De digitale kloof bij de Hispanics in de Verenigde Staten

De discussie over de digitale kloof in de VS toont erg uiteenlopende opvattingen. Enerzijds beweert men dat het Internet in de VS net zo divers aan het worden is als de Amerikaanse maatschappij zelf.
De kloof tussen degenen die wel en niet (haves/have-nots) toegang hebben tot de informatiemaatschappij zou in werkelijkheid een kloof zijn tussen degenen die nu al toegang hebben en degenen die binnenkort toegang zullen krijgen (have-now/have-later). Anderzijds toont recent onderzoek aan dat er wel degelijk sprake is van een groeiende digitale kloof in de VS. Bovendien dreigt die kloof meer en meer een echt raciaal ravijn te worden.

Wanneer je vertrekt van het standpunt dat communicatietechnologie een belangrijke rol kan spelen in de ontwikkeling van een meer evenwichtige en gelijke maatschappij, dan is de problematiek van de digitale kloof een sleutelaspect van de strijd om de rechten van elke Amerikaanse burger. Mensen die toegang hebben tot telecommunicatiediensten, zoals een telefoon of een computer met Internetaansluiting, kunnen een rol spelen in de globale markteconomie, kunnen participeren in het politieke debat en kunnen sociale contacten leggen in de hele wereld. Mensen die geen toegang hebben tot deze telecommunicatiediensten riskeren een achterstand op te lopen en afgesneden te raken van de wereld, van het politieke debat en van de globale, geïnformatiseerde markteconomie. In de Verenigde Staten begint deze digitale kloof steeds meer op een raciale kloof te lijken. In dit artikel bekijken we een raciale groep die in de informatiesamenleving uit de boot dreigt te vallen, nl. de Hispanics of Latino’s.

Hispanics in de VS

In de studie ‘The Demographics of Diversity’ uit 1998 worden twee ‘Amerika’s’ beschreven: het ene Amerika is dat van de ouder wordende, blanke, Anglo-Amerikaanse burger uit de gegoede wijken in de grootstad, in de kleinere steden en in de plattelandsgebieden; het andere Amerika is dat van de jongere, multiculturele bevolkingsgroep die in de culturele centra van de VS een snelle groei kent. Zo zijn er bijvoorbeeld ongeveer 31 miljoen Hispanics in de VS, ongeveer 11,5% van de bevolking. In het jaar 2005 zullen de Hispanics de grootste minderheidsgroep in de VS zijn en in het jaar 2050 zal één op vier Amerikanen van Latijns-Amerikaanse afkomst zijn. Het aandeel van de blanke bevolkingsgroep bedraagt nu nog 72% maar zal in het jaar 2050 nog maar iets meer dan de helft van de totale bevolking tellen. Dit betekent dus dat de VS in de volgende jaren zullen verschuiven van een overwegend blanke maatschappij naar een niet-blanke samenleving. In stedelijke centra zoals Miami, New York en Los Angeles is deze verschuiving al duidelijk merkbaar. In Los Angeles zijn de Hispanics nu al de grootste etnische groep.

Deze etnische groep is echter wel heel divers. Hispanics in de VS zijn afkomstig uit 22 verschillende landen, zoals Mexico, Puerto Rico, Cuba en andere landen uit Midden- en Zuid-Amerika. De meeste Hispanics spreken vooral Spaans, zo’n 20% spreekt beter Engels, en de overigen kunnen zich zowel in het Spaans als in het Engels uitdrukken. Twee vijfde van de Hispanickinderen leeft in armoede.

Welke digitale kloof?

Discussies over de digitale kloof beginnen dikwijls met een blik op de telefoonverspreiding. Telefoon wordt immers beschouwd als een basiscommunicatiedienst. Zo schrijft Jorge Reina Schement in zijn boek over minoriteiten in de VS en nieuwe media: ‘Telefoonpenetratie verdient speciale aandacht omdat een telefoonaansluiting eveneens de mogelijkheid geeft om toegang tot nieuwe diensten te krijgen, zoals e-mail en Internet. Wanneer iemand geen toegang heeft tot telefoon, is hij in feite afgesneden van de wereld’.

In het algemeen nemen de verschillen qua telefoonverspreiding tussen blanke Amerikanen en Hispanics af. Bij de gezinnen met hoge inkomens is er nauwelijks nog een verschil tussen de raciale of etnische groepen in de VS. Bij de gezinnen met lage inkomens blijven de Hispanics echter kampen met een achterstand.

Inzake de verspreiding van computers en Internet is deze achterstand nog groter. Het aantal Internetaansluitingen in de VS is de laatste jaren spectaculair gestegen. Meer dan een kwart van alle gezinnen in de VS heeft nu toegang tot het Internet. Maar ook de kloof tussen de demografische groepen is aanzienlijk gestegen. Bijna 30% van de blanke gezinnen kan surfen op het World Wide Web, terwijl in de Hispanic-gezinnen slechts 12,5% toegang heeft. Deze kloof is in één jaar tijd met de helft vergroot. Deze ongelijkheid kan niet enkel verklaard worden door inkomensverschillen tussen de verschillende groepen. In de lagere-inkomensgroep heeft een blank gezin 4 keer meer kans om een Internetaansluiting te hebben dan een Hispanic-gezin in dezelfde inkomenscategorie.

Gezinnen die thuis geen toegang hebben tot het Internet, hebben dikwijls wel toegang via scholen, bibliotheken, gemeenschapshuizen of op hun werk. Toch hebben nog steeds meer blanke Amerikanen een Internetaansluiting in hun eigen huis, dan Hispanics toegang hebben tot het World Wide Web via om het even welk kanaal (thuis, werk, bibliotheek, enz…). De Amerikaanse overheid voorziet scholen en bibliotheken van financiële steun zodat deze de weg naar de informatiesnelweg kunnen vinden. Door deze politiek van universele dienstverlening kunnen minder gegoede groepen in de samenleving toch gebruik maken van nieuwe telecommunicatiediensten.

Sommige Amerikaanse onderzoekers beweren zelfs dat Internet helemaal geen kloof slaat in de samenleving, maar net een weerspiegeling is van de diversiteit van de maatschappij. De cijfers m.b.t. het Internetgebruik zouden heel wat hoger zijn als ook de mensen die de nieuwe diensten buiten hun eigen huis gebruiken, opgenomen zouden worden in de statistieken. Omdat de overheid deze gebruikers over het hoofd heeft gezien, werd er, volgens dezelfde critici, een artificiële digitale kloof gecreëerd. Hoewel minderheidsgroepen via publieke centra toch toegang tot het Internet kunnen hebben, kan dit niet gelden als een substituut voor toegang in het eigen gezin. Er is een verschil tussen toegang in een bibliotheek of school, en toegang in de eigen, vertrouwde thuisomgeving. Door het ondersteunen, via publieke en private initiatieven, van Internettoegang in het eigen gezin, vermindert de kans op het ontstaan van tweederangsburgers die altijd een beroep moeten doen op buitenhuiselijke diensten. Want beweren dat toegang op het werk voor het gezinshoofd voldoende is om alle noden op het vlak van informatie, onderwijs en communicatie van het hele gezin te bevredigen, is onlogisch en oneerlijk ten opzichte van de andere gezinsleden.

Voorbij de statistieken

De belangrijkste reden waarom Hispanicgezinnen geen toegang tot het Internet hebben, blijkt de hoge kostprijs te zijn. Een andere belangrijke reden is dat veel gezinnen simpelweg geen toegang wensen. Recente studies binnen verschillende onderzoekscentra in de VS hebben echter aangetoond dat er ook andere redenen zijn die de achterstand kunnen verklaren.

Het Tomas Rivera Centrum voor Beleidsonderzoek stelde vast dat Hispanicfamilies, net zoals blanke families, een computer kopen omdat ze menen dat ze op die manier kunnen aanknopen met de vooruitgang. Ouders zijn niet alleen gemotiveerd om zelf een computer te gaan gebruiken, maar willen ook dat hun kinderen de trein niet missen. Hoewel de voordelen van computergebruik zeker onderkend worden, blijken ouders anderzijds toch bang te zijn van de pornografie op het Internet en van de antisociale aard van het gebruik van computers in een gezinsomgeving.

Traditionele barrières —zoals de hoge kosten, gebrek aan gebruikersinformatie en de snel verouderende computertechnologie— verklaren ook voor een stuk de motivatie om voorlopig geen computer aan te kopen. Toch vertonen vele families belangstelling om in de toekomst kennis te maken met computers. Door het toenemend aantal Internetgebruikers stijgen ook de voordelen van een netwerkconnectie, en vinden vele Hispanics het nuttig dat de Amerikaanse overheid de Internettoegang zou subsidiëren. Een dergelijk beleid zou over enkele jaren zijn vruchten afwerpen. De bevolking zou dan immers beter opgeleid zijn om de uitdagingen van een informatie-economie aan te kunnen.

Tijdens het onderzoek benadrukte één van de ondervraagde personen dat indien de regering wil dat alle afgestudeerde leerlingen de capaciteiten zouden hebben om met computers te werken, zij ook alle scholen moet voorzien van de geschikte apparatuur. Een andere persoon wil dat de computerbedrijven hierin hun verantwoordelijkheid opnemen en computers toegankelijk maken voor alle jongeren. Later zullen deze jongeren die investering ruimschoots compenseren.

De noden en eisen van de ondervraagde Hispanicgemeenschap kunnen als volgt samengevat worden: 1) ruimere mogelijkheden om computerervaring op te doen via volwassenenvorming in scholen, kerken en gemeenschapscentra; 2) een consumentenrapport dat een overzicht geeft van de beste merken en types van software en hardware, opgesteld in het Spaans en in een vorm die geschikt is voor de Hispanicgebruiker; 3) advertenties voor Spaans- én voor Engelssprekenden in zowel de algemene als de etnische media; 4) ontwikkeling van mediageletterdheid en kritische zin nodig om het Internet zinvol te kunnen gebruiken.

Een andere studie die peilt naar de motivatie en hinderpalen in de aankoop van computers bij Hispanicgezinnen, wil op de eerste plaats de groeiende computerpenetratie bij Hispanics verklaren. Zoals al eerder gesteld in dit artikel is er inderdaad sprake van een aanzienlijke groei, maar verloopt die groei veel trager dan bij de blanke bevolkingsgroep. Eén van de belangrijkste motivaties voor de aankoop van een computer, is de wil om mee te gaan met de maatschappelijke evoluties en er zeker voor te zorgen dat de kinderen kunnen omgaan met computers. Hispanics gebruiken het Internet ondermeer om virtuele bezoeken af te leggen in hun land van herkomst en om contacten met vrienden in het moederland te onderhouden.

Een belangrijk obstakel bij de aankoop van een computer bleek ondermeer het gebrek aan productinformatie en efficiënte communicatie in het Spaans te zijn. Wat het Internet betreft, waren verschillende ondervraagden ongerust over de mogelijkheid van financiële fraude.

Dr. Armando Valdez, hoofd van het Forum voor Telecombeleid in California, relativeert het belang van de socio-culturele verschillen tussen de bevolkingsgroepen in de VS. Volgens hem zijn de obstakels die een sterkere groei van computergebruik en Internettoegang belemmeren zowel voor Hispanics als niet-Hispanics gelijk. Het gaat altijd om de armere mensen die geen telefoonaansluiting hebben of in hun omgeving geen toegang hebben tot een computer met netwerkconnectie. Hij beweert dat de samenhang tussen computerpenetratie en culturele of raciale groepen in een juiste context geplaatst moet worden. Deze groepen beschikken in het algemeen over minder middelen dan blanken. Sociologische gegevens tonen aan dat een Latino of zwarte met een vergelijkbare opleiding en ervaring minder verdient dan een blanke. Ook zijn de families groter en is het inkomen per hoofd dus aanzienlijk lager.

Een antwoord op de kloof

Dat er wel degelijk sprake is van een digitale kloof bewijzen niet enkele de bovenstaande gegevens op het vlak van computer- en Internetpenetratie. Ook in de professionele informatiewereld zijn bepaalde minderheden ondervertegenwoordigd. Het aantal computerprogrammeurs en systeemanalisten, twee van de kernfuncties in een informatiesamenleving, is zowel bij Afro-Amerikanen (5,4% en 7,1%) als bij Hispanics (4,6% en 2,5%) bedroevend laag. Een blik op de evoluties in het Amerikaanse onderwijs toont bovendien aan dat op korte termijn geen grote veranderingen te verwachten zijn. Vorig jaar werd maar 2% van de diploma’s computerwetenschappen uitgereikt aan Hispanics. Slechts 6 Latino’s behaalden een doctoraat in deze wetenschap.

Toch verandert er iets. Aan de Technical Career Institutes (TCI), een school in Manhattan, volgen 3500 studenten een twee jaar durende cursus die hen klaarstoomt om in verschillende technologische sectoren aan de slag te gaan. Drie kwart van de studenten zijn Afro-Amerikanen en Hispanics, en meer dan de helft komt uit gezinnen met lage inkomens. TCI mobiliseert fondsen van de zakenwereld, van scholen, gemeenschapsorganisaties, ouders en van de overheid om de toegang tot technologie en de nodige vaardigheden van studenten te verhogen. De directeur van TCI pleitte voor het Amerikaanse Congres: ‘De zakenwereld moet de hand uitsteken naar gemeenschappen, scholen en de overheid. De bedrijven moeten ondersteuning bieden voor Internet- en technologiecentra in wijken, mentors uit de zakenwereld voorzien, apparatuur verschaffen en computers beschikbaar stellen in scholen zoals de TCI, buiten de normale lesuren. De overheid kan proberen deze samenwerking tussen zakenwereld en scholen aan te moedigen.’

Het World Wide Web kende onlangs een enorme vlucht qua Spaanstalige inhoud. Sinds meer en meer Latijns-Amerikanen en Hispanics uit de VS toegang krijgen tot het Internet, reppen bedrijven zich om deze nieuwe markt te voorzien van aangepaste diensten en inhoud. StarMedia - een Spaanse en Portugese portaalsite uit New York - werd in 1996 opgericht met een aanbod dat bestond uit e-mail, babbelboxen, zoekrobotten en Internetgidsen. De site wordt tegenwoordig per maand 60 miljoen maal bezocht. ‘Wat ik zag was een historisch moment, de mogelijkheid om de Latijnse gemeenschap in de wereld opnieuw samen te brengen’, aldus Fernando Espuelas, medeoprichter van StarMedia.

Deze pan-Amerikaanse aanpak was succesvol voor StarMedia en voor andere bedrijven die miljoenen gebruikers in Noord- en Zuid-Amerika kunnen bereiken. Andere bedrijven kiezen voor een kleinschalige lokale aanpak. Quepasa.com, een tweetalige website uit Phoenix, steunt op de idee dat Hispanics in de VS informatie willen die echt op hun specifieke interesses en noden is gericht. Of men nu kiest voor de kleinschalige, gerichte informatie of voor de pan-Amerikaanse portaalsites, Hispanics hebben meer en meer keuze wanneer ze inloggen op het Internet.

Voor die toegang tot het Internet blijven vele Hispanics wel afhankelijk van gemeenschapsinitiatieven. Hoewel deze toegang tot een netwerkconnectie in gemeenschapscentra op lange termijn niet gezien kan worden als een substituut voor thuisgebaseerde toegang, kan het voorlopig toch een oplossing zijn om de digitale kloof voor een stuk te dichten. Dat betekent wel dat nationale en lokale overheden deze gemeenschapscentra dienen te steunen zodat er geïnvesteerd kan worden in aangepaste apparatuur en goed opgeleide leraars. Want indien de digitale kloof niet gedicht wordt, zal de droom dat de Informatiemaatschappij economische en sociale voordelen brengt voor iedereen, afglijden in een nachtmerrie waarin sociale ongelijkheden nog groter zullen worden en de achterblijvenden alle hoop zullen verliezen. Om die droom waar te maken is er een gezamenlijke inspanning nodig, die reikt van Washington tot in de kleinste gemeenschap van de VS.


Noot:

1) Personen van Latijns-Amerikaanse afkomst.

Deze bijdrage verscheen in het tijdschrift ‘The Digital Beat’ , vol.1, nr. 13, van 6 augustus 1999. Samenvatting en vertaling uit het Engels zijn van Gert Nulens.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift