft dan plots een gebed aan. Voor Joshua, dat hij gauw mag genezen. Daarna maakt Marfo grapjes over de baby die de vrouw binnenkort ter wereld zal brengen. Als hij voorspelt dat ze een tweeling zal hebben, hoor ik de vrouw lachen door de telefoon. Marfo heeft echt de gave om mensen op te beuren. Na het telefoongesprek glundert hij. Hij houdt van zijn werk. ‘Hier vinden asielzoekers een nieuwe familie die even bekommerd is om hen als de familie die ze in Afrika verloren’, zegt hij enthousiast. De hoge huur van de kerklokalen -meestal weggestopt onder parkeergarages- legt echter een zware hypotheek op het voortbestaan van sommige kerkgemeenschappen. Marfo: ‘De gelovigen met een inkomen dragen tien procent van hun loon af aan de kerk. Hiervan wordt de huur van het kerklokaal betaald. Dit is voor de gelovigen echter een zware dobber aangezien ook de huurprijzen van de appartementen in de Bijlmermeer heel hoog liggen.’

Amnestie in 2000

Omdat Marfo moet gaan werken, loopt hij nog een eindje met me mee. Terwijl we op de lift wachten, vertelt hij over de drugsverslaafden die soms in de lift liggen te slapen. ‘Niet iedereen vindt zijn weg naar de kerk’, zegt hij. ‘En op je eentje red je het niet. Mensen die nergens bijhoren, hebben geen enkele houvast. Zij zoeken hun heil in dubieuze kringen en baelanden vaak in de criminaliteit of geraken verslaafd aan drugs.’ Marfo’s droom is een regularisatiecampagne tegen het jaar 2000. Bij wijze van gift, een soort amnestie in het teken van de millenniumwende. ‘Onze jongeren zouden kunnen studeren. Ze zouden hoop hebben op de toekomst. Zwartwerk en onderbetaalde jobs zouden voor goed tot het verleden behoren.’ Als ik vraag of ik even met hem mag meelopen naar het kerklokaal, blijkt dat Marfo geen eredienst moet verzorgen vanavond. Van halfzes tot halfnegen maakt hij kantoren schoon. ‘Ik moet m’n gezin toch kunnen onderhouden’, zegt hij bijna verontschuldigend. Ook hij heeft het blijkbaar niet makkelijk om de eindjes aan elkaar te knopen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift