De dualiteit van ontwikkelingscommunicatie bij de Maasai

Het is altijd leuker om voor je verjaardag een geschenk te ontvangen in plaats van de gift zomaar in je handen gestopt te krijgen. De spanning rond het geschenk, het verrassingseffect en de nieuwsgierigheid maken dat je als gegadigde uitkijkt naar wat er onder de strik en het papiertje zit.
Je zal met je volle aandacht het cadeau van zijn verpakking ontdoen en je geconcentreerd op de inhoud richten. Als dit cadeau dan nog gegeven wordt in een feestelijke omgeving, waar iedereen vrolijk rondloopt, waar het huis versierd is en er op de radio ook nog een verzoekje voor je verjaardag gedraaid wordt, dan krijgt het cadeau nog meer elan en zal je als jarige nog moeilijk vergeten wat je kreeg, zelfs al was het maar een prul. In het tweede geval, waar een object zelf gekocht wordt of aangeboden in zijn normale, niet ingepakte vorm, is de kans groot dat het in een lade of op een kast vliegt, hoe nuttig of leuk het ook is. Want de jarige heeft zijn aandacht volledig bij het leuke, misschien onbenullige, maar toch zeker uitdagende geschenk.

Zo is het ook met informatie en educatie. Belangwekkende informatie die mooi gebracht wordt heeft een veel grotere kans gehoord te worden dan de meest interessante, maar saai gebrachte boodschap. Wil je de informatie tot bij de gebruiker, de doelgroep brengen, dan moet die doelgroep er interesse voor tonen, en het is aan de communicator om die interesse op te wekken. En die interesse kan maar gewekt worden als de doelgroep snapt waar het om gaat.In dit artikel wil ik mij toespitsen op de communicatieproblematiek die ik registreerde in Oostelijk Afrika (Oeganda, Kenia, Tanzania en Zambia), en een paar cases belichten die de dualiteit van de ontwikkelingscommunicatie onderstrepen.

Communicatieproblemen van de ontwikkelingssamenwerking

De problemen in Afrika zijn complex. Tegen wil en dank, en voor een groot deel door toedoen van de erfenis van het verleden moet Afrika mee met het Westen, bepaalde structuren moeten opgezet worden, andere scheefgetrokken structuren moeten weer recht zien te komen, zowel op sociaal als economisch gebied, de Afrikaan wordt (onbewust) een andere levenswijze en -stijl opgedrongen. Voor sommige problemen worden eigen oplossingen gevonden, voor andere worden experts van buitenaf gecontacteerd. Maar beide gevallen hebben een grote kans op falen als er niet over communicatie wordt nagedacht. In het eerste geval blijft de informatie binnen de kleine gemeenschap, in het tweede geval zitten zender en ontvanger niet op dezelfde golflengte.

Twee theoretische voorbeelden:

* Een vrouw ontdekt een nieuwe cooking stove waardoor ze veel minder energie verbruikt. Gevolg: minder sleuren met hout, minder kappen van hout en daardoor minder verwoestijning enzovoorts. Maar enkele dorpen verder hebben ze die expertise niet, zodat vrouwen blijven sleuren met hout en dat er nog steeds overvloedig gekapt wordt. Het contact tussen de twee dorpen zou dit probleem kunnen oplossen.

* Een specialist in AIDS-bestrijding uit Antwerpen komt een project leiden in Oost-Afrika. De man spreekt de taal niet, maar zelfs al spreekt hij de taal, dan nog spreekt hij de taal van de mensen niet. De specialist benadert het Aids-probleem op een heel ander niveau dan de dorpeling. Zonder iemand die de boodschappen ‘vertaalt’ en ze naar de leefwereld en interesses van de dorpsbewoners brengt is het project tot mislukken gedoemd.

Bijkomend feit is dat de mens in het algemeen eerder zijn naaste dan een vreemdeling gelooft en vertrouwt. Als een buurman of streekgenoot beweert een goede manier gevonden te hebben om maïs beter te laten groeien, zal de boer in kwestie eerder geneigd zijn om die methode te testen dan de techniek van de vreemdeling.

Veel projecten zijn al neergestreken in dorpen, waar de verantwoordelijken met veel geld en veel tamtam waterpompen in de dorpen kwamen installeren. Op een heel korte tijd stond de pomp er, werd een inhuldigingsceremonie gegeven en vertrokken de projecten om andere dorpen te ‘helpen’ Wie nu door Oost-Afrika rijdt ziet tientallen ‘werkloze’ waterpompen in het midden van de dorpen. Wat is het probleem? De projecten kwamen met geld over de brug, en de dorpelingen lieten maar doen. Maar niemand in het dorp werd ooit gecontacteerd om te weten of er waterpompen nodig waren, of het geld niet beter aan iets anders besteed kon worden. Ten tweede werd hen ook niet gezegd en uitgelegd hoe de pompen onderhouden moesten worden. De pomp ging stuk, er was niemand die ze kon herstellen en hoe dan ook waren de vervangstukken te duur. En ten derde waren de mensen absoluut niet betrokken bij het project, waardoor ze ook geen respect toonden voor wat ze kregen. Misschien was een onderdeeltje van de pomp net bruikbaar voor de pick-up truck die ze na onderling overleg met het hele dorp aangekocht hadden. Daar stonden ze achter, en die moest dus goed blijven werken!

Als een Japanner naar België komt en veel geld uitdeelt, ons stokjes geeft en zegt dat we daarmee moeten eten omdat het beter voor onze gezondheid is, zonder daarvoor ook maar één motivering te geven, dan zullen we met stokjes eten zolang het geld blijft komen. Maar vanaf het moment dat de man weg is, schakelen we weer over op mes en vork, omdat we dat gewoon zijn en nog altijd geloven dat dit systeem beter werkt dan de stokjes.

De mediamix

Aan de basis van elk project ligt dus research. Voor de implementatieprojecten wordt er gezocht naar de noden en wensen van de lokale inwoners. De jongste jaren wordt voor die research vooral een beroep gedaan op PRA-methodes (Participatory Rural Appraisal). Eens de projecten geformuleerd zijn, moeten de objectieven op de meest efficiënte manier bereikt kunnen worden. En hier steekt communicatie dus het kopje boven water, en begint een nieuw proces van research. We weten nu wat we de plaatselijke bevolking willen vertellen, maar hoe we ze kunnen bereiken en informeren is alweer een zaak van grondig onderzoek alvorens de communicatiestrategie uit te tekenen.

Ook binnen de communicatieresearch is het belangrijk de mening van de plaatselijke bevolking te kennen en uit te vinden welke communicatiekanalen ze kennen, in welke ze geloven, en welke kanalen ze willen aanvaarden voor het consumeren van onze boodschappen. Deze informatie kan alleen verkregen worden door contact met de doelgroepen, en ook hier weer kan het totaalpakket van PRA hulp bieden.

De informatie moet de volgende vragen beantwoorden:

Welke traditionele en populaire communicatiekanalen bestaan er in de gemeenschap, en welke worden gebruikt voor welk soort boodschap en voor welke laag van de bevolking?

Welke moderne communicatiemiddelen zijn gekend en worden ook effectief gebruikt?

In hoeverre wordt de informatie, verspreid door de verschillende kanalen geloofd of als betrouwbaar beschouwd? Wie heeft toegang tot welke communicatiemiddelen (financieel, traditie, taboe,…)?

Zijn de middelen aanwezig om bepaalde communicatiemiddelen te ondersteunen?

Is er bijvoorbeeld geld voor batterijen voor radiotoestellen?

Hoe zit het met de alfabetisering? Hoeveel mensen kunnen lezen? Hoe interpreteren de inwoners tekeningen, symbolen en kleuren?

Al deze vragen zijn van levensbelang om een communicatiestrategie uit te werken. Elk probleem heeft zijn specifieke doelgroep, zijn specifiek kanaal en zijn specifieke aanpak. Eenzelfde probleem voor mannen, vrouwen en ouderen kan drie verschillende strategieën vragen. De ene groep gelooft meer in radio, de andere is beter te benaderen via toneel, en een derde via persoonlijke gesprekken.

Ook deelaspecten van een bepaald probleem voor eenzelfde doelgroep kunnen een verschillende aanpak vergen om zo de interesse en de nieuwsgierigheid van de individuen te wekken. Verschillende aanpak betekent verschillende kanalen die op elkaar afgestemd zijn, wat al vlug resulteert in het ontstaan van een multi-communicatieve aanpak, de mediamix.

Twee voorbeelden uit Oeganda illustreren dat onvoldoende research kan leiden tot een resultaat dat tegengesteld is aan dat wat van de campagne verwacht werd.

Radio Idi Amin

Research in verschillende gebieden in Oeganda had uitgewezen dat de overgrote meerderheid van de bewoners toegang hadden tot een radiotoestel, daar ook op welbepaalde tijdstippen naar luisterden, en heel wat informatie over de radio ontvingen. Algauw werd de veronderstelling geopperd dat deze tendens voor heel Oeganda zou gelden. Tot het researchteam in de streek rond Kagadi kwam en de mensen daar uitleg verschafte over het belang van radio en het feit dat een radiostation in hun streek ingeplant zou worden. Toen navraag gedaan werd naar het soort programma’s dat bij hen welkom zou zijn, en welke informatie via de radio verspreid moest worden, werden er alleen muziekprogramma’s vermeld. En dan nog liefst kwasa kwasa, country en heel veel Don Williams.

Nader onderzoek leerde dat ten tijde van het regime van Idi Amin de streek constant door de radio werd voorgelogen over wat er met bepaalde mensen uit de streek was gebeurd. De radiogolven verspreidden volgens deze mensen alleen leugens en propaganda. Daarom deden ze ook niet aan family planning of AIDS-preventie, ‘want dat was iets van op de radio’. Het enige goede dat uit dat kastje kwam was muziek. Vandaar ook hun verzoek om in plaats van die propaganda meer muziek te draaien en vooral dan Don Williams.

Een radiostation in deze streek kon dus de objectieven van het project volledig tenietdoen en zelfs een omgekeerd effect hebben, want het was van de radio. Door communicatieresearch werd dit vermeden.

De zonnebloemenkweker

De Family Planning Association had een nieuw logo voor haar programma uitgewerkt. Zelf waren de leiders van de vereniging overtuigd van de kwaliteit en de aanstekelijkheid van het logo. Duizenden posters en stickers werden gedrukt en het logo werd in de tuin van één van de chicste hotels in Kampala voorgesteld.

Spijtig genoeg hadden de mensen van de Family Planning Association vergeten hun logo te testen.

Het logo bestond uit de afbeelding van een netjes geklede man mét das, met aan zijn zijde zijn echtgenote, en vóór hen twee kinderen, een jongen en een meisje. Deze 4 personen stonden afgebeeld op een achtergrond van een enorme gele zon. Vogens de Family Planning Association symboliseerde dit logo ‘geluk, vrede en voorspoed voor mensen met een klein gezin’. Maar de Oegandezen in het binnenland zagen dat enigszins anders. Volgens hen lag de toekomst van Oeganda in het kweken van zonnebloemen. De man op het logo kweekte zonnebloemen en kon zich permitteren om voor zichzelf en zijn echtgenote dure kleren te kopen. En zelfs de kinderen zagen er piekfijn uit! De toekomst was dus aan de zonnebloemkwekers. Het hele budget van de Association was al opgesoupeerd aan promotie, zodat er geen geld meer over was voor het ontwerpen van een nieuw logo. Vandaag de dag gebruikt de Family Planning Association het logo nog altijd, en het kost hun ongelooflijk veel moeite om de mensen de ‘echte’ betekenis uit te leggen.

Deze twee voorbeelden illustreren duidelijk het belang van research en consultatie van de doelgroep rond de te gebruiken communicatiekanalen, en de wijze om ze te benutten. In vele gevallen zal dus een combinatie van verschillende kanalen de meest ideale benadering blijken te zijn. En die kanalen omvatten niet alleen de traditionele communicatiewegen zoals storytellers, muziek, vergaderingen en dans, maar hoe langer hoe meer ook de moderne kanalen zoals radio, video en sinds kort ook de elektronische media.

Moderniteit versus traditie

De tijd van louter traditionele communicatie is zelfs in hartje Afrika onbestaand geworden. Overal is de moderne communicatie doorgedrongen. Radiohits vervangen de traditionele songs, het nieuws komt rapper vanuit Londen dan vanuit een naburig dorp, Sylvester Stallone en Jean-Claude Van Damme zijn grotere helden dan de eigen onafhankelijkheidsstrijders. ‘Want die konden niet onder tanks liggen, of een karatestoot uitvoeren.’

Enkele voorbeelden:

In Terat, hartje Maasailand in Tanzania, vertoont een projectteam elke avond een film. De Maasai spaarden het geld voor de TV, video en zonnecellen zelf bijeen. Als ze een natuurdocumentaire programmeren, halen ze misschien 15 kijkers. Maar is er een Amerikaanse actiefilm te zien, dan halen ze gemakkelijk 200 kijkers, die daar een voettocht van 20 km voor over hebben. Ikzelf zag in 1997 de finale van The Champion’s League voetbal in een klein dorpje op 800 km van Kampala. De dorpsbewoners hadden samengelegd om een kanjer van een schotelantenne, een TV, een video en een installatie voor zonne-energie te bekostigen. Elke avond keken ze naar CNN, en ze waren beter op de hoogte van de affaire Dutroux dan ikzelf.

Eenzelfde ervaring had ik in Mauretanië waar we na twee dagen rijden door de woestijn, plotseling in het stadje Chinguetti aankwamen. Het eerste wat we van het dorp zagen was zijn schotelantenne.

In de meeste Afrikaanse dorpen is de eigenaar van een radiotoestel iemand met prestige. Hij kan naar iets luisteren dat van ver komt, hij heeft de macht te beslissen wat er beluisterd wordt en wie er mag meeluisteren. De eigenaars maken er zelfs een erezaak van zelf voor de kosten van de batterijen in te staan.

De meest succesvolle zakenmensen in de kleine dorpjes in het binnenland van Oeganda, Tanzania en Kenia zijn zij die een kleine bioscoop hebben opgezet en daar tot drie keer per dag een videofilm afspelen.

De moderniteit is dus niet meer tegen te houden. De tradities worden noodgedwongen verdreven. Traditionele dansen maken plaats voor hip-hop, theater is vervangen door Schwarzenegger. Toen ik eens vroeg aan een groep jongeren waarom ze niet meer geïnteresseerd waren in hun traditionele songs en dansen, werd de vraag naar mij teruggekaatst en werd mij gevraagd hoeveel van mijn voorouderlijke traditionele dansen en liedjes ik nog ken. Verder dan Tineke van Heule kwam ik niet, en dan alleen nog maar de eerste strofe. Conclusie van die jongeren: ‘In België gaat het goed omdat jullie van al die ouderwetse toestanden af zijn, dus proberen wij hier nu hetzelfde.’

De moderne communicatiemiddelen mogen dus niet gemeden worden, wil men de gehele bevolking aanspreken. Veel mensen hebben al geopperd dat het schandalig is om mensen die nog nooit met een schrijfmachine gewerkt hebben, laat staan er al een gezien hebben, te introduceren tot het gebruik van computers en internet. Maar dit is een even grote redeneringsfout als zich afvragen waarom je eerst met een fiets zou moeten kunnen rijden vooraleer je je rijexamen voor de auto zou mogen afleggen. Of waarom je eerst in de Middeleeuwen zou moeten leven om in de 20ste eeuw te kunnen meedraaien.

Maar het gebruik van moderne kanalen wil niet zeggen dat ook de traditionele middelen achterwege moeten blijven. Deze twee vormen van aanpak spreken elk een verschillende doelgroep aan, of worden gebruikt voor verschillende boodschappen. Traditioneel toneel kan veel dichter op de bal spelen als het gaat over boodschappen die van dorp tot dorp, of van streek tot streek lichtjes verschillen. Songs en dansen kunnen op verschillende momenten, en tijdens verschillende evenementen heel gemakkelijk vertoond worden. De identificatie met de spelers en met de situaties is veel groter dan met een presentator die uit een kastje weerklinkt. Terwijl moderne communicatie een veel grotere groep kan aanspreken, in bepaalde gebieden een grote magie uitstraalt, etc.

Maar het blijft hoe dan ook een dilemma om de moderne communicatietechnieken te introduceren in nog min of meer traditionele samenlevingen. Radio en video sijpelen sowieso al binnen en kunnen door de toenemende mondialisering en commercialisering van het medialandschap niet meer tegengehouden worden. Dit mogen we ook niet doen, want wie zijn wij om die mensen te dwingen traditioneel verder te leven, terwijl wij zitten te wachten op een nog snellere versie van onze computer, op nog maar eens een nieuw TV-station of op de release van ‘Titanic II, the final disaster’.

Elke burger heeft het recht toegang tot die elementen te krijgen, zelfs een Afrikaan in het diepste putje van het continent. Anderzijds worden, los van deze niet te stoppen (r)evolutie, nog meer moderne communicatietechnieken geïntroduceerd door ons, ‘de specialisten in ontwikkelingscommunicatie’. We zijn er bovendien van overtuigd - en indien men het goed onderzoekt blijken de dorpelingen dat ook te zijn - dat die moderne communicatie er moet komen om het leven van de verschillende individuen afzonderlijk en van de gemeenschap in zijn geheel te verbeteren. En terecht.

En daar zit nu net de hele dualiteit. Hoe kunnen traditie en moderniteit verzoend worden? Hoe kan je verdedigen dat het introduceren van die moderniteit een goede basis is voor het behoud van tradities? Hoe kan moderne communicatie de tradities in stand houden, of ze toch minstens vrijwaren van een al te grote en snelle degradatie?

De auteur is radio- en TV-regisseur. Hij woonde en werkte tussen 1992 en 1997 in Afrika, waar hij als Development Support Communication Expert in onder andere Oeganda, Kenia, Mauritanië, Zambia en Tanzania onderzoek deed naar interactieve communicatieondersteuning voor ontwikkelingsprojecten. Daarnaast was hij ook betrokken bij het opstellen van verschillende communicatiestrategieën en bij de opleiding van lokale partners in communicatietechnieken.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift