De contraproductieve bijdrage van België aan het Congolese leger

Precies twee jaar geleden draaide het compacte peloton van Congolese politici, partijen, composantes, milities, warlords, charismatici en andere would be leiders de laatste rechte lijn in naar de verkiezingen. Dankzij de sereniteit van het Congolese volk en het voortreffelijke werk van de onafhankelijke electorale commissie liepen de verkiezingen goed af. Twee stemrondes later legde Joseph Kabila de eed af als verkozen president, en met de investituur van de regering Gizenga in februari 2007 was de Derde Republiek een feit.
Eén van de belangrijkste opdrachten van de nieuwe ploeg was de eenmaking van het leger. De oorlog had het militaire schaakbord erg versplinterd. De belangrijkste protagonisten in het conflict hadden hun eigen gewapende macht opgebouwd, al dan niet met steun uit de buurlanden, en uit deze lappendeken moest dus één nationaal leger gepuurd worden. De uitbouw van een geloofwaardig, gedisciplineerd en coherent leger is de enige duurzame manier om de chronische straffeloosheid een halt toe te roepen. Vooral in het oosten van het land blijft de burgerbevolking dagelijks het slachtoffer van geweld. In het bijzonder het geweld tegen meisjes en vrouwen blijft onthutsend hoog.
Verschillende internationale actoren hebben de ambitie om Congo te helpen om van het leger een instrument van de rechtsstaat te maken in plaats van het zootje ongeregeld dat vandaag één van de belangrijkste oorzaken van onveiligheid is. De Verenigde Naties hebben al jaren de grootste vredesmissie ter wereld op het terrein, en ook de Europese Unie investeert zwaar in de hervorming van de veiligheidssector. In 2005 heeft ze Eusec in het leven geroepen, met de opdracht de eenmaking van het leger te ondersteunen en te begeleiden. Daarbovenop doen een aantal lidstaten bilaterale inspanningen. Waaronder België. Helaas dragen deze inspanningen niet altijd bij tot een beter gezamenlijk resultaat. Soms zijn ze zelfs contraproductief.
Als het met die eenmaking van het leger niet echt wil vlotten, heeft dat te maken met vier factoren. In het begin was het vooral politieke onwil:  zo’n warlord heeft niet veel zin zijn militaire slagkracht te ontmantelen. Hij zou ze wel eens kunnen nodig hebben als het vredesproces in de gracht rijdt. Verder is er de logistiek: milities samenbrengen, elke milicien registreren, een opleiding geven en in nieuwe eenheden onderbrengen betekent dat je kazernes nodig hebt, en die zijn er niet of nauwelijks. Vervolgens is er de link met de problematiek van de grondstoffen. Sinds Mobutu ontsnappen de natuurlijke rijkdommen aan de controle van de staat via illegale circuits.
De oorlog heeft die kanalen in het oosten op Kigali en Kampala georiënteerd. Vandaag overleeft een groot deel van de al dan in het leger geïntegreerde gewapende groepen dankzij hun greep op een mijn of een handelsroute, en die controle wordt niet zomaar opgegeven. Tenslotte en misschien vooral is het een probleem van transparantie en good governance. Of tenminste: van het gebrek er aan. Hoe schimmiger het organigram van het leger, hoe groter de mogelijkheden van de legertop om belangrijke sommen te verduisteren. Dat geldt voor de maandelijkse soldij maar nog meer bij het opzetten van grote militaire operaties zoals die tegen Nkunda in december. Veel mensen die in een sleutelpositie zitten om de éénmaking van het leger te doen slagen, hebben er grote belangen bij dat de huidige situatie zo lang mogelijk blijft bestaan.
Vooral op dit laatste terrein wil de Europese Unie met Eusec het verschil maken.  Eusec heeft vandaag twee belangrijke activiteiten van Eusec. Enerzijds wordt een doorzichtige betalingsstructuur uitgewerkt, en anderzijds wordt elke militair van het regeringsleger biometrisch geregistreerd. Zo valt de mogelijkheid weg om geld op te strijken voor niet-bestaande, overleden of gepensioneerde soldaten. Deze materie is extra gevoelig in Congo omdat ze zowel over veiligheid als transparantie gaan. Daarom staan Eusec en de Europese Unie regelmatig onder zware politieke druk van onder meer de minister van defensie Chikez Diemu.
Er zijn een aantal spanningsvelden rond de eenmaking van het leger binnen de internationale gemeenschap in Congo. De lange termijn ambitie van de EU staat nogal haaks op de aanpak van de Verenigde Naties, die met de Monuc vooral onmiddellijke resultaten wil boeken op vlak van veiligheid. Een gemeenschappelijk actieplan waarbinnen de kortetermijndoelen van de Monuc deel uitmaken van een langetermijnvisie onder Europees leiderschap zou de gezamenlijke impact zeer ten goede komen. Maar ook België’s bilaterale inspanningen versterken de Europese aanpak niet: omwille van de eigen zichtbaarheid en een scherper nationaal profiel worden er bijvoorbeeld opleidingen en materiaal aangeboden bovenop het Europese pakket. Natùùrlijk is er nood aan opleidingen en materieel, maar als de bilaterale militaire samenwerking niet volledig in lijn is met de Europese aanpak, ondergraaft ze er de geloofwaardigheid van.
Sinds de installatie van de Derde Republiek heeft de Congolese overheid bijzonder weinig zin om op de vingers te worden getikt door buitenstaanders, en al helemaal niet door het geheel van haar internationale partners. Ze probeert die dan ook constant uit elkaar te dribbelen. De inspanningen van de Europese Unie om het leger één te maken willen vooral de manier waarop met geld omgegaan wordt recht trekken. Om dit tot een goed eind te brengen moet ze in de dialoog met de Congolese autoriteiten het been stijf houden, en zich daarbij eendrachtig opstellen. Het moet duidelijk zijn dat alle lidstaten achter dezelfde visie en strategie staan. In functie van haar eigen relatie met Congo, brengt België barsten aan in de Europese solidariteit, en geeft ze het signaal dat er wel alternatieven zijn. Dat de soep niet zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend.
Zolang er geen geloofwaardig en gedisciplineerd leger bestaat in Congo zal er niets wezenlijks veranderen aan de veiligheid en de straffeloosheid, zal het land weerloos blijven tegen buurlanden, en is het minstens in het oosten onbegonnen werk om te proberen de informele mijnbouw onder controle van de democratisch verkozen regering te krijgen. Het is een goede zaak dat België bereid is op dit vlak extra inspanningen te leveren. Maar als het een duurzame impact wil hebben zal het complementair moeten zijn aan wat Europa doet in plaats van op zoek te gaan naar een sterker eigen profiel.
Kris Berwouts, Directeur EurAc

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift