De explosieve patstelling in Kosovo

Kosovo is een regio in het zuiden van het voormalige Joegoslavië, ten oosten van Albanië en ten noorden van Macedonië (FYROM). Het is de inzet geworden van een zich voortslepend nationalistisch conflict tussen Serviërs en Albanezen. Momenteel bevindt de regio zich in een explosieve patstelling.
In dit artikel tonen wij aan hoe het politieke programma van het nationalisme de voorbije decennia functioneerde in het conflict tussen de Servische autoriteiten en de Albanese meerderheid in Kosovo. We schetsen de recente inter-Albanese discussies en geven aan op welke wijze de internationale gemeenschap poogt om bij te dragen tot een regeling van deelaspecten van het conflict.

Separatisme of bezetting?


In 1989 schafte de Servische president Milosevic de autonomie van Kosovo binnen de republiek Servië en de Joegoslavische federatie op gewelddadige wijze af. Sindsdien gaat de regio gebukt onder zware repressie en mensenrechtenschendingen. Als reactie hierop organiseerde de Albanese beweging in Kosovo een parallelle maatschappij (zie verder). Deze kreeg ook een politieke vertaling. In 1992 werden Kosovaarse parlements- en presidentsverkiezingen gehouden. De Albanezen kozen de schrijver Ibrahim Rugova tot hun ‘president’. Een referendum bekrachtigde de beoogde onafhankelijkheid van Kosovo.

Voor de Servische autoriteiten is de onafhankelijkheid van Kosovo onaanvaardbaar. Ze willen pas over een regeling van diverse geschilpunten praten indien vooraf duidelijk is dat Kosovo deel van Servië blijft uitmaken. Hét sleutelwoord m.b.t. Kosovo is volgens hen ‘separatisme’, de wil om zich af te scheuren van Servië. Voor de Albanezen is hét sleutelwoord m.b.t. Kosovo ‘bezetting’. De afschaffing van de autonomie in 1989 en de brutale schendingen van de mensenrechten voeren hen steeds opnieuw tot de conclusie dat ze van die vreemde mogendheid af moeten. Ze voelen zich in een proces van dekolonisering.

De huidige, haast onoverbrugbare conceptuele tegenstellingen tussen beide groepen gaan terug op één van de basisuitgangspunten van het Joegoslavië zoals het na de Tweede Wereldoorlog tot stand kwam.

De Albanezen van Kosovo: natie of minderheid?


Het vroegere Joegoslavië was één van de meest heterogene landen in Centraal-Europa. Het was een multinationale federatie van acht entiteiten: zes republieken en twee provincies, nl. Kosovo en Voijvodina.

Het officiële Joegoslavische discours verantwoordde het onderscheid tussen ‘republieken’ en ‘provincies’ als volgt. Een ‘republiek’ is de staatkundige entiteit waar de dominante bevolkingsgroep haar ‘thuisland’ had binnen de Joegoslavische federatie, nl. in Kroatië, Slovenië, Servië, Montenegro, Macedonië en Bosnië-Herzegovina. De dominante bevolkingsgroep werd beschouwd als ‘natie’ die aanspraak op zelfbeschikkingsrecht kon maken. Een ‘provincie’ is de staatkundige entiteit waarbij de bevolkingsgroep haar ‘thuisland’ buiten Joegoslavië had. De Albanezen van Kosovo en de Hongaren in Voijvodina werden aldus als ‘minderheid’ zonder recht op zelfbeschikking beschouwd. De Albanezen verzetten zich met klem tegen de benaming ‘minderheid’, en benadrukken dat ze binnen Kosovo de ‘meerderheid’ van 70 % tot 90 % uitmaken.

De grenzen tussen de republieken en provincies waren tot het midden van de jaren vijftig niet veel meer dan administratieve onderscheidingen. Deze ‘versnippering’ over acht eenheden werd in de beginperiode ruim gecompenseerd door de uniformiserende positie van de Communistische Partij. In feite kwam alle macht van de partij die strak regeerde vanuit het centrum in Belgrado.

De eerste naoorlogse grondwet van 1946 garandeerde in principe het recht van de nationale minderheden op een eigen culturele ontwikkeling en het recht op het gebruik van de eigen taal. Tijdens de beginperiode bleven deze rechten dode letter. Tot 1966 ging Kosovo gebukt onder het terreurregime van Rankovic, de gevreesde chef van de Joegoslavische staatsveiligheid. Het ontslag van Rankovic in 1966 betekende een keerpunt voor de positie van de Albanezen in Kosovo. De Albanezen drongen aan op grotere autonomie binnen de federatie. Steeds pertinenter werd de vraag gesteld: ‘Waarom hebben 370.000 Montenegrijnen hun eigen republiek, terwijl 1,2 miljoen Albanezen zelfs niet eens volledige autonomie bezitten?’ Hiermee werd geraakt aan de achillespees van het Joegoslavische federale systeem.

In november 1969 kreeg de Kosovaarse hoofdstad Prishtina een eigen Albanese universtiteit. In de economische, culturele, politieke en administratieve domeinen van het maatschappelijk leven konden de Albanezen tijdens de daaropvolgende jaren steeds talrijker en steeds hoger opklimmen. Op het einde van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig merken we een duidelijke heropleving van het Albanese nationaal bewustzijn. Deze veranderende zelfperceptie werkte als katalysator voor de Albanese aversie voor de Servische nationalistische aanspraken op Kosovo.

De Joegoslavische grondwet van 1974


De grondwet van 1974 hertekende de verhoudingen tussen de verschillende delen van de federatie. Tien jaar later zal ze de steen des aanstoots vormen voor de Servische nationalisten. De grondwet had volgende kenmerken:

1. Het principe van niet-discriminatie. Dit hield o.a. in dat de rechten en vrijheden van burgers slechts ingeperkt konden worden door het toekennen van dezelfde rechten aan andere medeburgers.

2. Het recht op een eigen nationaliteit en individualiteit, vertaald in de bepalingen over de ontplooiing van de eigen taal en cultuur.

3. De gelijkwaardigheid van de talen, in het bijzonder in de openbare diensten en het onderwijs, bv. het recht op onderwijs in de moedertaal.

4. Het streven naar economische gelijkheid, geconcretiseerd in de financiering van ontwikkelingsfondsen voor de minder ontwikkelde gebieden.

5. Gelijkwaardigheid in de maatschappelijke en politieke participatie en in het bestuur van het land.

Deze grondwet versterkte de autonomie van Kosovo. De provincie kon zich een ‘constituerend element’ in de Joegoslavische federatie noemen. Een regio binnen een republiek kreeg op het federale niveau een autonome stem, los van die republiek. Sinds de grondwet van 1974 hadden de provincies de facto dezelfde rechten en verantwoordelijkheden als de republieken.

Het gelijk gebruik van de Albanese, Servo-Kroatische en Turkse talen binnen Kosovo werd erkend. Nationale symbolen, zoals de Albanese vlag, werden toegelaten. Kosovo had zijn eigen partijorganisatie, Nationale Vergadering, grondwet, hooggerechtshof, politiekorps, universiteit, Academie voor Kunst en Wetenschappen, bank, enz. In het collectieve leiderschap dat na de dood van Tito ingesteld werd, hadden ook de autonome provincies een plaats. In 1986 werd de Albanees Sinan Hasani zoals voorzien president van Joegoslavië.

Een economische tijdbom in Kosovo


De Joegoslavische communistische leider Tito ontwikkelde een eigen maatschappelijk systeem, nl. economisch zelfbeheer. De centrale planning moest vervangen worden door een gedecentraliseerde markteconomie.

De enorme economische problemen waarmee Kosovo bij het begin van de jaren tachtig in toenemende mate geconfronteerd werd, maken het groeiend Albanees nationalisme voor ons verstaanbaarder. Of deze problemen binnen een republiek - de eis in 1981 - gemakkelijker een oplossing zouden vinden, is echter hoogst twijfelachtig.

Het nationaal inkomen van Kosovo was sinds de Tweede Wereldoorlog verviervoudigd, de industriële productie was twintig keer groter geworden, maar het gemiddeld jaarlijks inkomen per hoofd bedroeg in 1979 slechts 795 dollar, tegenover 2.635 dollar als Joegoslavisch gemiddelde. In 1980 was 25 % van de actieve bevolking werkloos en 75 % van de werklozen was jonger dan 25 jaar.

Balkankenner Mon Detrez wijt de armoede van de Albanezen echter niet aan intentionele discriminatie of exploitatie door de Serviërs. Fundamenteel is de noord-zuid tegenstelling die ook in verschillende andere Zuid-Europese landen voorkomt. Zo verliep ook in andere zuidelijke republieken en in het zuiden van Servië de economische groei trager dan bv. in het meer noordelijk gelegen Slovenië of Kroatië.

Duidelijk is dat de Albanezen in Kosovo niet alleen ontevreden waren over hun constitutionele rechten, maar dat ze zich ook zwaar teleurgesteld voelden over hun economische situatie in het Joegoslavische staatsverband. En er was geen onmiddellijk uitzicht op verbetering.

Onrust in Kosovo in 1981: een keerpunt


In 1981 braken op grote schaal rellen uit in Kosovo. Er werd hard tegen de manifestanten opgetreden. Er vielen doden en naderhand werden binnen de Kosovaarse Communistische Partij grote ‘zuiveringen’ doorgevoerd.

De eis ‘Kosovo-republiek’ was niet van de lucht. De rellen en de onderdrukking ervan maakten op een abrupte manier duidelijk dat het compromis om Kosovo een de facto positie van republiek te geven en tot een federale constituerende eenheid te maken, niet had gewerkt. Men kan stellen dat de desintegratie van Joegoslavië begonnen is in Kosovo, toen de Albanese gemeenschap in 1981 eiste dat het autonome gebied Kosovo van Servië losgemaakt werd en de status van republiek kreeg.

Belgrado verzette zich met klem tegen een ‘opwaardering’ van de status van Kosovo, vanuit de vaste overtuiging dat de Albanezen separatisme wilden. Als republieken en provincies de facto gelijk zijn, en als republieken maar niet provincies zelfbeschikkingsrecht en recht op afscheiding hebben, is de Albanese vraag voor de republikeinse status dan in feite geen vraag voor afscheiding? Ten tweede speelde de vrees voor de desintegratie van het land.
Als Kosovo republiek zou worden, willen waarschijnlijk de Albanezen in Macedonië en Montenegro zich bij de republiek aansluiten (en samen aansluiting zoeken bij Albanië). Bovendien zou Servië niet alleen een achtste van zijn grondgebied verliezen, maar ook de lood- en zinkmijnen van Trepca die van strategisch belang zijn voor Servië en voor heel Joegoslavië. Ten slotte is er het emotionele argument dat in Kosovo de wieg van de Servische natie staat, in de vorm van talrijke Servisch-orthodoxe kerken en heiligdommen. Dat gebied wil Servië onder geen beding afstaan.

De Albanezen voerden hun argumenten aan, waarvan het sterkste het kwantitatieve is. Als de Montenegrijnen, die in aantal kleiner zijn dan de Albanezen in Kosovo, een republiek hebben, waarom dan de Albanezen niet? Ten tweede leefde de overtuiging heel sterk dat niets minder dan een republiek de garantie biedt voor gelijkheid met de andere volkeren in Joegoslavië. Vanuit bv. de herinnering aan de onderdrukking onder Rankovic willen ze niet meer afhankelijk zijn van Servië, ook al was dit alleen formeel. Ten derde wou men garanderen dat een republiek Kosovo zich niet zal aansluiten bij Albanië. Maar in 1981 was het wantrouwen reeds zo diep dat geen van beide partijen de redelijkheid van sommige argumenten van de tegenpartij in overweging kon nemen. De geschetste argumenten zijn tot op vandaag voor de Kosovaarse leiders de argumenten om een ‘terugkeer’ van Kosovo binnen Servië of Joegoslavië af te wijzen.

Milosevic en de Servische minderheid in Kosovo


De Servische reactie op de gebeurtenissen in Kosovo in 1981 was heftig. Onder Servische intellectuelen ontwikkelde zich een uitgesproken pro-Servisch nationalisme, uitgeschreven in het Memorandum van 1986. Na publicatie werd het Memorandum door de toenmalige leiding van de Communistische Partij veroordeeld als een schadelijk en nationalistisch document. Nadat Milosevic in 1987 aan de macht kwam in Servië voltrok zich een radicale koerswijziging en werd het document uitgangspunt voor de officiële Servische politiek. Het document spreekt over de verhouding van de republiek Servië tot de andere republieken, én over de kwestie Kosovo, meer bepaald over de ‘genocide’ die op Serviërs in Kosovo zou worden gepleegd door de Albanese leiding van de provincie.

De migratie van Serviërs uit Kosovo, meestal omwille van de slechte economische situatie in Kosovo, werd in de Servische media bron van een collectieve hysterie, aangevuurd door politici en intellectuelen uit kringen rond Milosevic.

De meeste emoties wekten de verhalen over de ‘politieke verkrachtingen’ van Servische en Montenegrijnse vrouwen en meisjes door Albanezen. In de pers werden Albanese mannen unaniem gestigmatiseerd als verkrachters van Servische vrouwen. Verkrachting werd niet voorgesteld als een vernedering van een individuele vrouw, maar als de vernedering van een natie door een andere natie en de vernedering tussen naties gold als een ergere misdaad dan geweld tussen individuen.

De Albanezen hadden een bijzonder hoog geboortecijfer, wat de demografische verhouding tussen Serviërs en Albanezen verder in het voordeel van de Albanezen wijzigde. Het geboortecijfer was meer een kwestie van industrialisering, modernisering, sociale emancipatie van de vrouwen, en de nood aan kinderen als sociale garantie voor ouder wordende ouders. De Serviërs zagen in de demografische evolutie in het midden van de jaren tachtig evenwel een Albanees complot en een project van etnische homogenisatie.

Tegen deze achtergrond slaagde Milosevic erin om de macht te veroveren binnen de Servische communistische partij. Hij voerde grootscheepse zuiveringen door binnen het Servische partij- en staatsapparaat. In solidariteit met de Serviërs en Montenegrijnen van Kosovo werden massale optochten georganiseerd als katalysator in het proces van nationale homogenisatie. Ze droegen als boodschap: de Servische natie is gefragmentariseerd omdat de Servische staat is ‘opgedeeld’ in drie delen: Kosovo, Voijvodina en Centraal-Servië. Die fragmentarisering moest ongedaan gemaakt worden. Milosevic-getrouwen namen de macht over in Voijvodina en Montenegro. De volgende etappe was Kosovo.

Milosevic schaft de autonomie van Kosovo af


De ‘herovering’ van Kosovo door Servië gebeurde op verschillende manieren: zuiveringen in het partijapparaat, algemeen verbod op publieke manifestaties, perscontrole, gedeeltelijke mobilisatie van het Joegoslavische federale leger, arrestatie van vermeende leiders van relletjes en betogingen, politierepressie en grondwetswijzigingen.

De grondwetswijzigingen die Milosevic wou doorvoeren, stelden Servië in staat controle uit te oefenen op het beleid inzake buitenlandse zaken, defensie, rechtspraak, sociale en financiële planning van de autonome provincies. De Servische leiders benadrukten dat deze amendementen bedoeld waren om de situatie in Kosovo te stabiliseren. Voor de Albanezen was dit een duidelijke ontkenning van hun autonomie.
De wijziging van de grondwet van de republiek, op 23 februari 1989 aangenomen door het parlement in Belgrado, kreeg, volgens de Serviërs, de instemming van het parlement in Prishtina op 28 maart 1989. Volgens de Albanezen stond het parlement van Kosovo onder enorme druk: ofwel werd de nieuwe grondwet aangenomen, ofwel werd Kosovo onder militair bestuur geplaatst. Volgens de Albanezen werd de stemming afgedwongen, stemden ook niet-parlementsleden mee en werden de stemmen zelfs niet geteld.

Het protest tegen de uitholling van de status van Kosovo werd hard onderdrukt. Naargelang van de bron vielen er 29 tot 200 doden. Er werden massaal arrestaties verricht. Berichten over martelingen en terechtstellingen waren wijd verspreid.

In maart 1990 nam het Servische parlement het ‘Programme for the Establishment of Peace; Liberty, Equality, Democracy and Prosperity in the Autonomous Province of Kosovo’ aan. Ondanks de goedogende titel heeft dit programma de legale basis gelegd voor de vervanging van Albanezen door Serviërs in het openbare leven.

De feitelijke annexatie van Kosovo door Servië betekende een drastische wijziging van de machtsverhoudingen in de Joegoslavische federatie. Het Federale Presidium bestond uit acht leden, één per republiek of autonome provincie. Met de stemmen van Voijvodina, Kosovo en Montenegro kon Milosevic een meerderheidsbeslissing waartegen hij gekant was, blokkeren. Vanaf nu boden de bestaande instituties Servië de mogelijkheid een overwicht in Joegoslavië te verkrijgen.

Aan dit scenario van Servische dominantie in Joegoslavië kwam een einde in januari 1990 toen de Joegoslavische Communisten Bond ophield te bestaan. De delegaties van Kroatië en Slovenië verlieten het veertiende Buitengewoon Congres. Administratieve grenzen tussen republieken werden staatsgrenzen. Als een Servisch gedomineerd Joegoslavië niet kon, dan bleef voor Milosevic alleen de optie van een groot-Servië over.

Door het wegvallen van de Joegoslavische context kreeg de eis Kosovo-republiek een andere betekenis. Zonder een Sloveens en Kroatisch tegenwicht in een Joegoslavische (con)federatie waren de Albanezen niet bereid om alleen in een (con)federatie met Servië en Montenegro te stappen. De minimumeis van de Albanezen werd nu het verwerven van een onafhankelijke staat.

Dit onafhankelijke Kosovo zou, volgens de Kosovaarse leider Rugova, een open verbinding tussen Servië en Albanië moeten vormen, met open grenzen (zonder visa). Het zou een gedemilitariseerde regio zijn waarin alleen de politie over wapens beschikt. Men stelt een speciaal ‘extra-territoriaal’ statuut voor om de historische Servische monumenten en kerken te beschermen. Aan de Serviërs van Kosovo zou men een aantal zetels in het parlement toekennen dat hoger ligt dan hun percentage in de totale bevolking van Kosovo.

Mensenrechtenschendingen en rechteloosheid


Om hun gezag in Kosovo overeind te houden en om de implementatie van het onafhankelijke Kosovo tegen te houden, vestigden de Servische autoriteiten in Kosovo een maatschappij die gekarakteriseerd is door mensenrechtenschendingen en rechteloosheid.

Het massale ontslag van Albanezen en hun vervanging door Serviërs en Montenegrijnen steunt op het eerder genoemde ‘Programme for the Establishment of Peace, Liberty, …’ van maart 1990. Op 26 juli 1990 namen de Servische autoriteiten een ‘Law on Labor Relations in Special Circumstances’ aan, die de directies van fabrieken het recht verschaft ‘disciplinaire maatregelen’ tegen hun arbeiders te nemen.
De wet rechtvaardigt ontslag van Albanezen op basis van etniciteit, politieke overtuiging of activiteiten (vb. deelname aan vreedzame manifestaties en stakingen), lidmaatschap van onafhankelijke vakbonden, zogenaamde niet-loyauteit aan de Servische autoriteiten of het spreken van de Albanese taal op het werk. Arbeiders die weigerden een document te ondertekenen waarin ze verklaren de Servische controle en de ‘uitzonderingsmaatregelen’ te aanvaarden, werden ontslagen. Volgens het Kosovo Helsinki Comité werd meer dan 70 % van de werkende bevolking op basis van deze wet ontslagen.

Er vond een ingrijpend proces van wijziging van eigendommen plaats. Het Fonds voor de Ontwikkeling van Servië heeft de eigendomsrechten van meer dan 100 bedrijven in Kosovo overgenomen. Belangrijke economische schakels werden eigendom van firma’s buiten Kosovo. Aldus werd de technologische en economische capaciteit van Kosovo uitgehold.

Het gezondheidssysteem in Kosovo kwam sinds juli 1990 onder Servisch ‘uitzonderingsbestuur’ te staan. Medisch personeel werd op massale schaal ontslagen. De International Helsinki Federation kwam tot de conclusie dat de enige reden voor deze ontslagen etno-politiek is en niets te maken heeft met de bekwaamheid of betrouwbaarheid van de Albanese dokters en het verplegend personeel. De medische situatie is sindsdien drastisch verslechterd, ook ten gevolge van de armoede en werkloosheid. Het aantal geboortes met complicaties neemt toe.

De discussie rond het schoolsysteem neemt een primaire plaats in bij de spanningen tussen Albanezen en Serviërs. Voor de Servische autoriteiten was de opvoeding op school de eerste oorzaak van het Albanese ‘secessionisme’. In augustus 1990 besliste het Servische parlement een nieuw leerplan in alle delen van de republiek, Kosovo inbegrepen, door te voeren. Het nieuwe leerplan verving het Albanese dat gebaseerd was op de Joegoslavische grondwet van 1974. In het nieuwe leerplan lag grote nadruk op de Servische geschiedenis en cultuur.
Alleen in uitzonderlijke gevallen en na toestemming van het Ministerie van Onderwijs zou onderricht in de Albanese taal toegestaan kunnen worden. Duizenden leerkrachten en medewerkers van de universiteit die zich hiermee niet akkoord konden verklaren, werden ontslagen. In reactie hierop organiseren de Albanezen hun eigen parallel onderwijsnet waarin ontslagen leerkrachten op vrijwillige basis onderwijs verschaffen in privé-woningen. In 1992 en 1993 werden binnen het kader van de London Peace Conference on the Former Yugoslavia en onder bemiddeling van Cyrus Vance en Lord Owen onderhandelingen gevoerd over het onderwijsvraagstuk, evenwel zonder resultaat.
De sleutelvraag blijft: wie is geautoriseerd om het leerplan voor Albanees onderricht goed te keuren? De Serviërs blijven erbij dat zij het recht hebben een eigen onderwijspolitiek over het ganse grondgebied te voeren. De Albanese delegatie drong tijdens de onderhandelingen aan op een terugkeer naar de situatie van vóór 1990 wanneer zij in staat waren onafhankelijk beslissingen te nemen over het onderricht in de Albanese scholen. Ook vandaag gaat de repressie door tegen wie het Servische leerprogramma afwijst of aan het parallelle onderwijssysteem deelneemt.

De onafhankelijkheid van de rechtspraak is ver te zoeken in Kosovo. Albanese rechters werden vervangen door Serviërs. De voertaal tijdens processen is meestal Servisch. Verslagen worden opgesteld in het cyrillische schrift. De gedagvaarden worden meestal veroordeeld op basis van ‘bekentenissen’ die ze onder dwang van foltering hebben afgelegd. Naast de martelingen en de wrede en onmenselijke behandeling tijdens de detentie, die een schending van internationale mensenrechtenverdragen zijn, worden processen tegen Albanezen en andere politieke en etnische minderheden gekenmerkt door bijkomende schendingen van de rechten van de beklaagde: van het recht op vrije toegang en vrije consultatie van een advocaat tot het recht gehoord te worden door een onafhankelijke rechtbank zonder onredelijke vertraging.

De politie is één van de belangrijkste steunpilaren van het Servische beleid. Amnesty International schrijft in haar intussen talrijk geworden rapporten over Kosovo dat er ontelbare getuigenissen zijn over politieagenten die personen slaan in de context van huiszoekingen naar wapens. Elke Albanees - inbegrepen vrouwen en kinderen - is een potentieel slachtoffer. Groepen als journalisten, politieke en mensenrechtenactivisten en vroegere leden van het Albanese politiekorps worden bijzonder geviseerd.
Een beproefde vorm van psychologische kwelling bestaat erin personen op te roepen voor zgn. ‘informatieve gesprekken’ op het politiebureau. In heel wat gevallen leken politiefunctionarissen enkel gemotiveerd door een verlangen te intimideren en te vernederen. Slachtoffers verklaren dat zij van de gruwelijkste en racistisch gemotiveerde geweldplegingen ondergingen. Voor zover bekend werd tijdens de voorbije jaren niemand die verantwoordelijk is voor deze daden gestraft. Dit doet vermoeden dat politiegeweld onderdeel uitmaakt van het beleid. Het Joegoslavische leger neemt deel aan de voortdurende bedreigingen tegen burgers. Vele mensen werden mishandeld en gedood door militairen.

De bewapening van Servische en Montenegrijnse burgers is eveneens een belangrijke factor in het conflict. Volgens gegevens van Helsinki Watch en International Confederation of Free Trade Unions worden sinds juni 1991, door het leger of door Servische paramilitaire groepen met medeweten of steun van de autoriteiten, wapens verspreid onder de burgerbevolking. De Servische minderheid in Kosovo tracht zich ook politiek te verdedigen tegen een mogelijke ‘uitverkoop’ van Kosovo aan de Albanezen.
De anti-Albanese politieke krachten in Kosovo die tijdens de jaren tachtig Milosevic aan de macht brachten, richtten de zgn. Servische Weerstandsbeweging op. Deze beweging verwijt Milosevic dat hij niet krachtig genoeg optreedt tegen het Albanese secessionisme. Ze vraagt dat de Albanese politieke leiders hard aangepakt worden, Albanezen massaal het land uitgedreven worden en Kosovo nog sterker geserviseerd wordt. De beweging staat onder leiding van Momcilo Traikovic, voormalig gouverneur van Kosovo in 1989-1990.

De Servische overheid poogt de etnische samenstelling van Kosovo te wijzigen. Gewelddadige uitdrijvingen uit woningen en appartementen of van grond waarop men verblijft, volgen op de ontslagen. De opzet om de door zuiveringen vrijgekomen arbeidsplaatsen en woningen te geven aan Serviërs en Montenegrijnen uit Kroatië en Bosnië om aldus een ‘etnische balans’ in Kosovo te creëren, lijkt te mislukken. Er zijn weinig kandidaten, en zij die toch in Kosovo gestationeerd worden, trachten te vertrekken.

Een parallelle samenleving


In antwoord op de gewelddadige ontmanteling van de Kosovaarse autonomie, bouwden de Albanezen een eigen politiek gezag en eigen instituties uit. Op 7 september 1990 kwam twee derde van de Kosovaarse volksvertegenwoordiging in het geheim samen in de stad Kacanik en nam een grondwetsverklaring aan waardoor Kosovo zich de status van republiek binnen de Joegoslavische federatie toekende. Een jaar later, van 26 tot 30 september 1991 organiseerden de Albanezen een ondergronds referendum waarbij de grondwet door de bevolking werd aangenomen.
Op 19 oktober kwam de volksvertegenwoordiging terug samen en verklaarde Kosovo ‘een soevereine en onafhankelijke staat’. In mei 1992 hielden de Albanezen parlements- en presidentsverkiezingen. De schrijver Ibrahim Rugova werd verkozen tot ‘president’ van het ‘onafhankelijk’ Kosovo. Door zijn volgehouden campagne van geweldloze weerbaarheid tegen de Servische onderdrukking wordt hem dikwijls de titel ‘de Mahatma Gandhi van de Balkan’ gegeven.

De systematische ontslagen veroorzaakten massale werkloosheid onder de Albanese bevolking. Omdat van werkloosheidsvergoeding geen sprake is, moet men een beroep doen op private solidariteit. Armoede en ziektes nemen toe onder de Albanese bevolking. De Moeder Theresa-organisatie, opgericht in 1990, verspreidt voedsel, geneesmiddelen en medisch materiaal. Het vervoer en de levering van de humanitaire hulp verlopen dikwijls bijzonder moeizaam, omdat de vervoerde goederen geregeld in beslag genomen worden door de autoriteiten. Hoewel de organisatie katholiek is, helpt ze iedereen, welke ook hun religieuze overtuiging is. Ook Servisch-orthodoxe families in moeilijkheden ontvangen hulp.

Het Albanese wantrouwen tegen de officiële ziekenhuizen die door de Serviërs zijn overgenomen, leidde tot een Albanees netwerk van ‘poliklinieken’ die door ontslagen medici werden opgezet. Deze klinieken voorzien enkel in de medische basisbehoeften. Tekort of afwezigheid van geneesmiddelen en medische apparatuur bemoeilijken de werking aanzienlijk. Dokters en personeel worden soms mishandeld.

Toen de scholen gesloten bleven voor de Albanese kinderen en jongeren bij het begin van het schooljaar 1991-1992, begon de Albanese bevolking een eigen scholennet uit te bouwen. In privé-huizen, restaurants, garages en kerken wordt, zo goed en zo kwaad als het kan, onderricht gegeven. Sindsdien volgt meer dan twee derde van de Albanese jeugd onderwijs in de Albanese taal, volgens een leerplan opgesteld door het parallelle Ministerie van Onderwijs van de ‘Republiek Kosovo’ en gebaseerd op het vroegere Joegoslavische leerplan. Tekort aan schoolmateriaal en de gebrekkige infrastructuur bemoeilijken evenwel het werk.

Elkaar wegdenken


Aldus bouwen de Albanezen hun eigen maatschappij uit, los van de Servische autoriteiten die ze beschouwen als een vreemde mogendheid, een bezetter. Basis van de strategie van de Albanese leiding is de politieke optie geen geweld te gebruiken of te propageren in het bestrijden van de Servische tegenstander. Deze geweldloosheid is ingegeven door de vrees voor een bloedbad en wil alle vormen van publieke confrontaties en risicovolle publieke manifestaties reduceren of vermijden.
Maar de Albanezen hebben, net als de Serviërs en Montenegrijnen, een lange traditie van gewapende opstanden. Rugova verklaart de huidige geweldloosheid van de Albanezen dan ook in termen van geduld, eerder dan van principieel pacifisme. Een gewapende opstand zou zelfmoord betekenen. Kroatië en Bosnië-Herzegovina zijn voldoende afschrikwekkend.

De ondergrondse samenleving die de Albanezen hebben opgebouwd, biedt vele voordelen: 1. ze kan moeilijk worden onderdrukt; 2. ze biedt de garantie dat alle maatschappelijke voorzieningen in beginsel aanwezig zijn op de dag dat zelfbestuur mogelijk wordt; 3. ze wekt sympathie op bij de internationale gemeenschap; 4. ze vormt geen bedreiging zodat, wanneer oorlog uitbreekt, de buitenwereld ziet dat de Albanezen niet de aanstokers zijn; 5. ze werkt als een stabiliserende factor die de zenuwen van de zwakste partij, die uitermate op de proef worden gesteld, sterkt en voorkomt dat het conflict ontspoort.

Toch zijn er heel wat kritische bedenkingen te formuleren bij deze parallelle samenleving. Ze is de uitdrukking van de vooropgestelde onafhankelijke Republiek Kosovo. Deze is evenwel nog geen realiteit. Ondanks het feit dat deze ‘republiek’ over min of meer functionerende instellingen beschikt, mist ze datgene wat een staat tot een staat maakt: controle over een eigen territorium, internationale erkenning, een eigen munt, leger of politie, paspoorten, enz. De Republiek Kosovo bestaat eigenlijk alleen maar doordat de Albanezen collectief doen alsof.

Daar tegenover staat de Servische fictie: de overtuiging dat men Kosovo en zijn inwoners zomaar kan reïntegreren in de staat Servië. Servië controleert grondgebied en grenzen, maar zijn instellingen worden door de bevolking genegeerd. De Serviërs hebben niet méér vat op de Albanese bevolking dan wat ze met geweld kunnen afdwingen. Albanezen en Serviërs pogen elkaar in Kosovo ‘weg te denken’. Ze doen of elkaars politieke en sociale instituties niet bestaan.

De herhaaldelijke Albanese weigering deel te nemen aan het Servische politieke leven heeft te maken met de opvatting dat daarmee de onafhankelijkheid opgegeven wordt. Men neemt immers niet deel aan het politieke leven van een buurstaat, laat staan van een bezettingsmacht. Deze boycot van de voorbije zeven jaar heeft dramatische gevolgen. Om maar één voorbeeld te noemen. Een cruciale factor in het duel tussen uittredend Servisch president Milosevic en de gematigde Servisch-Amerikaanse zakenman Panic voor het presidentschap van Servië in 1992 waren de stemmen van de Albanezen van Kosovo, 12 % van het electoraat in Servië.
De internationale gemeenschap heeft toen enorme inspanningen gedaan om de Albanezen te overtuigen een bondgenootschap met Panic aan te gaan, om Milosevic weg te stemmen. De Albanezen bleven bij hun boycot en verzwakten daarmee de positie van Panic. Milosevic werd opnieuw president. De 30 zetels in het Servische en 10 zetels in het federale parlement die hen toekwamen, werden ingenomen door de groep van Arkan en door de Servische Radicale Partij van Seselj.
Dit gebeurde ook bij daaropvolgende verkiezingen. Daartegenover staat het feit dat in Kosovo wél op democratische wijze een eigen leiderschap op de voorgrond is getreden. Doordat aan Albanese kant geen ‘machtsvacuüm’ is ontstaan, konden de Albanese leiders met voldoende gezag pleiten om geen geweld te gebruiken. In die zin kunnen we de opbouw van een eigen Albanees politiek gezag ook positief evalueren.

Het parallelle onderwijsnet maakt dat, ondanks de uiterst moeilijke omstandigheden, het leerproces van een generatie jongeren op deze manier toch wordt voortgezet, in de eigen taal en met gemotiveerde leerkrachten en studenten. Misschien weegt de frustratie over de levensomstandigheden daardoor iets minder zwaar door en verkleint aldus de kans op gewelddadige uitbarstingen. Toch kunnen we ons vragen stellen als we zien dat dokters worden opgeleid die niet in een ziekenhuis komen, ingenieurs die geen bedrijf hebben gezien. De gespecialiseerde opleidingen kampen met ernstige moeilijkheden wegens het tekort aan basismateriaal, computers, laboratoria, enz. Ook de basis- en secundaire scholen kampen met een tekort aan pedagogisch materiaal.

Bijzonder zorgwekkend is de afwezigheid van effectieve communicatie tussen de twee partijen. Het contact tussen Serviërs en Albanezen heeft haast uitsluitend het karakter van het contact tussen onderdrukker en onderdrukte, bezetter en bezette. De scheiding betreft niet alleen het politieke domein. Gemengde vriendschappen tussen Serviërs en Albanezen worden uiterst zeldzaam. Dialooginitiatieven, niet enkel op politiek niveau, maar ook tussen bv. jongerengroepen, verlopen moeizaam.

Na de afschaffing van de autonomie van Kosovo wordt de samenleving er getekend door een systeem van apartheid, in de dubbele betekenis van het woord: een regime van repressie zoals dit in het vroegere Zuid-Afrika bestond én een gespleten samenleving waar twee groepen ‘apart’ leven, langs elkaar heen.

Demaçi versus Rugova


De relatief stabiele patsituatie tussen Serviërs en Albanezen werd in 1996 doorkruist door groeiende meningsverschillen binnen de Albanese beweging. Vooral het ontbreken van het uitzicht op internationale erkenning van de geclaimde onafhankelijkheid leidde tot openlijke meningsverschillen. Er tekenden zich twee politieke groepen af. Eén groep schaart zich rond Rugova en houdt onverkort vast aan de onafhankelijkheid van Kosovo. Inzake strategie opteert men verder voor het geweldloos verzet via de parallelle maatschappij, zonder enige provocaties met de politie uit te lokken.

Een andere politieke groep verzamelde zich rond Adem Demaçi, de toonaangevende mensenrechtenactivist die 27 jaar in de Joegoslavische gevangenis doorbracht en daardoor een hoog moreel aanzien geniet. Demaçi bepleit een andere strategie: protestacties en demonstraties tegen het Servische bewind. Hij wil dat Albanezen bedrijven blokkeren en schoolgebouwen en de universiteit innemen, ook als dat een Servische tegenreactie uitlokt. Alleen op die manier kan de Albanese beweging iets uit de brand slepen. Anders dreigen ze elk perspectief op een betere toekomst te verliezen. Ibrahim Rugova en de mensen rond hem zijn beducht voor de grotere repressie die dit soort acties kunnen uitlokken.

Demaçi bepleit een Balkan-confederatie, een samenwerkingsverband van onafhankelijke staten. Hij hoopt dat Servië, Montenegro en Kosovo op gelijke en vrijwillige basis tot zo’n confederatie kunnen toetreden. Dit zou de Serviërs de garantie bieden dat ze niets te vrezen hebben van een onafhankelijke republiek Kosovo. Hierdoor zouden tegelijk de internationale grenzen niet hertekend moeten worden, een punt waar de internationale gemeenschap sterk op aandringt. Rugova wijst deze idee van een Balkan-confederatie van de hand als ‘ouderwets’. Het vroegere Joegoslavië heeft bewezen dat het niet kan werken, aldus Rugova.

De meningsverschillen tussen beide Kosovaarse personaliteiten komen steeds nadrukkelijker naar buiten. Ze tonen in elk geval aan dat Rugova niet langer de onbetwiste Kosovaarse leider is. Midden november 1996 heeft Demaçi zich uitdrukkelijk kandidaat gesteld om Rugova op te volgen als ‘president’ van Kosovo bij de volgende parallelle Kosovaarse presidentsverkiezingen.

Het Kosovaars bevrijdingsleger


Een tweede politieke uitdaging van formaat aan het adres van Rugova zijn de gewelddadige aanslagen die in Kosovo plaatsgrijpen. In april 1996 werd een twintigjarige Albanese student in Prishtina door een Servische burger doodgeschoten. De dag na deze moord hadden binnen een periode van één uur vier aanslagen op vier verschillende locaties plaats.
Er werden vijf Serviërs gedood en vijf ernstig gewond. Op 16 en 17 juni 1996 grepen drie aanslagen plaats: één dode en twee zwaargewonden, allen Serviërs. Op 25 oktober werden twee Serviërs gedood. Ook in 1997 zijn talrijke aanslagen op politiekantoren uitgevoerd. De rector van de officiële Servische universiteit in Prishtina ontsnapte in januari 1997 ternauwernood aan de dood toen in hartje Prishtina een bomauto ontplofte.

De aanslagen werden opgeëist door het zgn. Kosovaars Bevrijdingsleger. De organisatie waarschuwde dat ‘de gewapende strijd van het Kosovaarse volk geen terrorisme is, noch een interetnisch of interreligieus conflict, maar een oorlog voor de bevrijding van Kosovo.’ Na elke aanslag stuurt de organisatie aan een van de kranten een fax waarin de verantwoordelijkheid van de aanslag wordt opgeëist. Toch is nog geen leider publiekelijk op de voorgrond getreden.

Het is tot nu toe onduidelijk wie achter het Kosovaars bevrijdingsleger zit. Het meest waarschijnlijk is dat het bestaat uit een groep Albanezen die een militaire organisatie hebben opgericht die onafhankelijk van de LDK opereert. Deze Albanezen zijn ontevreden over de politiek van Ibrahim Rugova, willen hem dwingen tot assertiever optreden en waarschuwen dat zijn beleid tot resultaten moet leiden.

Het onderwijsakkoord


Een belangrijk nieuw politiek feit was de verklaring die Rugova en Milosevic op 1 september 1996 ondertekenden. Beiden kwamen overeen dat de schoolgebouwen in Kosovo opnieuw opengesteld worden voor Albanezen. Een implementatiecommissie bestaande uit drie Serviërs en drie Albanezen (‘3+3’) zou de concrete modaliteiten van de implementatie van het akkoord uitwerken. Toen dit akkoord werd bekendgemaakt, was de euforie groot. Sommigen spraken van een doorbraak, het begin van een oplossing voor het sinds (tientallen) jaren aanslepende Servisch-Albanees conflict.

Momenteel lijkt het akkoord zo goed als dood, omdat nog geen enkel begin met de uitvoering werd gemaakt. Bovendien is nog onduidelijk welke gebouwen wél en welke niet worden opengesteld. Valt de universiteit onder het akkoord, of niet? Wie zal instaan voor financiering van het onderwijs? Cruciaal is of al deze discussiepunten moeten uitgeklaard zijn vooraleer de schoolgebouwen geopend worden. Veel van deze punten zijn immers verbonden met de toekomstige status van Kosovo en zijn bijgevolg momenteel uiterst moeilijk op te lossen. Mogelijk kan men de gebouwen openen terwijl de gesprekken nog bezig zijn.

De geloofwaardigheid van Rugova hangt af van de volledige en succesvolle uitvoering van het akkoord. Na diverse mislukte gespreksrondes van de ‘3+3’ implementatiecommissie, lijkt het geduld van de studenten van de universiteit van Prishtina op. Zij organiseerden op 1 en 29 oktober 1997 massale demonstraties in 6 steden van Kosovo voor de onvoorwaardelijke openstelling van de universiteitsgebouwen. Tijdens de manifestaties van 1 oktober greep de Servische politie bijzonder hardhandig in tegen de demonstranten. De studenten organiseren hun protest strikt geweldloos, én onafhankelijk van de ‘adviezen’ van Rugova en andere Albanese politici om de protesten uit te stellen wegens het gevaar van escalatie. Naast Demaçi profileerden de studenten zich als de tweede onafhankelijke politieke factor tegenover Rugova.

De internationale gemeenschap


De voorbije jaren hebben diverse internationale instanties zich ingelaten met de Kosovo-problematiek. Servische en Albanese politieke leiders hebben ook daarover een andere visie.

Voor de Servische regering is Kosovo een binnenlands vraagstuk. Serviërs en Albanezen moeten dit conflict onderling oplossen. De internationale gemeenschap kan pogen de Albanezen te overtuigen zich te integreren in Servië. Voor de Albanezen is ‘de derde partij’ het onderpand voor een mogelijk akkoord rond Kosovo. Een derde partij moet bemiddelen en moet garanderen dat de toekomstige onderhandelingen eerlijk verlopen. Als tussenstap naar onafhankelijkheid dringt Rugova aan op een internationaal burgerlijk bestuur over Kosovo.

Maar onafhankelijkheid voor Kosovo is voor de internationale gemeenschap uitgesloten. Ze wil geen wijziging van de grenzen op de Balkan uit vrees voor nog meer instabiliteit. Ze stuurt aan op een vorm van ruime autonomie binnen Joegoslavië en Servië.

Inzake de erkenning van de Federale Republiek Joegoslavië (het huidige Servië-Montenegro) als volwaardige staat zaten de VS en Europa begin 1996 op een verschillende golflengte. De Amerikanen gebruiken de erkenning als een drukkingsmiddel om op een verbetering van de mensenrechtensituatie in Kosovo aan te dringen. Voor de Europeanen was de erkenning van Belgrado een vehikel om de erkenning door Belgrado van de Republiek Macedonië te bekomen.

De Verenigde Staten zijn bijzonder actief in de regio. In juni 1996 openden ze een cultureel centrum in Prishtina. Dit is de eerste permanente, buitenlandse regeringsvertegenwoordiging in Kosovo sinds 1993. In dat jaar moest de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) de werkzaamheden van haar permanente waarnemingsmissies stopzetten, onder druk van de Servische regering.
Nu zijn er opnieuw regeringsinstanties op permanente basis in Prishtina. Het Amerikaans centrum staat in voor verspreiding van informatie over de VS, maar de facto vervult het een belangrijke functie van monitoring van de politieke en mensenrechtensituatie. Hoewel die onafhankelijkheid niet aan de orde is, willen de VS wel via kleine stappen de spanning in de regio verminderen, bv. de afschaffing van de exit-visa voor Albanië.

Op de vlucht


Een bijzonder gevoelig punt is het lot van de Albanese asielzoekers die in West-Europa verblijven. De noodzaak tot erkenning als politiek vluchteling wordt niet in alle Europese landen gelijk ingeschat. Duitsland bv. sloot een akkoord met Milosevic om de repatriëring van meer dan 120.000 Kosovo-Albanezen mogelijk te maken. Ook België is de onderhandelingen met Belgrado over de terugkeer van afgewezen asielzoekers begonnen.

Die terugkeer zal niet alleen praktische problemen geven in Kosovo zelf. De asielzoekers stuurden regelmatig geld naar de dikwijls werkloze of verarmde familieleden in Kosovo. Een terugkeer zal tot grotere verpaupering leiden. Het terugsturen van asielzoekers is bovenal ook een politieke opdoffer van formaat voor de Albanese beweging. Het is een ondergraving van hun thesis dat de mensenrechtenschendingen een uiting zijn van politieke vervolging.

De Servische autoriteiten anticiperen op deze toename van de Albanese bevolking in Kosovo door sinds enkele maanden op een gulle manier internationale paspoorten aan Albanezen toe te kennen. De voorwaarde die tot nu toe gold om een paspoort te kunnen krijgen, namelijk dat men zijn legerdienst heeft vervuld, schijnt niet meer van toepassing. Het uitreiken van de paspoorten zal waarschijnlijk als effect hebben dat Albanese jongeren nog sterker dan voorheen Kosovo verlaten en naar West-Europa vluchten. Een dubbele stroom verplaatsingen komt op gang: Albanese asielzoekers worden vanuit Duitsland teruggestuurd en andere Albanezen verlaten Kosovo.

De tijd dringt


De tijd om een oplossing voor Kosovo te vinden, dringt, in de eerste plaats voor Milosevic. De kosten van de repressie vallen voor de Servische regering uitermate hoog uit. Het is zeer de vraag hoelang het land dit alles kan blijven bekostigen, gezien de dramatische economische situatie. Bovendien zal Milosevic geen enkele lening van IMF of Wereldbank ontvangen zolang er geen ‘substantiële vooruitgang’ inzake Kosovo is. Dat hebben Westerse diplomaten in duidelijke bewoordingen te kennen gegeven. Samen met het uitblijven van lidmaatschap van internationale organisaties behoort de weigering van financiële kredieten, zolang er geen ‘substantiële vooruitgang’ inzake Kosovo is, tot de ‘outer wall of sanctions’, zoals het in het diplomatiek jargon wordt genoemd.

Ook voor Rugova dringt de tijd. Het is onduidelijk hoelang de parallelle samenleving nog kan instaan voor een aantal basisvoorzieningen voor de bevolking. Rugova staat onder groeiende druk binnen zijn partij, de LDK, om vormen van actiever verzet te steunen en grotere interne democratie tot stand te brengen. Zijn ‘regering in ballingschap’, die te Bonn verblijft, weigerde reeds twee keer financiële middelen door te sturen naar de LDK in Prishtina. Daardoor werd de werking van de LDK en van Rugova zelf zwaar gehypothekeerd: de telefoon van de ‘president’ van Kosovo werd afgesneden omdat de telefoonrekening niet betaald kon worden.

Adem Demaçi wordt een politieke uitdaging bij de volgende verkiezingen. De studentenbond van Kosovo ontwikkelt een eigen politieke koers. De operaties van het Kosovo Bevrijdingsleger kunnen leiden tot een Noord-Iers of Baskisch guerrillaklimaat.

De rol van het nationalisme


Bij wijze van besluit wijzen we op de rol van het nationalisme in dit conflict. Het nationalisme waarmee we in ex-Joegoslavië te maken hebben, kunnen we definiëren als het politieke programma dat stelt dat natie en staat moeten samen vallen. Nationalisme gebruiken we hier in de betekenis dat elk volk recht heeft op een eigen staat én dat het ganse volk pas in een eigen staat zijn ware bestemming kan vinden. Dit is de kern van de ideologie van de huidige Servische leiders rond Milosevic, die streven naar een nationale staat voor het ganse volk en waarin enkel het eigen volk het voor het zeggen heeft.

Dit type van nationalisme toont zich in een proces van externe exclusiviteit (uitsluiten van andere bevolkingsgroepen) en interne homogeniteit (onderdrukken van de verschillende opvattingen binnen het eigen volk). Mon Detrez verdedigt in dit verband de stelling dat in het voormalige Joegoslavië de etnische spanningen niet zozeer zijn geëscaleerd ten gevolge van een slechte organisatie van de multinationale staat, als wel van het streven van diverse volkeren naar nationale etnisch-homogene staten.

De middelen die beide partijen in het Kosovo-conflict inzetten om de doelstelling van hun nationale staat te realiseren, zijn evenwel fundamenteel verschillend. De Servische autoriteiten installeerden een hard politieregime. De Albanese beweging kiest, tot nu toe althans, voor een geweldloze strijd om de geclaimde onafhankelijkheid te realiseren.

Verdere informatie


Pax Christi Vlaanderen, Italiëlei 98 a, 2000 Antwerpen, tel.: 03/225.10.00 ; fax.: 03/225.07.99.

Beknopte bibliografie


- BOGAARD, G., ‘Albanees verlangen tergt Servische macht’, in: Oost-Europa verkenningen, Nr. 113, februari 1991, 42 - 50.

- DETREZ, R., De Balkan. Van burenruzie tot burgeroorlog, Antwerpen-Baarn, Hadewijch, 1992, 256 p.

- DETREZ, R., Albanezen en Serviërs in Kosovo. Droom en illusie, in: Internationale Spectator, juni 1994, p. 296-300.

- DE VRIEZE, F., Kruitvat Kosovo: het Albanees-Servisch conflict, in: De Gids op Maatschappelijk Gebied, februari 1995, p. 145-170.

- DE VRIEZE, F., De onzekere toekomst van Kosovo, in: Oost-Europa Verkenningen, december 1996, p. 104-111.

- DE VRIEZE, F., Kosovo: Explosive and Stable, in: Helsinki Monitor, No. 2, 1995, p. 43-51.

- GREMAUX, R., ‘De slag van Kosovo. 1389-1989. Historische mythologie en Servisch nationalisme’, in: Spiegel Historiael, mei 1990, p. 226-233.

- MAGAS, B., The Destruction of Yugoslavia. Tracking the Break-up. 1980-1992, London, Verso, 1993, 366 p.

- STALLAERTS, R., Afscheid van Joegoslavië. Achtergronden van de crisis, Leuven-Apeldoorn, Garant, 1992.

- THOMPSON, M., A Paper House, London, Hutchinson Rad ius, 1992, 251 p.

De auteur studeerde Politieke en Sociale Wetenschappen en Internationale Betrekkingen aan de UIA en is nu stafmedewerker van Pax Christi Vlaanderen. Hij volgt de evoluties in Kosovo en Servië op de voet.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3093   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift