De engelen zijn gevallen en de eksters zijn naakt...

Het pamflet van Dirk Barrez had verwachtingen geschapen, nog voor het gepubliceerd werd, dankzij een Knack-interview, vele maanden voor Student Aid het opnam in zijn fameuze bundel ‘Het Orkest van de Titanic’. De opera van de ‘Vallende Engelen’ kende echter nog een tweede en derde bedrijf, die niet door Barrez zelf werden geschreven en getoonzet : de Naakte Keizers van de Ekstermolengroep en de hervormingen van staatssecretaris Moreels, het orgelpunt.
Deze ontwikkelingen groeiden zonder dat Barrez daar zelf verantwoordelijk voor was. Maar hij had de bres geslagen, en dat is op zichzelf al een verdienste.

Eerste bedrijf

Het hoofddoel van Dirk Barrez en de essentie van zijn kritieken, polemisch, provocerend maar meestal pertinent, hadden betrekking op de noordwerking van de NGO’s.

Niet iedereen voelde zich in dezelfde mate geïnterpelleerd door de gestelde vragen. Trouwens, één homogene NGO-wereld met een uniforme traditionele werkwijze bestaat niet; in de praktijk is de diversiteit vrij groot. In het Orkest van de Titanic veegde Dirk Barrez de NGO’s nochtans op één hoopje, allicht om er beter tegenaan te kunnen schoppen.

Oxfam-Solidariteit ging akkoord met een aantal kritieken, zoals over de rol van ‘hulp’ in Noord-Zuidrelaties, over het belang van politiek werk en over de rol van NGO’s tegenover de politiek, de rol van de overheid, het relativeren van de ‘civiele maatschappij’, het gevaar van noodhulp, de relativiteit van partnerrelaties, het gevaar van substitutie van overheidstaken… Een aantal van deze discussiepunten waren trouwens in de jaren tachtig al aan de orde in (een deel van) de sector: noodhulp, de rol van de staat, substitutie van overheidshulp en uiteraard het belang van politieke actie…

Rond een aantal andere punten waren we het niet helemaal eens met de kritieken.

De eis voor 0,7% BNP voor ontwikkelingssamenwerking blijft ons inziens tot op vandaag actueel en relevant, niet als oplossing voor het probleem maar als moreel engagement en als de politieke vertaling daarvan. Er zijn genoeg zinvolle, kwalitatief hoogstaande activiteiten die bilateraal of via NGO’s gesteund kunnen worden, in Noord en Zuid.

De inzet van NGO-coöperanten is niet noodzakelijke exclusief blank en buitenlands. Daarenboven is een externe technische inbreng zinvol, wanneer die lokaal niet beschikbaar is en beperkt blijft in de tijd. Heel wat NGO’s hebben eveneens goede ervaringen met vertegenwoordigers in een land of een regio. De rol van die vertegenwoordigers overstijgt de project- of programmacoördinatie.

De stelling dat geld overal en altijd corrumpeert getuigt van een pessimistisch mens- en wereldbeeld. Wij hadden het overigens al in andere omstandigheden (zie Ronde Tafel in De Wereld Morgen, juli 1998) over het belang van geldmiddelen voor het financieren van educatie en politieke actie in het Noorden, middelen die niet alleen uit subsidies komen, maar ook als ‘spin-off’ uit fondsenwerving voor projectensteun.

Wij steun(d)en specifieke politieke modellen in het Zuiden en gaven en geven onze steun aan bepaalde groepen en leiders. Dit gebeurt niet blindelings of alleen maar op basis van historische motieven, maar na het afwegen van positieve en negatieve elementen, waarna onvermijdelijk keuzes gemaakt moeten worden. Onze analyse blijft dus genuanceerd en onze steun kritisch.

Steun aan sociale initiatieven in de Derde Wereld komt er enkel als er revendicatieve aspecten aan verbonden zijn of als hij geïntegreerd is in een herverdelend overheidsbeleid. Enkel rekenen op de revolutie van de uitgehongerde volksmassa’s in het Zuiden, zonder de concrete noden te verhelpen is nogal cynisch, vooral als die kritiek geschreven wordt vanuit een comfortabele stoel hier.

Een kritiek waarmee we zelf misschien ook iets meer hadden kunnen rekening houden, is dat het hele debat zo Belgo-Belgisch is gebleven. De ons zo heilige partners hebben vrijwel niets kunnen inbrengen.

Tweede…

De Ekstermolengroep van zijn kant had een dubbele agenda: naast gezonde zelfkritiek en het uitwerken van mogelijke pistes voor de toekomst, paste de publicatie voor sommige deelnemers ook in een verdeelstrategie van de derdewereldbeweging rond NGO’s en actiegroepen, iets wat hun overigens ook nog enigszins gelukt is…

Zowel Dirk Barrez als de Ekstermolengroep stelden doorgaans pertinente vragen; de Ekstermolengroep formuleerde echter niet altijd goede antwoorden.

Inderdaad, de NGO-wereld professionaliseert en vertechnocratiseert hoe langer hoe meer, politieke doelstellingen worden in vraag gesteld, want ze zijn moeilijk meetbaar en evalueerbaar. Een technisch overleg zoals Coprogram begeeft zich hoe langer hoe meer op het politieke forum, het terrein van het NCOS, dat nog steeds niet helemaal uit de interne crisis is geraakt (vroegen wij niet vergeefs gedurende tien jaar een duidelijk protocol tussen beide, precies om de politieke voorrang van het NCOS te waarborgen ?).

Enkele ‘goeroes’ (Bossuyt, Renard,…) bepalen grotendeels de agenda, maar van een heus debat is er geen sprake (meer).

… en derde bedrijf

Bij de discussie over de hervorming van de regelgeving door de overheid, stond Oxfam-Solidariteit vaak geïsoleerd met kritische reflecties over professionalisering, schaalvergroting, over de rol van een federatie, over kwaliteitscriteria en andere modewoorden van de laatste jaren, die zo uit de werken van de Ekstermolengroep geplukt zijn.

De oorspronkelijke consensus daaromtrent onder de NGO’s begint echter, met de neus op de feiten, wel enigszins af te brokkelen… De constante hervorming waarin we met Moreels terechtgekomen zijn (en het lijkt nog lang niet afgelopen, met de verkiezingen en de communautaire onderhandelingen voor de boeg), heeft inderdaad grote(re) onzekerheid teweeggebracht en nog meer energie en tijd afgeleid naar het opstellen van medefinancieringsdossiers en rapporten.

De lessen voor Oxfam-Solidariteit : bijsturen en expliciteren

Heeft Oxfam-Solidariteit, prinselijk overtuigd van haar gelijk, dan helemaal geen lessen getrokken uit al deze interpellaties en evoluties ?

Zoals gezegd was een deel van de kritiek relevant. Op nogal wat punten hebben wij bijgestuurd en het feit dat een grondige institutionele hervorming plaats vond in ons eigen huis in 1996, maakte dat eenvoudiger.

Er werden dus concrete stappen gezet.

Het relatieve gewicht van het projectwerk daalt, ten voordele van meer politiek werk en van sensibilisering in het Noorden en van werken aan kwaliteit in Zuid en Noord. De nood aan een ‘strategisch plan’ (allereerst bestemd voor de medefinanciering) en aan verduidelijking van de interne coherentie naar buitenuit, hielpen bij het expliciteren van onze analyse, strategie, methodologie en prioriteiten. Dit proces was zeer positief, want noodzakelijk. Er kwam een ernstige interne reflexie over economische projecten. Onze organisatie werd bovendien mede-oprichter van Alterfin, wat leidde tot het openbaar maken van slechte ervaringen en mislukkingen.

Waaraan moet Oxfam-Solidariteit zelf nog werken ?

Aan het expliciteren en het naar buiten brengen van onze visie op de rol van coöperanten. Hun aantal is de voorbije jaren blijven dalen en ze werken binnen de structuren van de partnerorganisatie en onder haar verantwoordelijkheid, maar aan het belang ervan wordt niet getwijfeld. Cruciaal blijft de vraag wanneer we overheidsdiensten in het Zuiden kunnen of mogen steunen. Het is niet omdat we al jaren overheidsdiensten ondersteunen dat we in bepaalde gevallen niet wat meer afstand moeten nemen van (para)gouvernementele partners. Overigens zijn we één van de weinige NGO’s die vaak al vele jaren met overheden in het Zuiden samenwerken en daarover een bijdrage zouden kunnen leveren naar de hele sector toe. Onze ervaringen werden echter nooit systematisch geëvalueerd en de conclusies uit dat leerproces niet meegedeeld aan andere NGO’s.

Er moet een nog strengere screening komen van intermediaire NGO’s als lokale partners, om zeker te zijn van hun legitimiteit en om na te gaan waarom niet rechtstreeks met basisgroepen gewerkt zou kunnen worden.

Ten slotte moeten we een nog sterkere koppeling nastreven en meer samenhang bewerkstelligen tussen Zuid- en Noordwerking. Als hier acties opgezet worden voor ‘het recht op voedsel’, moeten we ons veel sterker laten leiden door relevante ervaringen en verwachtingen van partnerorganisaties. Het blijft een moeilijke opdracht voor de meeste NGO’s om, vanuit de micro-ervaring in een project in het Zuiden, een link te leggen met de macrothema’s die wij aansnijden. We moeten er daarenboven naar streven partners ook te betrekken bij het bepalen van de agenda en bij het uitbouwen van gemeenschappelijke strategieën. Ook in omgekeerde richting kan er nog vooruitgang geboekt worden: welke wapens geven wij onze partners in handen om het MAI mee te bevechten, al was het maar door hen daaromtrent de elementaire informatie te bezorgen?

De programmalogica kreeg voorrang, maar we blijven werken met zeer diverse lokale organisaties en instellingen. Als het om medefinanciering gaat, bemoeilijkt de nood aan gedetailleerde (vooral financiële) verslaggeving volgens rigide regels een echte programmawerking. We groeperen de partners niet artificieel rond ons als Noordelijke partner, we stimuleren wel uitwisselingen. Samenwerking met zeer diverse partners bemoeilijkt de uitwisseling en vereist heel wat diplomatie en geduld (bv. met overheidsdiensten).

We blijven weigeren ons geografisch of sectoraal te beperken, hoewel het makkelijker is om een voorstel te aanvaarden in een land of een regio waar we al langer actief zijn; sectoren zijn vaak verbonden met onze prioritaire thema’s. Deze zijn overigens breed genoeg om verschillende soorten activiteiten te blijven steunen. Wat voorop zou moeten staan is immers het politieke (macro) project van de partner, zijn analyse, allianties en strijd in een ruimer perspectief dan het micro-initiatief (project).

De geopolitieke evolutie verplicht ons soms onze contacten en relaties uit te breiden, daar waar dit politiek relevant is, bijvoorbeeld in Centraal-Afrika.

We worden steeds strenger in het beoordelen van aanvragen in functie van ons strategisch plan en van onze prioriteiten: de vraag naar coherentie hiermee wordt elke dag ernstiger opgenomen. Op die manier worden ook traditionele relaties bevraagd. De partners worden in die discussie betrokken. Er wordt met hen gewerkt om de identificatie- en formuleringsfase op een kwalitatief hoger niveau te brengen. Het blijft voor ons belangrijk om met jonge organisaties te werken die een leerproces doormaken en dus ook het recht hebben om fouten te maken.

Na een betere identificatie kan ook de evaluatie anders aangepakt worden. Ook doelstellingen als institutionele versterking, grotere politieke impact en dergelijke kunnen geëxpliciteerd en meer meetbaar gemaakt worden, zonder hierin mechanistisch te werk te gaan (cfr. programmadoc. 1997).

Schaalvergroting mag nooit artificieel gebeuren. Elke partner heeft zijn niveau van werken en het is aan hem om te bepalen of hij zich met andere organisaties wil groeperen, federeren of in netwerken wil samenwerken. Wij kunnen tips geven en steun verlenen, maar we zijn niet de motor.

Tenslotte is Oxfam-Solidariteit geen operationele NGO, en zal dat ook nooit worden. Partnerorganisaties concipiëren, voeren uit en evalueren. Wij zullen nooit in hun plaats treden of van partners een instrument maken om onze eigen doelstellingen te realiseren of om doelgroepen, over hun hoofden heen, te bereiken. Ook wij doen aan opvolging en evaluatie maar steeds in nauw overleg met de partners.

De Engelen zijn Gevallen en de Eksters zijn Naakt…

Als we die concrete positieve effecten even terzijde laten en terugkeren naar de grote krachtlijnen, dan kunnen we ons, vijf jaar later, de vraag stellen of de ogen die Barrez wilde openen, inderdaad opengegaan zijn. Het lijkt erop dat het accent (politieke) Noordwerking dat hij wou leggen, vanwege het carcan van de medefinanciering, niet versterkt is. En wat het tweede en derde bedrijf betreft, heeft de programmabenadering nog niet echt haar degelijkheid bewezen, vermits projecten en programma’s nog steeds naast elkaar behandeld worden. Bovendien is de politieke kwetsbaarheid van de NGO’s door de programmabenadering de facto vergroot: waar we vroeger teruggefloten konden worden op één of meer projecten omwille van ontwikkelingstechnische redenen, kan de overheid een NGO nu sanctioneren op een samenhangend Zuid- en Noordluik van haar programma.

En de vertrouwensrelatie met de overheid is er, ondanks alle mogelijk intermediaire organen, nog steeds niet. En als die er al zou zijn, dan leidde ze niet tot àndere fundamentele verbeteringen, zoals het gevoelig optrekken van het budget, in lijn met de beloofde nastreving van de 0,7% of nog, met een gedurfder Belgisch beleid ten opzichte van de internationale instelllingen (IMF, Wereldbank, WHO,…).

De methodologie haalt het op de finaliteit van ons werk. NGO’s zijn al bij al wel meer professionele en gespecialiseerde ‘agentschappen’ voor ontwikkelingshulp geworden, maar minder niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking: verenigingen die hun legitimiteit halen uit de steun van het publiek, die een politiek draagvlak hebben en op basis daarvan een interpellatiecapaciteit kunnen ontwikkelen tegenover de overheid.

Is precies die politieke interpellatiecapaciteit (naar Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel, Financiën,…) niet verzwakt de voorbije jaren ? Is ze niet verworden tot gesegmenteerd ‘lobbywerk’ van clubjes of zuiltjes, eerder dan dat ze gedragen wordt door een slagkrachtige derdewereldbeweging ? Is het een toeval dat we in samenwerkingsverbanden stappen met mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty of het Collectief tegen de Uitwijzingen, die (vooral aan Franstalige zijde) blijk geven van een belangrijke mobilisatiecapaciteit ? Wij zijn de laatsten om daar genoegen in te scheppen, want het is een aanwijzing dat we als derdewereldsector verzwakt zijn. Gelukkig is er nog Werk aan de Wereld, een gemeenschappelijke campagne onder de vleugels van het NCOS, die aantoont dat er nog potentieel aanwezig is en dat het NCOS er stilaan weer bovenop komt.

Ten slotte nog dit : ingeval er geen federale kaderwet komt, maar wel een splitsing van het ontwikkelingsbeleid, dan kunnen we bovendien binnen enkele maanden taalgrensoverschrijdende samenwerking tussen NGO’s op onze buik schrijven.

Ook dat zou politiek gezien een verzwakking betekenen.

De auteur is stafmedewerker van Oxfam-Solidariteit.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift