‘De Christelijke gemeenschap in Pakistan leeft!’

De Pakistaanse bisschop Joseph Coutts was afgelopen vrijdag te gast bij Caritas Vlaanderen in Brussel. Hij sprak er over het leven als christen in Pakistan, en over de religieuze onverdraagzaamheid waarmee zijn land kampt.

De moslimfundamentalisten zijn sinds de jaren ’80 een belangrijke machtsfactor in het Aziatische land. Toen de Sovjet-Unie Afghanistan binnenviel in 1979, leidden de VS en Saoudi-Arabië moedjahedien op. Deze verzetsstrijders namen het in Afghanistan op tegen het Rode Leger. Toen de Sovjet-Unie zich in 1989 uit Afghanistan terugtrok, keerden de moedjahedien terug naar Pakistan. Al snel bleek dat de Pakistaanse autoriteiten weinig vat hadden op deze goedgetrainde groepering. Anno 2011 zijn de moedjahedien uitgegroeid tot een machtige extremistische beweging.

Geen godslastering

Vorige maand werd de minister van religieuze minderheden door moslimfundamentalisten vermoord. Shahbaz Bhatti’s voertuig werd met een kogelregen doorzeefd. Bhatti was de enige christen in de regering van president Zardari. Hij stond bekend om zijn kritiek op de wet op godslastering. Deze houding maakte van hem een belangrijk doelwit voor moslimextremisten.

De wet op godslastering werd in 1860 door het Britse koloniale bestuur ingevoerd. Hierin staat dat niemand kritiek mag geven op andermans religie. Deze wet werkte, en zorgde ervoor dat de vele religies in relatieve vrede leefden. Maar na de onafhankelijkheid van Pakistan werd de wet met twee amendementen aangepast. Voor het bekritiseren van de Koran krijgt de beschuldigde een celstraf. In het tweede amendement staat dat de doodstraf volgt voor het beledigen van de profeet Mohammed.

Ondanks het feit dat de Pakistaanse wet het bestaan van religieuze minderheden erkent, bezetten de christenen de laagste treden op de maatschappelijke ladder.

Het is niet verwonderlijk dat vanuit veel hoeken kritiek op de twee amendementen komt. Niet enkel religieuze minderheden, maar ook gematigde moslims zien met lede ogen toe hoe de wet misbruikt wordt. Coutts geeft het voorbeeld over een arbeidsgeschil in een fabriek. ‘De situatie escaleerde zodanig dat de eigenaar uiteindelijk gelyncht werd door een woedende menigte. Toen de politie arriveerde zegden de arbeiders dat ze hun baas vermoord hadden omdat die een ingekaderde koranvers kapot gesmeten had. De ordehandhavers namen met deze verklaring genoegen, en beschouwde de zaak als gesloten.

Lage maatschappelijke positie

95 procent van de Pakistani zijn moslim. De overige vijf procent bevat talloze religieuze minderheden. Christenen en hindoes zijn met elk twee procent de grootste. Ondanks het feit dat de Pakistaanse wet het bestaan van religieuze minderheden erkent, bezetten de christenen de laagste treden op de maatschappelijke ladder. Zij voeren meestal jobs uit waarvoor andere Pakistani hun neus ophalen, zoals straatvegen of bakstenen maken.

Maar de 1,8 miljoen christenen zijn volgens Monseigneur Coutts geen onzichtbare minderheid. ‘De christelijke gemeenschap sticht veel scholen. Deze zijn een noodzaak voor onze kinderen omdat zij in staatsscholen vaak gepest worden door moslims. Desondanks is iedereen welkom op onze scholen. Veel moslimouders weten dat wij goed onderwijs aanbieden, en sturen hun kroost naar ons. De christelijke kinderen krijgen dan onderricht in het catechese en de moslims in islamstudies. Wij mogen misschien wel maar twee procent van de Pakistani uitmaken, ons aandeel is groter dan twee procent!’

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift