Dossier: 

De Congolese mijnbouw bloeit, maar jobs blijven achterwege

Eén ding is zeker: sinds 2006 is de mijnactiviteit sterk gegroeid. Er is nog nooit zoveel zuiver koper geproduceerd in Congo als vorig jaar. In 2013 wordt het nog meer. Op de weg tussen Likasi en Lubumbashi zoeven om de haverklap vrachtwagens met veertig ton koper voorbij: 230.000 euro per truck. Maar meer Congolese jobs lijkt dat niet op te leveren.

  • MO*/John Vandaele Een arbeider "blust" koperkathodes. Vorig jaar werd liefst 600.000 ton zuivere koper geproduceerd in Congo, een record. MO*/John Vandaele

In 2006 zat de industriële grondstoffenproductie, na jaren van oorlog, op een dieptepunt. In 1980 produceerde het staatsbedrijf Gécamines, de opvolger van het koloniale bedrijf Union Minière, nog een half miljoen ton koper. Later zakte de koperproductie ineen en vanaf 2000 produceerde Congo jaarlijks nog een paar tienduizend ton. Diamant was op dat moment veel belangrijker, met een productie van 30 miljoen karaat (in 1980 nog 10 miljoen), waarvan meer dan twee derde werd bovengehaald door ambachtelijke delvers ofte creuseurs.

Ook in Oost-Congo begon het delven en hakken naar coltan, goud of ijzer. Naarmate de grondstoffenprijzen met de opkomst van China stegen, nam de ambachtelijke mijnbouw een hoge vlucht, ook in Katanga.

Intussen is er veel veranderd. De diamantsector in Kasai is weggezakt, maar Katanga zag zijn koper- en kobaltindustrie als een feniks uit zijn as herrijzen. In 2012 werd meer dan 600.000 ton zuiver koper geproduceerd, het hoogste cijfer ooit en dat met hoge wereldmarktprijzen van bijna 6000 euro per ton. Het duurdere kobalt (20.000 euro per ton) piekt met jaarlijkse productiecijfers van om en bij de 100.000 ton – bijna evenveel als in de hele periode tussen 1985 en 2000.

In tegenstelling tot vroeger zit die productie niet meer geconcentreerd bij het staatsbedrijf Gécamines, maar bij de joint ventures die Gécamines de voorbije jaren aanging met tal van privépartners. Daaronder zitten mijnmultinationals die over de miljarden euro’s beschikken die nodig zijn om de groene bergen te ontginnen. Zo verwierf de Amerikaanse mijnreus Freeport McMoran tussen Tenke en Fungurume een gebied van 1600 km2 waaruit naar schatting 4 miljoen ton zuiver koper te halen is. Tenke Fungurume Mining (TFM) zou dit jaar 200.000 ton koper produceren.

De grondstoffenmultinational GlencoreXstrata nam dan weer de concessies van Forrest en Gertler in en om Kamoto over waar we in 2006 over schreven. Dat bedrijf, de Kamoto Copper Company, kortweg KCC, zou dit jaar 120.000 ton koper produceren maar mikt voor volgend jaar op 300.000 ton.

Daarnaast zijn er een aantal middelgrote bedrijven met lagere productiecijfers en ook vele doorgaans Chinese en Indiase bedrijven die hun ertsen kopen van creuseurs.

Kwamen er veel banen bij?

Merkwaardig genoeg kan niemand bij benadering zeggen hoeveel mensen een formele baan hebben in de mijnsector. Het Nationaal Bureau voor de Werkgelegenheid zou meer moeten weten, maar Gérard Kasongo Ilunga, de directeur van de afdeling Katanga, kan ons alleen een cijfer geven van de werkgelegenheid bij 45 van de grotere bedrijven. Begin 2013 werkten er 26.570 mensen, van wie 25.482 voor Congolezen. De indirecte werkgelegenheid in allerlei toeleveringsbedrijven zal minstens even groot zijn, maar dan kom je nog maar aan 60.000 banen in de grotere bedrijven. Dat de Katangese mijnindustrie zorgt voor 100.000 formele banen, direct en indirect, is wellicht geen slechte schatting, al blijft het giswerk.

Over één ding is iedereen het eens: de Chinese en Indiase bedrijven hebben weinig op met arbeidersrechten en sociaal overleg.

 

Kasongo betwijfelt of de werkgelegenheid, globaal gezien, is toegenomen de voorbije jaren. Ten eerste omdat er bij Gécamines veel mensen zijn afgevloeid. Velen onder hen werken nu bij andere bedrijven, maar dat compenseert dan gewoon het banenverlies. Met dat verschil dat het nu om productieve banen gaat, niet om het in dienst houden van mensen door een staatsbedrijf dat kreunt onder meer dan 1 miljard euro schulden. Overigens liet de ceo van Gécamines weten dat nog eens de helft van de 9000 werknemers overbodig is.

Kasongo: ‘De grote bedrijven werken tegenwoordig ook anders: vroeger hadden directeurs een chauffeur, nu rijden ze zelf. Er zijn gewoon minder banen dan vroeger om hetzelfde te produceren.’ Jacques Mande, hoofd van de vakbond CSC in Katanga, zegt het zo: ‘Hoe meer men de fabrieken verbetert, hoe meer mensen men moet ontslaan.’


Een promotievideo van de Kamoto Copper Company. Het bedrijf stelt voornamelijk hooggeschoolden te werk.

Bovendien is de werkgelegenheid in de ambachtelijke sector verminderd. Soms werden en worden de creuseurs met gevechten in regel verdreven van concessies die industriëlen hebben verworven. Theo Mafo van de CSC-afdeling van Kolwezi stelt dat het aantal creuseurs in en om Kolwezi is verminderd van 100.000 tot 15.000. Ingenieur Dédé Madika, die voor KCC werkt, ziet die verschuiving ook: ‘Voor de investeerders hier neerstreken, pikten de creuseurs – vaak sociaal zwakkeren, mensen met weinig scholing – een graantje mee van de mijnsector, nu zijn het de beter geschoolden zoals ik die er beter van worden.’

Is het aantal banen niet toegenomen, de arbeidsvoorwaarden – veiligheid en gezondheid, vergoeding … – van de industriële banen zijn beter dan die van de creuseurs,die vaak grote risico’s nemen in hun zelfgegraven tunnels. Bovendien kan industrialisering, anders dan de ambachtelijke mijnbouw, de basis leggen voor de ontwikkeling van Congo, op voorwaarde dat het goed gedaan wordt en de bedrijven belastingen betalen.

Charles Mwamba van de vakbond CSC: ‘Als je het op het niveau van de provincie of van de stad Lubumbashi bekijkt, is de werkgelegenheid door de mijnbedrijven een druppel in een oceaan. Elk jaar verlaten duizenden studenten de universiteit van Lubumbashi.’ De stad trok door de koperkoorts jongeren uit heel het land aan: de bevolking is er verdubbeld tot vijf miljoen inwoners. Velen schrapen met moeite een overlevingsloontje bijeen – zoals zeven dagen per week in een restaurant werken voor een maandloon van tachtig euro.

Dan zijn de lonen in de mijnsector hoger. KCC betaalt naar eigen zeggen een nettomaandloon voor uitvoerende taken van 750 dollar. De vakbondsvertegenwoordigers van CSC hebben het over 300 dollar. Een groot verschil natuurlijk, al blijft ook 300 dollar tot de betere lonen behoren in Congo.

Toch is er ook discussie over de kwaliteit van de banen bij de nieuwe reuzen. Telkens opnieuw doemt de vergelijking met het oude Gécamines op: ‘Gécamines betaalde al het schoolgeld, betaalde een of meer zakken maïsmeel per jaar – dat doet KCC niet of amper. Dédé Madika’s vader was decennialang kaderlid bij Gécamines toen dat nog goed werkte. ‘Wij hebben alles te danken aan Gécamines’, zegt moeder Madika. ‘Al onze kinderen konden studeren, er was prima gezondheidszorg, het bedrijf gaf ons het basisvoedsel van verschillende zakken maïs per maand, ook dit huis kregen we van het bedrijf… De werknemers moeten nu veel harder werken dan vroeger: ze vertrekken vroeg en komen pas heel laat terug.’ Bij TFM draaien ploegen twaalf uur per dag. Volgens Madika leidt dat tot meer ongevallen.

Het bouw- en mijnbedrijf Entreprise Générale Malta Forrest werkt meer op de oude manier, zegt Ben Pirard: ‘Een metselaar verdient bij ons 200 dollar, maar daarbovenop komen zijn zakken maïsmeel, zijn gezondheidszorg, het schoolgeld voor de kinderen. Een werknemer zocht onlangs onze hulp voor zijn tweede vrouw, die ernstig ziek was. Normaal valt die niet onder de verzekering, maar dan doen we iets extra’s door hem een aantal vrachtwagens met steenslag te geven.’ Over één ding is iedereen het eens: de Chinese en Indiase bedrijven hebben weinig op met arbeidersrechten en sociaal overleg.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur