De Congo-nostalgie van de VRT

Tot op de dag van vandaag schotelt de videozone van de VRT drieëntwintig nieuwsitems voor onder de noemer ‘Congo, vroeger en nu’. Het zijn commentaren van Peter Verlinden, koloniale propaganda- en promofilms en getuigenissen allerhande. Veelzeggend is het hoe ze de Congolese onafhankelijkheid impliciet afbeelden als een keerpunt tussen een ‘voordien’ en een ‘nadien’. Samen leveren ze een nogal verdachte suggestie op. De onafhankelijkheid zelf blijkt de oorzaak van alle huidige ellende in Congo.
Dat de minireportages samen vertellen dat het ‘niet zo goed gaat’ in Congo, is niet nieuws. Die vaststelling delen ze niet alleen met een decennialange Belgische berichtgeving over Congo, maar ook met de overgrote meerderheid van Congolese journalisten, kunstenaars en filmmakers. Om een ‘positievere’ boodschap te krijgen (zoals: er is niet alléén miserie) hoeft men de Congolese realiteit niet eens ‘van de Congolese kant’ te zien. Daar zorgt het exotisme in onze eigen contreien wel voor: Afrikaanse dans of een rondleiding door het Brusselse Matongé. Het gaat me hier dan ook niet om wat de drieëntwintig nieuwsitems niet tonen – de af en toe geopperde klacht dat de Congolese hedendaagse realiteit gereduceerd wordt tot haar ellende – maar om wat ze wel tonen. Op welke wijze doen deze reportages hun vaststelling? En waarom?

Leve de plantages


In de reportage ‘Plantages voor blank en zwart’ ontmoet Peter Verlinden geen arbeider, maar hij vindt er nog een, zoals hij ook een oud-minister van propaganda en de twee overlevenden van de muziekgroep African Jazz zal vinden. Het filmpje gaat over de verloederde erfenis van de koloniale tijd, in contrast met de florerende koffieplantage van weleer, opgeroepen door  koloniale beelden met hun gebruikelijke waardehiërarchie, exotisme en fallocentrisme. We zien een blanke man die koffiebonen keurt, en een ontblote Congolese vrouw (vandaar de titel van het filmpje?). Onproblematisch klinkt het commentaar van Peter Verlinden: ‘koloniale bedrijven, maar ook veel individuele ondernemers, namen de flanken van de heuvels in en honderden Congolezen kwamen bij hen in dienst.’ De Belgen verschaffen met andere woorden werk aan Congolezen die vrijwillig in dienst gaan op flanken die door hen nog niet waren ingenomen. Helemaal anders becommentarieert de RTBF-serie ‘Boula Matari’ dit soort beelden van zwarte arbeiders op de plantages:
De export van landbouwteelten zorgde voor diepgaande veranderingen in de traditionele landbouw. (…) De grote plantages werden geïnstalleerd via een oud, maar aanvechtbaar systeem dat Leopold II al op punt zette: het systeem van grondconcessies. Onbezette gronden (maar waren zij werkelijk onbezet?) kwamen toe aan de staat, die de gronden overdroeg aan grote private maatschappijen in ruil voor een winstaandeel. Dat heeft onweerlegbaar gezorgd voor een groot economisch dynamisme, maar ook voor schandalige misbruiken. Een voorbeeld: die van Unilever of de Société des Huileries du Congo-belge. Het is duidelijk dat de concessie van 315.000 hectares palmentuin die toebehoorde aan Congolese landbouwers en die de maatschappij verkreeg via de regering, onteigend werd in verdachte omstandigheden. De landbouwers, verstoken van hun gronden, hadden nog maar een ding te doen: werken voor de maatschappij. In Congo werden meer dan vier miljoen hectaren onteigend, en bijna altijd goede landbouwgronden.
‘C’était OK’, zegt oud-arbeider Joseph Maputa in het filmpje, ingevoegd vlak na het woord ‘werksysteem’. Peter Verlinden neemt het van hem over: ‘Met die koloniale aanpak groeit de koffieproductie snel in de jaren 1950. De Kivu-streek wordt een exporteur via Antwerpen naar de hele wereld. De Congolese arbeiders onder strenge Belgische leiding verdienden naar de normen van toen zeer behoorlijk. Vandaag komen ze nauwelijks rond.’ Dus dankzij de efficiënte koloniale aanpak wordt Kivu (lees: België) groot volgens westerse normen van vooruitgang. Er is echter iets tussen gekomen: de onafhankelijkheid. Deze gebeurtenis wordt ingezet als het makkelijke draaipunt voor een vergelijking tussen het koloniale tijdperk en de ellendige situatie van nu. De vroegere tijd illustreert men retrospectief als ‘beter’ (suggestief kent men er dus de eigenschap ‘goed’ aan toe). Maputa lijkt die redenering kracht bij te zetten. ‘De laatste tijd hebben we het moeilijk, maar vroeger kregen we een voorschot op ons loon, om de huur te betalen. Het was goed voor ons. Ieder kon uiteindelijk zijn eigen huis bouwen.’ We krijgen het beeld te zien van het door oorlog en plunder vervallen huis van de plantagebaas. Maputa vervolgt: ‘Ik zou willen dat de Belgen komen. Als ze komen, zullen we goed samenwerken.’ Onder die woorden zijn ‘sprekende’ beelden gemonteerd: een blank kind streelt een hond, blanke ouders voeden hun kinderen. ‘Want alleen wij samen hier, zo zullen we er niet geraken.’ Er volgen verschillende shots van talmende omstanders.

Waar zijn de Belgen gebleven?


Het item ‘Toerisme is stilgevallen’ construeert nog beter de tweespalt tussen voor en na de onafhankelijkheid. Een koloniaal propagandafilmpje laat ons blanken zien (en één zwarte als caddie) die zich – ‘tijdens een leven van hard werken’, aldus de voice-over – genieten van een toeristische rustpauze. Afrikaans gezang begeleidt het schouwspel van segregatie. Een traag pan-shot brengt mooi het Hotel Ishasha in beeld, maar dan wordt die exotische romantiek abrupt afgebroken door beelden van hetzelfde verloederde Hotel Ishasha, waarin vandaag vluchtelingen vertoeven in plaats van toeristen. De ellips van ruim vijftig jaar wordt rustig overbrugd door een gesprek tussen de reporter en een plaatselijke verantwoordelijke. Het gaat volledig op aan het glorierijke verleden van het hotel: zijn architectuur, zijn oorspronkelijke functie en het artisanale interieur van weleer. Via een fade worden we terug naar de koloniale tijd gekatapulteerd, waar kolonialen hun exploratiedriften botvieren. Een cut brengt ons terug naar het hotel, dat gedegradeerd werd door ‘collaborateurs’ (vertaald als ‘rebellen’). ‘En toch blijft de hoop dat de toeristen ooit zullen terugkomen en dat de ellende van de oorlogen en het wanbeleid eindelijk zal stoppen’, zegt de reporter. Alsof het tweede de voorwaarde vormt voor het eerste, en niet andersom.
In het filmpje ‘Het leven in de haven van Kinshasa’ ziet men, vlak voor de crossfade van de welvarende hypermoderne haven van Léopoldville naar de vervallen haven van Kinshasa, de tekst verschijnen ‘Heimwee naar de haven van toen’. De tweespalt krijgt nu een emotionele dimensie, die Congo afschildert als een ‘thuis’ (heim). Dat gevoel van heimwee, dat vele oud-kolonialen tergt tot op vandaag, wordt nergens geproblematiseerd. Ook de andere filmpjes bestrijden nauwelijks het beeld van Congo als koloniaal huis, waarin de Congolees fungeerde als dienaar (of in ‘het beste geval’ als iemand die geassimileerd moest worden). De kijker krijgt steun van Albert Mutombo, die het heimwee deelt die ons net werd aangesmeerd via een stukje koloniale propaganda film. Hij heeft de onafhankelijkheid meegemaakt en trekt dezelfde conclusie: het was de Belgische aanwezigheid die ervoor zorgden dat de haven onderhouden werd. ‘Ze hebben ons helemaal in de steek gelaten. Wat we willen, is dat de Belg en de Congolees weer samen komen, dat we samen beter worden.’ Een cut naar een koloniaal promotiefilmpje illustreert de verlangens van Mutombo, gesterkt door de originele commentaarstem. ‘Het tweede vaderland van de blanken die zich kwamen vestigen, is thans een der peilers van de internationale welvaart.’

Negatie, bevestiging en sensatie


Ook in het nieuwsitem ‘Hoe beleven bewoners van de cité het feestgedruis?’ manifesteert zich de tweespalt tussen vroeger en nu bij monde van de Congolezen zelf. Zij reproduceren de koloniale beeldvorming: ‘Congolezen zijn als kinderen. Wij zijn kinderen. Kan u uw kinderen zomaar aan hun lot overlaten?’ Zoals bij Joseph Maputa en Albert Mutombe, wordt ook deze quote gretig en kritiekloos overgenomen ter illustratie van het onuitgesproken koloniale gelijk. Dit is enkel mogelijk omdat de makers van de reportage voorbijgaan aan de vraag hoe structureel de effecten van de koloniale beeldvorming en haar paternalisme zijn of hoe de positie van een blanke cameraploeg die van de geïnterviewde bepaalt. In zo’n beslissende machtsverhouding praat een behoeftige Congolees Peter Verlinden natuurlijk naar de mond. Als de reportage de kijker informatie moet opleveren, en enig besef van subjectiviteit de objectiviteit ten goede komt, had de crew aan een eenvoudig Brechtiaans truckje voldoende gehad om de kijker ten minste een inzicht in dat onevenwicht mee te geven.
De vergelijking tussen voor en na de onafhankelijkheid wordt ten top gedreven in het item ‘Leren Belg worden in Belgisch Congo’. Deredactie.be kiest ervoor een stukje van Le bonheur est sous mon toit (Abbé Cornil, 1956) in het item te tonen. De enige kritische commentaar op dit opvoedende koloniale filmpje – waarin een Congolees die evolueert naar westerse norm, gecontrasteerd wordt met een niet-évolué – is dat het paternalistisch is. Na een stukje hilarische vergelijking tussen een modelfamilie met een geassimileerde westerse levensstijl en haar tegenmodel, komen we via een ellips van ruim vijftig jaar terecht bij oud-évolué Bernard Mutombo. Hij neust in zijn persoonlijke archief. De commentaarstem van Peter Verlinden: ‘ruim vijftig jaar later kijken de évolués van toen vooral met een flinke brok nostalgie terug naar wat voor hen de goed oude tijd was’. Nochtans zegt Bernard Mutombes getuigenis over discriminatie en apartheid (in hetzelfde clipje) het absolute tegendeel. In plaats van de évolués te duiden als urbane maatschappelijke klasse die tot politieke bewustwording en uiteindelijk de eis van onafhankelijkheid heeft geleid, reduceert men ze liever verkeerdelijk tot een brok nostalgie. Geen duiding dus (buiten het anekdotische) die de onafhankelijkheid begrijpelijker zou maken, maar enkel het construeren van 1960 als schisma tussen vroeger en nu, herleid tot zijn sensationele aspect. Dat zien we nog beter in ‘Juli 1960: in Congo breekt de hel los’. De getuigenis van Gerard Aerts en zijn vrouw over plundering, verkrachtingen en moord wordt zonder enige vorm van sereniteit versneden tot spektakel, waarin negerstereotiepen een diabolische proportie aannemen.

Beelden van vóór 1960 legitimeren bijna het Belgisch kolonialisme door ze te laten contrasteren met beelden van het heden.
De schijn van Boudewijn


In het filmpje ‘50 jaar Congolese onafhankelijkheid’ zien we Boudewijn, juichende mensen en een saluerende politieman. Die laatste wordt via een sprong van vijftig jaar gevolgd door een politieman van vandaag, die dezelfde handeling uitvoert. Zo lijkt het wel alsof hij de Belgische koning (of diens land) ook nu nog eer betoont. Ook het item ‘Herinneringen aan bezoek Bwana Kitoko’ visualiseert Boudewijns gezag en de Congolese dankbaarheid jegens de vorst. In ‘1959: Boudewijn bezoekt Congo’ wordt dan ook verteld dat ‘in Brussel werd beslist dat Congo onafhankelijk zou worden’. De onafhankelijkheid als autodeterminatie en de beslistheid van MNC en l’Abako om Congo te bevrijden, worden overschaduwd door beslissingen in Brussel over de datum en de modaliteiten. Zo begint het filmpje dan ook ‘met de laatste reis die Boudewijn naar de kolonie maakte’. De keuze voor Boudewijn als protagonist (en later als de redder die Congo haar bevrijding belooft), overschaduwt de reële kiemen van de onafhankelijkheid.
Het zijn ook de kiemen van haar mislukking en van de impasse vandaag. Door de Belgische behartiging van eigen macht en belangen kwamen de rechten van Congolezen op de tweede plaats. Racisme, apartheid en segregatie gingen gepaard met controle over ontginningen van bos, grond, ondergrond, water en arbeid. De keerzijde van dit blanke alleenrecht op macht en kennis was tweeledig: ten eerste de Congolese incompetentie in de machtsovername, die neerkwam op een adoptie van koloniale structuren, en ten tweede de legitimiteit van de machtsovername. Hoe meer de gekoloniseerde werd uitgesloten van de macht, hoe meer gegrond én problematisch hun aspiraties. ‘België zou alle sleutels in handen geven van haar kolonie’, maar de Congolezen hadden tijdens het kolonialisme nooit kennis mogen nemen over welke sleutel op welke deur paste. Die deur forceren (hun legitieme strijd voor zelfbeschikking) bracht hen die kennis evenmin. En zo heerst het blanke alleenrecht op macht en kennis verder tot op vandaag (op enkele uitzonderingen na, lees: bondgenoten). De foto Der Degendieb van Robert Lebeck toont dat de machtsovername slechts van imaginaire orde is. De Congolees pakt niet de macht van België af, maar enkel een ornament van de macht. (In het nieuwsitem ‘Degen van Boudewijn werd destijds gestolen’ gebruikt men overigens de term ‘stelen’: iets illegitiems of misdadigs, eerder dan iets symbolisch). Zoals de degen werd weggetrokken, werd een handtekening onder de onafhankelijkheidsverklaring gezet.

Vijftig jaar afhankelijkheid


De nadruk van de VRT-nieuwsitems op de datum van 30 juni 1960, en bij uitbreiding de hele heisa rond de herdenking van de onafhankelijkheid, voeren de schijn op van discontinuïteit, die de continuïteit van het kolonialisme moet verbergen. Die continuïteit tussen ‘voor’ en ‘na’ de onafhankelijkheid is nochtans essentieel om te begrijpen waarom ‘het niet al te best gaat in Congo’. Het land is nog steeds wingewest én afzetmarkt. De impasse van vandaag is juist de mislukking van de onafhankelijkheid die nooit heeft plaatsgevonden. En net die mislukking, resultaat van de bovenvermelde paradoxale structuur (koloniaal alleenrecht / legitimiteit van onafhankelijkheid + incompetentie) heeft de koloniale continuïteit mogelijk gemaakt. België (net als Frankrijk en Engeland) ‘schenkt’ aan haar kolonies de onafhankelijkheid en is zo in het reine met het Handvest van de Verenigde Naties en de dekolonisatie-ideologie van de Grootmachten. Tegelijk is de dekolonisatie een economische weddingschap (‘le pari belge’). Hoewel het Cartierisme (een stelling van eind de jaren 1950 die inschatte dat de koloniale investering verlieslatend was) niet op de Belgische koloniale betrekkingen toepasbaar was (omdat de kolonie zelfbedruipend was), zorgde de onafhankelijkheid voor een kapitaalvlucht uit de kolonies en voor het terugtrekken van heel wat middelen en personeel uit het onderwijs, de gezondheidszorg… Tegelijk bleven de winstgevende belangen ter plaatse toch verzekerd, bijvoorbeeld door de ontbinding van het Comité Spécial du Katanga, wat het profijt voor Congo uit haar eigen bodem sterk beperkte. De onafhankelijkheid veranderde dus vooral de zichtbaarheid van Belgische en westerse aanwezigheid en investering. Niet alleen komt die gedaanteverandering nog steeds goedkoper uit, zonder dat de heersende machtsconfiguraties al te veel te wijzigen (er zijn nu enkel meer spelers, zoals China). Ook laat de schijnbare afwezigheid (en de schijnbare machtswissel in 1960) het moederland toe zich te ontdoen van haar koloniale plicht zich te verantwoorden voor haar lucratieve – inmiddels neokoloniale – activiteiten, die al van bij aanvang een transnationaal karakter hadden.

De zucht van De Gucht


Die (koloniale) verworvenheid toont zich erg duidelijk in de gemediatiseerde politieke Congo-discussie rond de vraag ‘of we het nu moeten zeggen of niet’. Hoe moeten we, in navolging van De Gucht, de Congolese regering wijzen op schendingen van mensenrechten? Anders geformuleerd: hoe kunnen we Congo en zijn ‘legitiem verkozen’ regering het beste de les spellen? Die spilvraag, die men in werking ziet in het interview ‘Zoon Mobutu praat over erfenis van zijn vader’, bedekt de vraag wat de redenen van die schendingen zijn, en welke (commerciële) belangen wij er zelf bij hebben. Terwijl de onafhankelijkheid – en dus het einde van een morele legitimiteit – herdacht wordt, doet men beroep op moraal om Congo’s afhankelijkheid van het westen en het economische neokolonialisme toe te dekken. De focus van een paar nieuwsitems op ‘goede acties’ vanuit België (‘Albert was al eens eerder in Congo’, ‘Arme Justitie’, ‘Gezondheidszorg’ en ‘Koninklijk bezoek in Kinshasa’), versterkt enkel de schijn van morele legitimiteit en onafhankelijkheid (anders was het geen ‘goede daad’, maar een plicht) en het ontwijken van het neokoloniale vraagstuk.
Ook het item ‘Brusselse rappers zijn kritisch voor het regime’ negeert dat vraagstuk, door bijvoorbeeld de woorden van Baloji en Pitcho welbepaald te vertalen. De stelling van Pitcho dat wat telt in Afrika rijkdom is en dat ‘men’ er enkel heen gaat om de rijkdom, verwordt tot ‘we willen alleen de rijkdom van Afrika’: alsof Pitcho het over zichzelf en zijn rasgenoten heeft. ‘On ne va pas la pour le respect de l’Afrique’ wordt vertaald als ‘we’ (uit de mond van Pitcho) ‘tonen geen respect voor Afrika’. Het ligt dus aan henzelf. In hetzelfde item wordt Baloji, die de hand in eigen boezem steekt en kritiek spuit op Afrika, gebruikt om de clichés en de stereotiepen te legitimeren als waarheid. De VRT recupereert Baloji’s kritiek en wijst erop dat die enkel bij ons mogelijk is: wij kennen het recht op vrije meningsuiting, in Congo is er de censuur. ‘Hier kunnen kritische stemmen natuurlijk wel!’ De commentator is daarenboven zo vriendelijk ons te informeren dat Baloji en Pitcho ‘precies zeggen waar het op staat’, zodat hun statement uiteindelijk een autoriteitsargument wordt.

Onafhankelijkheid als koloniaal project


De VRT maakt van de Congolese onafhankelijkheid een brandpunt, maar dat heeft meer weg van een blinde vlek. De hedendaagse ellende die Verlinden en co registreren, wordt van die onafhankelijkheid een derivaat. Die focus op discontinuïteit biedt niet alleen een valse verklaring voor de vaststelling van elke kijker ‘dat het niet zo goed gaat met Congo’. Het idee dat de onafhankelijkheid daar voor iets tussen zit (eerder dan de afhankelijkheid en het doorwerken van de koloniale machtsverhoudingen) wordt ook kracht bijgezet door de beelden van Congo’s ellende te contrasteren met het koloniale Congo. De spil van dat contrast is 1960. Beelden van vóór 1960 (per definitie koloniale beelden, aangezien de gekoloniseerden geen beeldproductie over zichzelf in handen hadden) legitimeren bijna het Belgisch kolonialisme door ze te laten contrasteren met beelden van het heden. Het terugkerende verhaal van het beëindigende koloniale regime als schisma suggereert een causaal verband: de onafhankelijkheid als oorzaak voor de ellende van nu.
Dat het tijdens het kolonialisme ‘beter was’, is natuurlijk op vele vlakken ontegensprekelijk. Maar het suggereert ook dat het vroeger ‘goed’ was. Zo worden koloniale beelden (en hun koloniale waarden als vooruitgang, infrastructuur, wegennetwerk enz.) de maatstaf waarmee men beelden van het heden bekijkt. Of ze stellen minstens een breuk tussen nu en vroeger voorop. Die breuk wordt de ‘onafhankelijkheid’ genoemd en wordt het scherpst afgelijnd door het een datum te geven: 30 juni 1960. Door de onafhankelijkheid te beschouwen als een keerpunt, wordt niet enkel een misleidende vergelijking mogelijk, maar wordt dit keerpunt, en niet het verderzetten van het kolonialisme met andere middelen (neokolonialisme) of het kolonialisme zelf, als oorzaak voorgesteld voor de ellendige postkoloniale situatie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2751   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift