‘De banlieue, dat is het buitenland’

Hoop voor de banlieues – zo heet het gloednieuwe plan van de Franse president Nicolas Sarkozy om de problemen in achtergestelde Parijse voorsteden aan te pakken. MO* ging poolshoogte nemen in de godvergeten cités van de lichtstad.
‘Sigaretten, sigaretten’, fluisteren enkele jongeren aan het einde van de brede winkelstraat van Barbes, een migrantenwijk in het noorden van Parijs. Het is middag en heel wat inwoners zijn boodschappen aan het doen. De drukte hier staat in schril contrast met de leegte in een wijk als Les Tilleuls in Blanc Mesnil, een voorstad van Parijs. Maar de drukte en de nabijheid van het centrum van de hoofdstad maken nauwelijks een verschil als het om socio-economische problemen gaat.
In het jargon heten ze banlieues, moeilijke wijken. Ze komen in het nieuws wanneer het gaat over sociale achterstand, werkloosheid, schoolverlaters en kleine criminaliteit. Sinds decennia vormen de banlieus een aandachtspunt voor de media en de politiek. Vanaf 1973 hebben opeenvolgende regeringen plannen gemaakt om de problemen van de wijken aan te pakken, de werkloosheid weg te werken, de schooluitval te verhinderen en de criminaliteit te bestrijden. Veel van die plannen kwamen er na rellen en confrontaties tussen jongeren en ordediensten. Het waren ook rellen die in 2005 en 2007 de banlieues tot wereldnieuws maakten. In beide gevallen vormde de dood van twee jongeren, achternagezeten door de politie, de aanleiding voor de onlusten.

sarkozy’s plan


Ook de huidige Franse regering heeft haar eigen plan klaar voor de voorsteden. Op 8 februari stelde president Nicolas Sarkozy in hoogsteigen persoon zijn Hoop voor de banlieues voor. Maar de olifant baarde een muis. Wat een Marshallplan voor de voorsteden moest zijn, is een plannetje geworden waar veel goede wil uit spreekt maar waarin weinig concreet wordt gemaakt, waarvoor de middelen schaars zijn en waarin vooral de nadruk ligt op veiligheid.
Trouw aan zijn politieke stijl hanteert de president het discours van de straf en de beloning.
Hij belooft een plan om 100.000 jongeren binnen de drie jaar aan een baan te helpen. ‘Elke jongere die dat wil, krijgt een contract dat tot een opleiding, een training of een baan leidt. Jongeren die een zaak willen opstarten, worden geholpen en begeleid door professionals uit de bedrijfswereld. Elke jongere die meewerkt, krijgt een beurs. En Sarkozy waarschuwt: ‘Diegenen die niet willen werken, worden niet door de staat geholpen.’
Leerlingen die zonder diploma de school verlaten, worden systematisch door het systeem van tweedekansonderwijs opgepikt. En wie goede schoolse resultaten kan voorleggen, komt in aanmerking om opgenomen te worden in internaten voor de beste leerlingen van de banlieues. Verder wordt vijfhonderd miljoen euro in het openbaar vervoer geïnvesteerd om de minder bedeelde voorsteden bij de grote steden te laten aansluiten.
Sarkozy is de man van de veiligheid. En dus komen er binnen de drie jaar vierduizend extra politieagenten naar de moeilijke wijken. Maar hij is ook de man van het eigendomsrecht. En dus vraagt hij aan zijn minister van Wonen, Christine Boutin, om hem een volledig plan voor te leggen om sociale huisvesting te bevorderen. De stad heruitvinden, dat is de ambitie van Sarkozy voor de banlieue. ‘Maar de staatskas is leeg’, zei hij onlangs zelf. En dat weet iedereen.

carpooling op zijn marokkaans


Of het plan Hoop voor de banlieues een verschil zal maken, weet Aziz Senni niet. Deze succesvolle ondernemer uit de banlieues heeft niet op een plan gewacht om op eigen benen te staan. Zeven jaar geleden startte hij op zijn eentje een gemeenschappelijk taxibedrijfje op. Nu heeft hij zeventien mensen in dienst. En wat tijd om zich binnen de BAC te engageren, de Business Angels des Cités. Samen met een aantal bekende mensen uit de bedrijfswereld zette Senni de BAC op om startende ondernemers uit de banlieues op weg te helpen. ‘We sluiten partnerschappen af. We bieden begeleiding en financiële middelen en we hebben ons deel in de zaak’, zegt Aziz. ‘Eenmaal de zaak rendabel is, kan de ondernemer altijd ons deel terug kopen.’
Fier toont Aziz Senni in zijn bureau in Place Valoi, hartje Parijs, de brieven die hij van scholieren heeft gekregen. Daarin drukken de kinderen hun bewondering uit voor Aziz Senni en voor wat hij heeft bereikt. Ze willen even succesvol worden als hij. ‘Het is hartverwarmend’, zegt de auteur van L’assenceur sociale ne marche pas, j’ai pris l’escalier, het boek waarin Senni zijn ervaring heeft neergepend. Want dat is precies wat hij wil: aan de kinderen van de moeilijke wijken vertellen dat slagen in het leven niet gemakkelijk is maar best mogelijk. Alleen moeten ze in zichzelf geloven en hard hun best doen.
Senni was geen superintelligente jongen. Op school was hij niet de beste van de klas. ‘Maar ook niet de slechte’, lacht hij. Senni wist wel dat hij niet gemaakt was om diploma’s op te stapelen. Hij was drieëntwintig toen hij met zijn taxibedrijf begon. Senni: ‘Het concept is eenvoudig: de klant kiest wanneer hij opgepikt wordt, weet dat onderweg iemand anders erbij kan komen zitten en weet ongeveer wanneer hij aankomt.’ Het idee heeft Senni uit Marokko gehaald. ‘Carpooling op zijn Marokkaans’, lacht hij. Net als de khataffa, de middelgrote gemeenschappelijke taxi’s die in Marokko mensen binnen eenzelfde stad of tussen steden en dorpen vervoeren.

‘ik ben hier en ik blijf hier’


Aziz Senni is een voorbeeld voor de jeugd in de achtergestelde wijken. Dat vindt hij zelf –en de media ook. Maar dit maakt geen indruk op Tarek Kawtari van de Mouvement pour l’Immigration et les Balieues (MIB). ‘Aziz Senni is een zakenman’, zegt Tarek. ‘Hij heeft succes, dat is goed voor hem.’ Tarek Kawtari verwacht niets van mensen die ‘het gemaakt hebben’. Voor hem moeten de oplossingen vanuit de politieke macht komen. Iets dat volgens hem onvoldoende is gebeurd.
‘We hebben een minister van Buitenlandse Zaken voor de banlieues nodig’, zegt Tarek. ‘Want de banlieue, dat is het buitenland voor de autoriteiten. Af en toe komen ze met een plannetje op de proppen. Kwestie van hun schuldgevoelens te sussen. Hun houding is te vergelijken met de reactie die de mensen hebben als ze een kind met een opgezet buikje op de televisie zien. Wij willen toch allemaal iets geven als we dat beeld zien.’ Zeggen dat Tarek niet veel van het plan Hoop voor de banlieues verwacht, is zwak uitgedrukt. Hij gelooft er totaal niet in. ‘Het is repetitief. Het is elke keer de finale oplossing maar het raakt de grond van het probleem niet.’
Het lokaal van de MIB bevindt zich in de rue d’Aubervilliers, niet ver van het Parijse Noordstation. Het gebouw ziet er belabberd uit. Aan de muren van het vergaderlokaal hangen grote affiches. Heel oude, maar ook recente. Een kind met gekrulde haren glimlacht van op een grote vergeelde poster en zegt: ‘Ik ben hier en ik blijf hier’. Dit was één van de eerste campagnes van de MIB tegen de dubbele bestraffing. De uitwijzing van mensen die hun straf uitgezeten hebben, was begin jaren tachtig het grootste strijdpunt van de beweging. Andere affiches hebben betrekking op politieoptreden. Jongeren die meestal naar aanleiding van routinecontroles zijn omgekomen. Maar er hangen ook heel wat affiches ter ondersteuning van het Palestijnse volk.
‘Het probleem,’ zegt Tarek, ‘is dat we met een politieke klasse te maken hebben die eigenlijk niets van de situatie in de banlieues afweet. Zelfs de lokale mandatarissen weten er niets van. Vandaar het hele discours over de moeilijke wijken, over de grote families en de agressieve jongeren. Soms zeggen ze dat de moeilijkheden in de banlieues te maken hebben met de zoektocht naar identiteit, een andere keer wordt het islamisme met de vinger gewezen. En ze komen met plannen. Omdat in Frankrijk alles gecentraliseerd is, heeft men de indruk dat de overheid veel geld in de wijken pompt terwijl de mensen daar pas om twee uur in de namiddag opstaan. Het zwakke punt van deze plannen is dat ze door technocraten gemaakt zijn. Die staan sowieso ver van de werkelijkheid af en nog verder van de werkelijkheid van de wijken. Ze hebben een simplistische visie en komen met plannen die vijftien tot twintig jaar te laat komen, terwijl de situatie vanaf de jaren zeventig degradeert.’
De voorsteden rond de grote Franse centra kregen vorm in de jaren vijftig en zestig. Toen bouwde de staat de beruchte HLM’s (habitation à loyer modéré) voor de arbeiders die in de boomende industrie kwamen werken. Een groeiend aantal van die arbeiders waren mensen uit de Franse ex-kolonies, uit Noord-Afrika en later uit zwart Afrika. De vaders werkten in de fabrieken maar voor hun kinderen was er weinig perspectief. De ouders waren niet erg vertrouwd met het schoolsysteem en veel kinderen werden naar technische richtingen georiënteerd om hun vaders in de fabrieken te vervangen. Later bleek dat die richtingen niet resulteerden in jobs omdat bedrijven dicht gingen of verhuisden. Door de economische crisis van de jaren tachtig verloren veel arbeiders hun werk. De economische situatie degradeerde. Tegelijkertijd trokken veel handelaars weg uit de banlieues. De kleine criminaliteit verbonden aan illegale handel, waaronder die van drugs, groeide en de verloedering van de wijken nam verder toe.

de leuzen van de republiek


Politiek gezien zijn de inwoners van de banlieues niet interessant. In theorie bestaan er geen allochtonen en autochtonen. De Republiek maakt geen onderscheid tussen haar onderdanen. Wie de Franse nationaliteit heeft, is een volwaardige Franse burger. Gelijkheid en broederschap voor iedereen dus. Het is met die waarden dat ook de kinderen van migrantenafkomst opgroeien. Alleen is de werkelijkheid veel complexer dan de leuzen van de Republiek. Op de arbeidsmarkt is discriminatie op basis van afkomst een feit. De schooluitval is groot. De werkloosheid is in de voorsteden dubbel zo groot. Veertig procent van de jongeren daar heeft geen werk.
In Frankrijk is er geen stemplicht maar stemrecht. Wie denkt dat zijn stem het verschil niet zal maken, gaat gewoon niet stemmen. Er zijn vier miljoen mensen in Frankrijk die de Franse nationaliteit niet hebben. Vooral in de concentratiewijken hebben daardoor heel wat mensen niets te zeggen bij gemeenteraadsverkiezingen. Want in tegenstelling tot andere Europese landen is er in Frankrijk bij gemeenteraadsverkiezingen alleen stemrecht voor Fransen en onderdanen van de Europese Unie.
Het is tegen die achtergrond dat er af en toe rellen uitbreken, die het veiligheidsthema op de voorgrond brengen. Maar ondanks de nadrukkelijke aanwezigheid van blauw zijn de problemen van delinquentie niet opgelost. De relatie tussen ordediensten en de jongeren is nog nooit zo slecht geweest. De herhaalde identiteitscontroles zijn vaak aanleiding van ergernis en soms ernstige incidenten. De hevigste dateren van 2005, toen twee tieners op de vlucht voor een politiecontrole in een elektriciteitscabine terechtkwamen en geëlektrocuteerd werden. Een derde tiener overleefde het incident. In 2007 braken opnieuw rellen uit, nadat twee jongeren met hun motor tegen een politiewagen botsten. De twee konden niet gered worden en tijdens de rellen die daarop volgden, werd voor het eerst op politieagenten geschoten.

trop is teveel


In Seine-Saint-Denis is Zouina Meddour verantwoordelijk voor de sociale dienst in la Maison des Tilleuls, het wijkcentrum van Blanc-Mesnil. Ze heeft de rellen van oktober 2005 meegemaakt. ‘Het heeft hier gebrand, hard gebrand’, zegt Meddour. De rellen omschrijft ze als een jongerenopstand. ‘De jongens zijn niet zomaar aan het vernielen geslaan. Ze vernielen omdat ze boos zijn, omdat het zo niet meer kan, omdat het niet de eerste keer is, omdat trop teveel is.’
De rellen braken eerst uit in Clichy-Sous-Bois, waar de twee jongens van afkomstig zijn. Maar door uitspraken van Nicolas Sarkozy –in die tijd als minister van Binnenlandse Zaken nog verantwoordelijk voor ordehandhaving– en insinuaties in de pers dat de jongens op stelen betrapt waren, werd de woede groter. Een molotovcocktail in een moskee was de fameuze druppel. Rellen braken ook in andere steden uit.
Meddour is kwaad. Vooral omdat volgens haar de waarheid nooit volledig wordt verteld. Ze herhaalt het verhaal dat de ouders van de slachtoffers en hun advocaten verteld hebben. ‘Het was de periode van de ramadan’, zegt ze. ‘De drie jongens kwamen terug van een voetbalmatch. Het was bijna tijd om de vasten te verbreken. Op de terugweg stuitten ze op de politie. Een routinecontrole waarmee de politie zich amuseert, vooral als het bijna tijd is om te eten. De jongens hadden geen zin om later thuis te komen. Ze sloegen op de vlucht, verschansten zich in een elektriciteitscabine en werden geëlektrocuteerd. De politie zag het gebeuren en deed niets om de jongens te redden.’
Het wijkcentrum Maison des Tilleuls lijkt wel omsingeld door grijze blokken. Dit is een typische banlieue-wijk, waar uitsluitend appartementsblokken voor de arbeidersklasse werden gebouwd. Een probleemwijk, in het jargon. De wijk is enorm veranderd. Dat is Zouina opgevallen omdat ze enkele jaren buiten Les Tilleuls is gaan wonen.
‘Meer en meer mensen van migrantenafkomst zijn naar hier verhuisd. De openbare diensten en ook de handelszaken zijn weggetrokken. Als ik nu een winkel binnenstap, krijg ik het gevoel dat ik in een derdewereldland ben terechtgekomen. De producten zijn van slechte kwaliteit. De mensen kunnen hier geen verse groenten of fruit kopen. Dat vind ik erg.’
Het feit dat op datzelfde moment andere wijken verder bloeien en met de dag mooier en aangenamer worden, is geen toeval. ‘Er worden keuzes gemaakt op basis van wie in de wijk woont en van welke afkomst ze zijn’, zegt Meddour. ‘Hier wonen ook nog proletarische Fransen die niet van vreemde afkomst zijn. Ook zij worden benadeeld. En het zijn net die Fransen die aanhanger worden van het Front Nationale, want ze kijken niet naar de realiteit in haar geheel. Ze kijken alleen naar de realiteit in hun wijk. En ze zien inderdaad dat hun wijk verandert en dat er heel veel migranten zijn.’

breuk met het verleden


‘Het is een kwestie van politieke wil en niet van schaarse middelen, zoals men wil laten geloven’, zucht Meddour. ‘Er is genoeg geld. Alleen moet men dat geld gaan halen waar het zich bevindt. Men zwaait met allerlei hervormingen die de kloof tussen arm en rijk alleen maar groter zullen maken. Ik begrijp niet waarom men de belastingen op groot kapitaal wil verminderen. Er zijn genoeg economen in het land die een ander, meer rechtvaardig economisch beleid kunnen uitstippelen, alleen moet men hen willen inschakelen.’
Dat het plan Hoop voor de banlieues het verschil niet zal maken, staat voor Meddour buiten kijf. ‘Sarkozy had als minister van Binnenlandse Zaken de toon al gezet. Hier verwacht men niets van hem.’
Het nieuwe plan voor de voorsteden werd met weinig enthousiasme onthaald –ook door de oppositie en de media. De vaagheid over de financiële middelen is het belangrijkste punt van kritiek. Maar ook het feit dat president Sarkozy snel een nieuw plan op tafel legde zonder de plannen die in uitvoering waren te evalueren, vinden commentatoren een zware fout.
Het belangrijkste plan voor de banlieues is plan-Borloo, genoemd naar de minister van Sociale Cohesie van de vorige regering, die ook lid is van de huidige regering. Het moet een fysieke breuk met het verleden realiseren. Door het mislukken van de verschillende vorige maatregelen groeide in Frankrijk het besef dat zo een fysieke breuk nodig is om de banlieues uit de impasse te halen.
In 2003 dokterde minister Jean-Louis Borloo een wet uit die de breuk moest realiseren. Een reusachtig plan dat de wijken ingrijpend zou veranderen, kwam tot stand. Het belangrijkste element daarin –de stedelijke vernieuwing– ging met het leeuwendeel van de middelen aan de haal.
Met de sloop van een kwart miljoen appartementen, de bouw van evenveel nieuwe en de sanering van 400.000 woningen tegen 2013 wil de overheid nieuwe zuurstof aan de wijken geven, andere inwoners aantrekken en de sociale mix creëren die nodig is om dynamiek in de wijken te brengen. Het plan heeft betrekking op 530 wijken en bijna vier miljoen mensen. Op tafel ligt een budget van 37 miljard euro.
Over de noodzaak van de fysieke breuk is bijna iedereen het eens. Bijna, want in verschillende steden hebben heel wat inwoners van de banlieues zich aangesloten bij de drukkingsgroep Coördination Anti-demolition des Quartiers Populaires (CAQP). Terwijl de media kritiek hebben op de trage uitvoering van het plan, verzet het CAQP zich vooral tegen het slopen van de woningblokken. Voor Kaïssa Stitous van CAQP doet het plan aan sociale selectie en leidt het tot een etnische zuivering in de banlieues.
‘Niemand is tegen het feit dat zijn buurt mooier en aangenamer wordt. De vraag is wie er van het slopen van de appartementsblokken beter wordt. In ieder geval niet de mensen die daar nu wonen. Voor hen is verhuizen naar andere goedkope woningen nog verder van Parijs de enige oplossing.’ En dus worden de problemen niet opgelost maar verplaatst, zegt Stitous.

burgemeesters en aannemers


De banlieue-wijk Antony, die via de RER –de Parijse metro–goed verbonden is met de hoofdstad, is een voorbeeld van de volgens Stitous perverse veranderingen die het plan voor stedelijke vernieuwing teweegbrengt. In Antony zijn al een aantal blokken met de grond gelijk gemaakt. In de plaats zijn mooie, beter verlichte en ruime appartementen gekomen. De werken aan een nieuw winkelcentrum zijn volop bezig. Er komen sportfaciliteiten en het culturele leven wordt een nieuwe adem gegeven. Dit alles zou voor de sociale mix en de economische dynamiek zorgen die nodig zijn voor een leefbare buurt.
‘Alleen zullen de bewoners die nu vierhonderd of vijfhonderd euro huur per maand betalen nooit aan de sociale mix deelnemen want ze kunnen de huur van de nieuwe woningen niet betalen. Wie van een minimumloon leeft, kan geen achthonderd of negenhonderd euro per maand neerleggen. Om nog maar te zwijgen over alleenstaande vrouwen en grote gezinnen.’
Voor Kaïssa Stitous is de afbraak van de woonblokken een nutteloze operatie waar alleen de burgermeesters en de aannemers beter van worden. ‘Burgemeesters willen de middenklasse naar hun gemeenten lokken en de aannemers willen geld verdienen. Verder worden de inwoners op geen enkel moment bij de plannen betrokken’, zegt Stitous. ‘Het gaat om woonblokken uit de jaren zestig en zeventig. Zo oud zijn ze dus niet en bovendien zijn ze van beton. Het is veel goedkoper en interessanter voor de bewoners van die wijken om de blokken te saneren in plaats van ze te slopen. Territoriaal zal er toch een scheiding blijven tussen de inwoners van de oude blokken en die van de nieuwe appartementen. De beoogde sociale mix zal niet echt worden gerealiseerd.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2623   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur