De bestraffing van het aanzetten tot racisme en vreemdelingenhaat in België

De bestraffing van racistische of xenofobe uitingen via de (gedrukte) media was tot voor kort onbestaande. De niet-vervolging of niet-bestraffing van racistische of xenofobe publicaties (boeken, tijdschriften, brochures, verkiezingsfolders…) was het gevolg van het feit dat dit soort misdrijven als drukpersmisdrijven diende beoordeeld te worden door het hof van assisen.
Inleiding

1. De bestraffing van racistische of xenofobe uitingen via de (gedrukte) media was tot voor kort onbestaande. De niet-vervolging of niet-bestraffing van racistische of xenofobe publicaties (boeken, tijdschriften, brochures, verkiezingsfolders…) was het gevolg van het feit dat dit soort misdrijven als drukpersmisdrijven diende beoordeeld te worden door het hof van assisen. Artikel 150 van de Grondwet onttrekt immers de drukpersmisdrijven aan de bevoegdheid van de correctionele rechtbank. In de praktijk zorgde de bevoegdheid van het hof van assisen evenwel voor een al te hoge drempel. In zoverre zelfs dat reeds sedert meer dan vijftig jaar het inzetten van een procedure voor het hof van assisen voor dit soort misdrijven in onbruik is geraakt. Racistische uitingen via gedrukte publicaties konden daarom, net als alle andere drukpersmisdrijven, genieten van een feitelijke strafrechtelijke immuniteit.

2. Met de grondwetswijziging van 7 mei 1999 is alvast deze problematische proceduredrem- pel weggenomen. Artikel 150 van de Belgische Grondwet bepaalt voortaan:

‘De jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme en xenofobie zijn ingegeven’.

Door de vervolging van door racisme of xenofobie ingegeven drukpersmisdrijven te onttrekken aan de bevoegdheid van het hof van assisen werd het pad geëffend voor de effectieve vervolging ervan voor de correctionele rechtbank.

De indruk mag echter niet ontstaan dat deze grondwetswijziging de poort onbeperkt heeft opengezet voor de vervolging van allerlei publicaties en uitingen via de media die een eng nationalistisch of extreemrechts discours bevatten of een muffe ‘eigen volk eerst’-ideologie propageren. Feit is dat enkel het (bewust) aanzetten tot discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat strafbaar wordt gesteld en effectief tot sanctionering aanleiding kan geven.

De wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden (antiracismewet)

3. In essentie stelt de antiracismewet drie soorten van gedrag strafbaar in verband met uitingen van racisme.

Ten eerste: het aanzetten tot discriminatie, rassenscheiding, haat of geweld jegens een persoon, een groep of een gemeenschap of de leden ervan, wegens het ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming van deze persoon of van (de leden van) deze groep of gemeenschap (art. 1, 1° en 2°).

Ten tweede: het publiciteit geven aan een voornemen tot discriminatie, rassenscheiding (segregatie), haat of geweld jegens een persoon, een groep of een gemeenschap wegens ras, huidskleur, afstamming, afkomst of nationaliteit (art. 1, 3° en 4°).

Ten derde is ook strafbaar het lidmaatschap of de medewerking aan een groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt of bedrijft (art. 3).

Deze bepalingen van de antiracismewet zijn overigens niet de enige wettelijke normen die in België de niet-discriminatie beogen te waarborgen. Ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de Cultuurpactwet van 16 juli 1973 en diverse bepalingen in de omroepwetgeving beogen de niet-discriminatie en het respect voor de mensenrechten. De wet van 30 juli 1981 stelt overigens verschillende daden van discriminatie strafbaar, onder meer bij het aanbieden van bepaalde diensten, bij het verhuren van woningen, bij de toegang tot dancings of cafés, bij de aanwerving of het ontslag van werknemers. De strafbaarstelling van openbare uitingen van racisme en van het aanzetten tot vreemdelingenhaat of discriminatie is met andere woorden een onderdeel van een ruimer wetgevend kader in verband met de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie. De antiracismewet stelt evenwel enkel strafbaar het aanzetten tot haat, geweld of discriminatie wegens ras, afkomst, huidskleur, nationaliteit of etnische afstamming. Discriminatie op grond van taal, godsdienst of geslacht valt (voorlopig) niet onder toepassing van de antiracismewet.

4. Het aanzetten tot racisme, discriminatie of vreemdelingenhaat is slechts strafbaar wanneer een zekere openbaarheid aan deze denkbeelden of informatie wordt gegeven, namelijk in zoverre voldaan is aan een graad of vorm van openbaarheid. Er is de door de wet vereiste openbaarheid wanneer de uiting zich situeert in publieke bijeenkomsten of plaatsen, in tegenwoordigheid van verscheidene personen, door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop aangeboden of openlijk tentoongesteld worden en door geschriften die niet openbaar worden gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden. De antiracismewet stelt dus enkel bepaalde openbare meningsuitingen strafbaar. Het bezit van nazi-emblemen in een privé-woning bijvoorbeeld valt niet onder toepassing van de antiracismewet. Een circulaire brief aan verschillende personen of verspreid binnen een groep of vereniging komt echter wel in aanmerking voor toepassing van de antiracismewet, net zoals de verspreiding van een pamflet of brochure aan verscheidene personen. Ook het versturen van een e-mailbericht aan verschillende personen en het via een website of nieuwsgroep aanbieden van teksten en/of beelden die aanzetten tot racisme of vreemdelingenhaat vallen onder toepassing van de wet van 30 juli 1981.

5. Een bijzonder kenmerk van de wet van 1981 is dat de strafvervolging kan worden in gang gezet niet enkel door het slachtoffer of door het Openbaar Ministerie, maar ook door instellingen van openbaar nut en verenigingen die zich statutair tot doel hebben gesteld de mensenrechten te verdedigen of discriminatie te bestrijden en die minstens vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezitten. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat verenigingen als de Liga voor de Mensenrechten of het Mouvement contre le Racisme, l’Antisémitisme et la Xénophobie (MRAX) in rechte kunnen optreden door het indienen van klacht, rechtstreekse dagvaarding of burgerlijke partijstelling. Sedert de wet van 15 februari 1993 bezit ook het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding deze bevoegdheid.

6. De bestraffing in geval van veroordeling op basis van de antiracismewet kan velerlei vormen aannemen. De wet van 30 juli 1981, zoals gewijzigd op 13 januari 1993, 12 april 1994 en 7 mei 1999, bestraft in eerste instantie de bedoelde misdrijven met geldboeten van 50 tot 1.000 frank (te vermenigvuldigen met de wettelijk opdeciemen, x 200). Maar de wet dreigt ook met mogelijke gevangenisstraf van een maand tot een jaar, gevangenisstraf die zelfs twee jaar kan bedragen wanneer de feiten worden gepleegd door een ambtenaar of drager van het openbaar gezag. De personen die werden veroordeeld wegens het aanzetten tot racisme of vreemdelingenhaat of wegens het lidmaatschap of de medewerking aan een racistische organisatie riskeren ook de veroordeling tot de ontzetting van de uitoefening van bepaalde rechten, waaronder het recht om openbare ambten te vervullen en het recht om verkozen te worden.

7. Een veroordeling in toepassing van de wet van 30 juli 1981 kan ook tot gevolg hebben dat een politieke partij daardoor bepaalde rechten verliest. Met name kan een veroordeling van haar kandidaten of gekozenen duidelijk aantonen dat deze politieke partij vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). In toepassing van 15ter van de wet van 4 juli 1989 (wet betreffende de verkiezingspropaganda en de financiering van de politieke partijen) kan een dergelijke veroordeling aanleiding geven tot een klacht, uitgaande van de Parlementaire Controlecommissie. De Raad van State kan dan beslissen de dotatie van de politieke partij in te trekken voor een periode van drie maanden tot één jaar.

Een veroordeling wegens inbreuk op de antiracismewet kan ook aanleiding geven tot een strikte toepassing van artikel 3 § 1 van de zgn. Cultuurpactwet van 17 juli 1973 dat het mogelijk maakt dat een aantal participatierechten van politieke, ideologische of filosofische organisaties of verenigingen kan worden ontnomen. Uit een dergelijke veroordeling kan immers worden afgeleid dat deze vereniging of organisatie ‘de principes en de regels van de democratie’ niet aanvaardt of naleeft zoals artikel 3 § 1 van de Cultuurpactwet dit vereist.

8. Tot voor kort leidde enkel in een beperkt aantal gevallen de antiracismewet tot een effectieve veroordeling wegens aanzet tot racisme of vreemdelingenhaat. Een opmerkelijke vaststelling is dat de meeste veroordelingen wegens het in het openbaar aanzetten tot racisme, discriminatie of vreemdelingenhaat te situeren zijn in het raam van mondelinge beledigingen die werden geuit in de aanwezigheid van verschillende personen. Vooral naar aanleiding van een uit de hand gelopen woordenwisseling of bij bepaalde incidenten is effectief toepassing gemaakt van de antiracismewet.

Enkele voorbeelden

- De correctionele rechtbank van Charleroi veroordeelde een persoon die in het openbaar racistische beledigingen had geuit aan het adres van enkele allochtonen van Noord-Afrikaanse afkomst. De rechtbank was van oordeel ‘que le terme ‘raton’, synonyme de ‘bicot’ ou de ‘bougnoul’ est une injure raciste (..). Que traiter un Nord Africain de ce substantif est en contradiction avec l’article 1er de la loi du 30 juillet 1981 dont la philosophie tend au respect de la personne, quelle que soit sa race, quelle que soit sa couleur’ (Corr. Charleroi 23 december 1987).
- In 1997 veroordeelde de correctionele rechtbank in Brussel een persoon die in aanwezigheid van verschillende personen een behandeling door een arts van Afrikaanse afkomst in de spoedopname van een ziekenhuis weigerde met de woorden :‘Nee, die vuile « bougnoul » zal me niet aanraken’ (Corr. Brussel 30 juni 1997).
- Een scheldpartij na een verkeersincident met racistische verwijten aan het adres van een autobestuurder van Turkse afkomst, werd strijdig geacht met de wet van 30 juli 1981 (Corr. Leuven 9 september 1997).
- Het in het openbaar verklaren ‘Het stinkt hier, stinkende Iranees, vuile Iranees, bende van Saddam, vuile drughandelaar, ga terug naar Iran’ werd aangemerkt als strijdig met de antiracismewet (Corr. Kortrijk 19 augustus 1998, bevestigd Gent 16 september 1999).
- De uitroep aan het adres van vijf Pakistani die in een café van de kelner en de uitbater te horen kregen dat ‘die vijf bruine apen’ het café moesten verlaten, werd veroordeeld als een inbreuk op artikel 1 van de antiracismewet (Antwerpen 17 november 1995).
- Het in een restaurant uitroepen: ‘zorg dat die makak van mijn eten blijft, anders sla ik u de kop in’ en ‘mee die zwette kan ik niet om’ werd door de rechtbank beschouwd als een inbreuk op de antiracismewet. Aan de beklaagde werd evenwel het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling toegekend wegens diens smetteloos strafverleden. Aan de burgerlijke partij werd een schadevergoeding van 10.000 frank toegekend (Corr. Turnhout 5 januari 1999).
- Een klant die de uitbater van een pitazaak allerlei racistische uitlatingen naar het hoofd slingert, waarbij zowel de man als de Turkse gemeenschap worden beledigd, werd veroordeeld in toepassing van art. 1, 3° en 1, 4° van de wet van 30 juli 1981 (Corr. Gent 23 november 1999 en 29 februari 2000).
- Het in het openbaar verklaren dat ‘ze alle migranten op een boot moeten zetten of een bom onder hun bed plaatsen’ is eveneens strafbaar op basis van artikel 1 van de antiracismewet (Corr. Antwerpen 14 maart 1996).
- In 1991 veroordeelde het hof van beroep te Brussel een persoon die in het openbaar tijdens een debatavond de holocaust had ontkend en de stelling had verdedigd dat de holocaust is misbruikt door de joodse gemeenschap. Het hof bevestigde hiermee het vonnis volgens hetwelk in deze sprake was van het aanzetten tot vreemdelingenhaat, meer bepaald ten aanzien van de joodse gemeenschap. Het hof was van oordeel dat het amalgaam van politieke ideeën van de beklaagde ‘est blessante pour les survivants et outrageante pour la mémoire des victimes du nazisme, (et) est de nature à provoquer des réactions passionnelles d’agressivité contre ceux qui se trouvent accusés d’imposture; qu’il s’agit bien d’une incitation à la haine’ (Brussel 8 november 1991).
- De scheldtirade waarbij tijdens een zitting van een gemeenteraad het ene gemeenteraadslid het andere gemeenteraadslid de huid vol scheldt en roept ‘Sale juif, retourne en Israël’, werd als een inbreuk beschouwd op de antiracismewet (Corr. Brussel 20 april 1983).
- Beledigende uitlatingen tijdens een gemeenteraadszitting zoals ‘canaille magrèbine’ werden door de correctionele rechtbank van Verviers in strijd beoordeeld met de antiracismewet. Volgens de rechtbank waren deze uitingen te beschouwen als aanzet tot discriminatie en haat ‘à l’égard d’une communauté à raison de son origine ethnique’ (Corr. Verviers 5 september 2000).
- Het brengen van de Hitlergroet naar aanleiding van de installatie van een gemeenteraad en het voeren van een discours dat voor vreemdelingen als discriminerend en beledigend is te beschouwen, werd in 1996 veroordeeld in toepassing van de wet van 30 juli 1981 (Corr. Brussel 15 juli 1996). De correctionele rechtbank in Antwerpen daarentegen sprak een provincieraadslid van het Vlaams Blok vrij voor het brengen van een armbeweging die volgens klagers kon omschreven worden als de Hitlergroet. Wegens afwezigheid van objectief bewijs werd de beklaagde vrijgesproken voor de tenlastelegging op basis van de antiracismewet (Corr. Antwerpen 23 juni 1999).
- Een toespraak tijdens een provincieraad met onnodig kwetsende uitlatingen over vreemdelingen die worden omschreven als ‘criminelen die er enkel op uit zijn om voordelen te verwerven tijdens hun verblijf in ons land’, vormt een misdrijf volgens de antiracismewet (Corr. Luik 21 december 1998, bevestigd Luik 18 oktober 1999).
- Een vuilnisman die weigerde het huisvuil van een Marokkaans gezin op te halen met de openlijke verklaring ‘dat er al problemen genoeg zijn met de migranten en dat ze er beter zouden aan doen om naar hun land terug te keren’ werd veroordeeld in toepassing van de antiracismewet (Gent 19 november 1996).
- Het beledigen van allochtonen door hen toe te roepen ‘sale étranger, sale macaque, retourne dans ton pays (..) on doit te brûler, toi et ta femme’ is een inbreuk van artikel 1 van de antiracismewet (Corr. Brussel 19 januari 1999).
- Het roepen op straat ‘vuile aap, ze moesten u afvoeren naar Polen. Heil Hitler’ en het uiten van openlijk racisme werd door de correctionele rechtbank in Leuven aangemerkt als ‘verwerpelijk, aanstootgevend en onaanvaardbaar’. De beklaagde werd in toepassing van de wet van 30 juli 1981 veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van zes maanden. Het vonnis benadrukt dat ‘een duidelijk teken moet gezet worden dat de maatschappij geen enkele vorm van discriminatie aanvaardt’(Corr. Leuven 15 september 2000).

9. Er is meermaals gewezen op het problematische karakter van de strafvervolging in toepassing van de antiracismewet wanneer het openbaar aanzetten tot discriminatie of vreemdelinghaat gebeurt via gedrukte publicaties. Een opvallende vaststelling was onder meer dat hoewel één bepaalde politieke partij in Vlaanderen en Brussel, namelijk het Vlaams Blok, een politiek discours voerde dat minstens op een aantal punten in strijd kon worden geacht met de antiracismewet, de publicaties in boekvorm, in tijdschriften of brochures en de vlugschriften en verkiezingspropaganda van deze partij nooit aanleiding hebben gegeven tot een strafrechtelijke veroordeling op basis van de wet van 30 juli 1981. Het georganiseerd en systematisch aanzetten tot racisme en vreemdelingenhaat via tijdschriftartikels, cartoons, pamfletten en brochures kon dus rekenen op een feitelijke straffeloosheid, terwijl individuele personen, vooral de voorbije jaren, wél werden veroordeeld in toepassing van de antiracismewet wegens het incidenteel en soms impulsief openbaar uiten van racistische beledigingen.

10. Deze opmerkelijke vaststelling en onhoudbare situatie kwam ook nog eens duidelijk tot uiting in het vonnis van 6 september 1994 van de correctionele rechtbank in Brussel in de zaak die door de Liga voor de Mensenrechten was aangespannen tegen twee Vlaams-Blokmilitanten wegens hun lidmaatschap of medewerking aan een groep of vereniging die openlijk en herhaaldelijk rassendiscriminatie of rassenscheiding bedrijft of verkondigt. De Liga steunde zich voor de bewijsvoering op verschillende artikels die waren gepubliceerd in het weekblad Vlaams Blok en op het 70-puntenprogramma van de partij. De correctionele rechtbank verklaarde zich evenwel onbevoegd om in deze zaak uitspraak te doen, aangezien ‘alleen het Hof van Assisen bevoegd is om te oordelen over feiten waarvan minstens één een persmisdrijf vormt en de andere ermee samenhangen’.

De wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, onderschatten, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd (antinegationismewet)

11. In het voorjaar van 1995 keurde het Belgisch parlement een wet goed die zich situeert in het verlengde van de antiracismewet, maar tegelijk opteert voor een heel bijzondere strafbaarstelling. Artikel 1 van de wet van 23 maart 1995 stelt strafbaar hij die in het openbaar (art. 444 S.W.) ‘de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, ontkent, schromelijk minimaliseert, poogt te rechtvaardigen of goedkeurt’. De wet dreigt met straffen tot één jaar gevangenisstraf. Verder is ook bepaald dat de recidive van dit misdrijf tot ontzetting uit de politieke rechten aanleiding kan geven (art. 1, lid 3) en dat het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding en ook verenigingen die de morele belangen en de eer van het verzet of van de gedeporteerden verdedigen, in rechte kunnen optreden in alle rechtsgeschillen waartoe de toepassing van de wet aanleiding kan geven (art. 3). Tevens kan een veroordeling aanleiding zijn tot de openbare aanplakking of publicatie van het vonnis in één of meer dagbladen en dit op kosten van de veroordeelde (art. 2). Een veroordeling wegens de strafbare ontkenning van de holocaust kan ook nog andere gevolgen hebben, analoog aan die van de antiracismewet (cfr. supra).

12. Deze wet was erop gericht om een einde te maken aan het feit dat België, meer bepaald Vlaanderen, tot de draaischijf was uitgegroeid voor het drukken en verspreiden van negationistische publicaties. Maar algauw moest worden vastgesteld dat de kwalificatie ‘drukpersmisdrijf’ van de boeken, brochures en folders die mogelijk in strijd waren met de wet van 23 maart 1995, een effectieve strafvervolging in de praktijk in de weg stond.

Van de exclusieve rechtsmacht van het hof van assisen naar de correctionalisering van racistische drukpersmisdrijven

13. Het voorgaande heeft duidelijk gemaakt dat hét basisknelpunt naar de praktijk toe voor de effectieve strafvervolging van publicaties in strijd met de antiracismewet van 1981 of met de antinegationismewet van 1995 zich situeerde in de kwalificatie ‘drukpersmisdrijf’ van deze feiten en de ermee verbonden exclusieve bevoegdheid van het hof van assisen. Dit kon de indruk wekken dat een bepaald soort publicaties inhoudelijk niet strijdig was met deze wetgeving, hoewel de reden hiervoor dus niet te vinden was in de niet-strafbare inhoud van deze publicaties, maar wel in formeel-procedurele redenen. Daar waar de antiracismewet, en later de antinegationismewet, zich nadrukkelijk beperkt tot het in het ‘openbaar’ bestraffen van aanzet tot discriminatie en vreemdelingenhaat, werd de toepassing van de wet juist bijzonder bemoeilijkt ten aanzien van het meest openbare forum via dewelke kan worden aangezet tot racisme of xenofobie, namelijk de (gedrukte) media. Hierdoor werd deze wetgeving grotendeels buiten werking gesteld. Het aanzetten tot discriminatie en vreemdelingenhaat via de massamedia, folders, affiches en pamfletten, zelfs via advertenties of via Internet, bleef de facto strafrechtelijk ‘immuun’ voor de toepassing van de antiracismewet en de antinegationismewet. Deze feitelijke strafrechtelijke immuniteit voor racistische drukpersmisdrijven werd gaandeweg onhoudbaar. Daarom is er uiteindelijk voor geopteerd om één specifieke uitzondering in te schrijven in artikel 150 G.W. waardoor de correctionalisering zou worden bereikt voor, maar ook beperkt zou blijven tot de drukpersmisdrijven ‘ingegeven door racisme of xenofobie’. Voor dit soort misdrijven is dus niet langer het hof van assisen, maar wel de correctionele rechtbank bevoegd.

De eerste veroordelingen sedert de correctionalisering van de drukpersmisdrijven die zijn ingegeven door racisme of xenofobie

14. Een eerste vonnis waarin uitdrukkelijk wordt gesteund op de correctionalisering van de drukpersmisdrijven is het vonnis van 22 december 1999 in de zaak Elbers. De correctionele rechtbank tilde zwaar aan de feiten en veroordeelde Elbers voorwaardelijk tot 6 maanden gevangenisstraf en een geldboete van 100.000 frank met daarbovenop een schadevergoeding van 100.000 frank te betalen aan de burgerlijke partij, het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding. Aanleiding tot de vervolging en reden van de veroordeling waren een aantal teksten met racistische inhoud die via Internet waren verspreid of via een nieuwsgroep konden geconsulteerd worden. Het vonnis benadrukt de ernst van de feiten en vindt deze ontoelaatbaar temeer omdat de dader een politieambtenaar is ‘dont la vocation devrait être de respecter et poursuivre l’exécution de la loi plutôt que de l’enfreindre’. De Brusselse rechtbank maakt duidelijk dat de straffeloosheid van racistische drukpersmisdrijven tot het verleden behoort. De rechtbank is van oordeel dat de gewraakte tekst op Internet ‘indique la volonté publique de l’intéressé de rejeter toute intégration interraciale dans notre société’. Volgens het vonnis is er sprake van het aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat en geweld ‘à l’égard de la communauté marocaine en Belgique ainsi qu’à l’égard de la communauté africaine’. Het hof van beroep in Brussel heeft in een arrest van 27 juni 2000 dit vonnis in grote lijnen bevestigd. De schadevergoeding aan het CGKR werd gereduceerd van 100.000 frank tot één (symbolische) frank.

15. Een tweede toepassing van de correctionalisering van racistische drukpermisdrijven gebeurde met het vonnis van 7 november 2000 in de zaak Vercruysse naar aanleiding van de strafbare inhoud van het revisionistische tijdschrift Final Conflict. Het vonnis maakt melding van propaganda voor en berichtgeving over allerlei neo-nazi bewegingen in Europa. In het bijzonder wordt de aandacht gevestigd op een artikel waarin de vraag gesteld wordt of er wel zes miljoen joden gestorven zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens de rechtbank strekt dit artikel er duidelijk toe op schromelijke wijze de genocide te minimaliseren en goed te praten. De talrijke verwijzingen naar het revisionisme in het tijdschrift ‘constituent une minimisation grave, outrancière et offensante auquel tout alibi scientifique se dérobe’. Het vonnis stelt :

‘Les auteurs tentent une approche tendant à justifier le génocide pour le présenter sous un jour déresponsabilisant le régime national-socialiste allemand et partant, susceptible de réhabiliter pareille idéologie hostile à la démocratie et de nature à offenser gravement de nombreux êtres humains de diverses origines ou catégories sociales’.

De persoon die verantwoordelijk was voor de verspreiding in België van het tijdschrift Final Conflict is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van 40.000 frank, waarmee de rechtbank een straf heeft opgelegd ‘de nature à faire (le prévenu) conscience de la gravité de ses actes et à l’inciter à modifier radicalement son comportement’. Ook werd bevel opgelegd tot publicatie van het vonnis in twee kranten, namelijk in Le Soir en in De Standaard, publicatie op kosten van de veroordeelde. Aan het Cetrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding is een schadevergoeding toegekend van 1 frank.

16. Eind oktober 2000 raakte bekend dat door het CGKR en de Liga voor de Mensenrechten een aantal vzw’s werden gedagvaard die hun medewerking verlenen aan het Vlaams Blok, partij die volgens de klachtdoende partijen sinds haar oprichting kennelijk en herhaaldelijk in het openbaar discriminatie en segregatie verkondigt en aanzet tot vreemdelingenhaat. Aangezien de drie gedaagde vzw’s overduidelijk hun medewerking verlenen aan het Vlaams Blok kunnen zij worden veroordeeld in toepassing van artikel 3 van de antiracismewet. Volgens het CGKR en de Liga kunnen de betreffende rechtspersonen voor deze feiten aansprakelijk worden gesteld aangezien de misdrijven waarvan sprake een intrinsiek verband houden met de verwezenlijking van hun doel of waarneming van hun belangen. Het CGKR en de Liga verwijzen in hun dagvaarding uitgebreid naar passages uit boeken, brochures, pamfletten, tijdschriften en congresteksten, passages waarin wordt aangezet tot discriminatie zoals bedoeld in de antiracismewet. Aan de correctionele rechtbank wordt dus gevraagd om het strafbaar karakter van deze publicaties vast te stellen en de gedaagde partijen te veroordelen. Meteen een belangrijke nieuwe test voor de strafvervolging voor de correctionele rechtbank van drukpersmisdrijven die door racisme ingegeven zijn…

17. De vraag blijft of de gecreëerde verwachtingen met de grondwetswijziging van 7 mei 1999 effectief zullen kunnen worden ingevuld. Bij de uiteindelijke toepassing van de antiracismewet moet immers de nadruk worden gelegd op het feit dat men in deze met strafrecht te maken heeft, hetgeen betekent dat het strafbaar gesteld gedrag restrictief moet worden geïnterpreteerd. Aangezien het bovendien de strafbaarstelling van de uitoefening van een fundamenteel grondrecht betreft, te weten de expressievrijheid, is een grote mate van omzichtigheid vereist bij het instellen van vervolging of bij de strafrechtelijke veroordeling wegens uiting van denkbeelden of opinies. Aan de materieel-rechtelijke component van de strafbaarstelling van de antiracismewet is immers niets gewijzigd. Bij de vervolging dient ook rekening te worden gehouden met het basisprincipe van de vrijheid van (politieke) meningsuiting zoals onder meer verregaand gewaarborgd door artikel 10 van de Europese Verklaring voor de Rechten van de Mens. Dit impliceert met name dat de bestraffing van racistische drukpersmisdrijven slechts mogelijk is in die gevallen waarin de toepassing van de (overigens volstrekt legitieme) antiracismewet voldoet aan de voorwaarde van de ‘noodzakelijkheid in een democratische samenleving’. Niet wat als politiek incorrect wordt beschouwd kan het voorwerp zijn van strafrechtelijke vervolgingen. Enkel die uitingen die daadwerkelijk in strijd zijn met de antiracismewet of met de antinegationismewet komen in aanmerking voor correctionele vervolging en bestraffing.

De effectieve toepassing van de antiracismewet zal ook niet van aard zijn om meer impliciete of verdoken vormen van racisme te bestraffen: het subtiele racistische discours zal maar moeilijk via de antiracismewet kunnen gesanctioneerd worden. De repressieve aanpak van racistische publicaties waarvoor nu is gekozen kan overigens als (ongewenst) neveneffect hebben dat de racistische boodschap minder herkenbaar, want meer impliciet zal worden geformuleerd. Het openlijk racisme en het aanzetten tot vreemdelingenhaat zal in de toekomst hierdoor mogelijk worden gecamoufleerd, waardoor deze denkbeelden uiteindelijk meer aanvaardbaar (‘salonfähig’) worden geformuleerd of verpakt.

18. Het is nu aan de correctionele rechtbanken en de hoven van beroep die de beoordeling voorgelegd krijgen van door racisme of xenofobie ingegeven drukpersmisdrijven om te bewijzen dat de Belgische antiracismewetgeving effectief één van de instrumenten is om de manifeste negatie van het respect voor de mensenrechten en de bedreiging voor één van de meest fundamentele waarden van de democratie, namelijk die van de gelijkheid onder de mensen, alert en kordaat te beteugelen. De maatschappelijke en politieke ontwikkelingen hebben, vooral in Vlaanderen, een zodanige stroomversnelling gekend dat hoogdringend een duidelijk signaal moest worden gegeven dat racisme en vreemdelingenhaat in een democratische samenleving niet kunnen getolereerd worden. De recente rechterlijke uitspraken in toepassing van de antiracismewet en van de antinegationismewet hebben alvast duidelijk gemaakt dat de Belgische antiracismewetgeving voortaan effectief tot bestraffing kan leiden van via de gedrukte media of via Internet openbaar gemaakte boodschappen die aanzetten tot discriminatie, racisme of vreemdelingenhaat. Van deze wetgeving mag echter niet tegelijk worden verwacht dat zij ook in staat is een sociaal fenomeen te bestrijden: ‘En réprimant les discriminations les plus manifestes, la loi pénale participe à la prise de conscience et à l’évolution des mentalités, mais elle n’est pas un moyen massif d’intervention contre un fait social’ (J. Costa-Lascoux).

Dirk Voorhoof is hoogleraar aan de Universiteit Gent, waar hij onder meer mediarecht doceert.

Bibliografie :

Batsele, D., Hanotiau, M. en Daurmont, O. (1992), La lutte contre le racisme et la xénophobie, Brussel, Editions Nemesis.

S. Coliver (ed.) (1992), Striking a balance: Hate Speech, Freedom of Expression and Non-discrimination, Londen, Article XIX.

Costa-Lascoux, J. (1991), ‘Des lois contre le racisme’, in P.-A. TAGUIEFF, Face au racisme 2. Analyses, hypothèses, perspectives, Parijs, Découverte, 127.

Dejemeppe, B. (1996), ‘De bestraffing van racistische gedragingen: stand van zaken anno 1996’, Panopticon 1996, 313-346

Delgado, R. en Stefanic, J. (1997), Must We Defend Nazi’s ? Hate Speech, Pornography and the New First Amendment, New York en Londen, New York University Press.

D’Haenens, L. en Saeys, F. (eds.) (1996), Media & Multiculturalisme in Vlaanderen, Gent, Academia Press.

Dumont, H., Mondoux, P., Strowel, A. en Tulkens, F. (eds.) (2000), Pas de liberté pour les ennemis de la liberté? Groupements liberticides et droit, Brussel, Bruylant.

Francis, E. (1999), ‘Bedenkingen bij de ‘correctionalisering’ van racistisch geïnspireerde drukpersmisdrijven’, Rechtskundig Weekblad 1999-2000, 377-394.

J. Nieuwenhuis, A.J., (1997), Over de grens van de uitingsvrijheid. Een rechtsvergelijkende analyse van de regelgeving ten aanzien van pornografische en racistische uitlatingen, Nijmegen, Ars Aequi Libri.

Schuijt, G.A.I. en Voorhoof, D. (eds.) (1995), Vrijheid van meningsuiting, racisme en revisionisme, Gent, Academia Press.

Van Den Broeck, B., ‘De democratische staat en de antidemocratische partijen’, Samenleving en Politiek 1999/6, 3-13.

Voorhoof, D. (1998), ‘Het Arbitragehof en de anti-negationismewet’, (noot onder Arbitragehof 12 juli 1996), Jaarboek Mensenrechten 1996-1997, 346-353.

Weinstein, J., (1999), Hate Speech, Pornography and the Radical Attack on Free Speech Doctrine, Boulder, Westview Press.

X. (1999), De wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, Brussel.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift