De glokale gemeente

2006 wordt het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen. MO* organiseerde alvast een rondvraag naar het belang dat lokale overheden hechten aan mondiale thema’s. Steden en gemeenten worden immers belangrijke spelers in de geglobaliseerde wereld. Ze spenderen ook steeds meer geld aan ontwikkelingssamenwerking. Niet iedereen is daar enthousiast over.
Twee generaties geleden werden de grenzen van wijken, dorpen en gehuchten nog verdedigd tegen indringers die eigenlijk naaste buren waren. Drie decennia globalisering heeft daar folklore van gemaakt. Vandaag is de gemiddelde Vlaamse gemeente een smeltkroes van inwoners uit meer dan vier windstreken.
Bovendien gaan veel Vlaamse steden en gemeenten de mondiale toer op. Negentig procent van de 308 Vlaamse gemeenten heeft alvast een schepen voor Ontwikkelingssamenwerking en meer dan één op drie heeft een gemeentelijke raad voor Ontwikkelingssamenwerking. En een groeiend aantal Vlaamse gemeenten gaat een stedenband aan met gemeenten in het Zuiden. Patrick Develtere, hoogleraar Ontwikkelingssamenwerking en verbonden aan het Hoger Instituut voor de Arbeid van de KU Leuven: ‘Gemeenten zijn internationale actoren geworden par la force des choses. Ze willen betere gemeenten zijn in de huidige wereld, daarom ondernemen ze internationale acties.’
De gemeente Herent, bijvoorbeeld, wil haar basisdemocratie versterken en wisselt daarom ideeën en ervaringen uit met Sahakok, haar partnergemeente in Guatemala. ‘Dat is het fundamentele verschil tussen de acties van gemeenten en ngo’s’, zegt Develtere. ‘Gemeenten willen zelf beter worden van internationale samenwerking, terwijl ngo’s bezig zijn met de Noord-Zuidproblematiek vanuit een ontwikkelingsstrategie.’
‘Gemeentelijke overheden over heel de wereld streven een goed functionerend lokaal bestuur na en daarvoor doen ze een beroep op elkaar’, zegt Betty de Wachter, coördinator van de sectie Internationale Actie van de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten (VVSG). ‘Voor heel veel zaken kunnen gemeenten immers niet terecht bij ngo’s of internationale organisaties.
In Kinshasa, bijvoorbeeld, had Unicef een geboorteregistratieformulier ontwikkeld en gedrukt in duizenden exemplaren, zonder behoorlijke kennis van zaken. Dat moest dus overgedaan worden, op basis van concrete en specifieke kennis en ervaring, die wel gevonden werd in een samenwerking met de stad Brussel. Op die manier worden gemeenten volwaardige partners in een Noord-Zuidrelatie.’

Wat we zelf doen


Niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties zitten niet echt te wachten op lokale overheden die zelf actief worden in het Zuiden. Ze verkiezen de financiële steun van gemeenten voor hun eigen sensibiliseringscampagnes, educatieve initiatieven en projecten. Uit een onderzoek dat de provincie West-Vlaanderen organiseerde, blijkt dat 54 op 61 West-Vlaamse gemeenten een initiatief of activiteit rond Noord-Zuidthema’s ondersteunen.
De belangrijkste -en vaak enige- steun gaat naar de lokale 11.11.11 -actie. Uit de bevraging van 30 gemeenten die MO* voor dit dossier opzette, leren we dat grotere ngo’s zoals Broederlijk Delen, Oxfam Wereldwinkels, Vredeseilanden en Wereldsolidariteit bijna overal langs de gemeentelijke kassa passeren. Luc Callaerts, coördinator provinciale werking van de koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging 11.11.11: ‘Wij vinden dat ieder overheidsniveau, lokaal of federaal, met de Noord-Zuidproblematiek bezig moet zijn. Op lokaal vlak denken we dat het accent op educatie, vorming en bewustmaking moet liggen. Daarom vinden we het belangrijk dat gemeenten samenwerken met lokale actoren die de nodige deskundigheid hebben.’ Dat laatste mag vertaald worden als: ngo’s weten hoe ze mensen moeten sensibiliseren, gemeenten moeten hen gewoon de nodige middelen verschaffen.
Luc Callaerts als Betty De Wachter beklemtonen dat ‘het niet de bedoeling is dat gemeenten en ngo’s concurrenten van elkaar worden’ en dat ze ‘samen een zo goed mogelijk beleid moeten uitwerken’. Dat belet niet dat er in het werkelijke leven heel wat territoriumgevechten plaatsvinden. 11.11.11 is er bijvoorbeeld geen voorstander van dat gemeenten zelf projecten opzetten in het Zuiden. Callaerts: ‘Ngo’s beschikken al over programma’s in het Zuiden en over de nodige ervaring.
Gemeenten geven hun steun daarom beter aan ngo’s.’ Ontwikkelingsdeskundige Patrick Develtere lijkt het met hem eens te zijn: ‘Ontwikkelingssamenwerking is een kunde. Je moet rekening houden met zoveel complexe factoren zoals de lokale cultuur, de structuur van de ongelijkheid en het proces van emancipatie.
Ontwikkelingsorganisaties hebben die kunde verworven met vallen en opstaan, met veel mislukken en af en toe lukken. Gemeenten hebben die kunde nog niet, ook al engageren ze veel professionals en beschikken ze over zeer goede technische diensten en gespecialiseerde ambtenaren.’

Wilde weldoeners?


‘Uiteraard maken gemeenten fouten als ze zich op het terrein van de internationale samenwerking begeven’, zegt Corinne Dhaene van ACE Europe, een studiebureau dat steden en gemeenten begeleidt en ondersteunt bij het opzetten van een internationale stedenband. ‘Er zijn al afgedankte computers, uniformen van brandweermannen en vuilniswagens in containers gezet en naar ontwikkelingslanden gestuurd.
Maar ondertussen zijn de meeste gemeenten zich ervan bewust dat ze moeten opletten met transfers van financiële middelen en materiaal. Ze hebben begrepen dat dit geen duurzame bijdrage aan ontwikkeling is.’ Gemeentebesturen staan vaak voor een moeilijke keuze, want veel burgers verwachten juist dat zij Wilde Weldoeners zijn. De meer paternalistische aanpak levert vaak ook betere beelden op en een grotere zichtbaarheid.
Het probleem van de ondoordachte hulpdrang komt volgens Dhaene ook niet altijd voort uit de onervarenheid van gemeentebesturen. ‘Vaak zijn het lokale groepen of organisaties die via de gemeentelijke ontwikkelingsraden de vraag naar oude schoolboeken of snelle stortingen stellen.’ Het belangrijkste, volgens Dhaene, is dat zowel gemeenten als ngo’s of andere overheden zichzelf bevragen en voortdurend vormen, dat iedereen op zoek gaat naar zijn eigen, specifieke bijdrage en vooral ‘dat er niet wordt geconcurreerd, maar samengewerkt.’

Vlaamse steun voor glokale gemeenten


In 2001 lanceerde de Vlaamse minister voor Ontwikkelingssamenwerking een drie jaar durend pilootproject Convenants Gemeentelijke Ontwikkelingssamenwerking. Daarmee werden lokale besturen aangemoedigd een eigen beleid uit te bouwen rond ontwikkelingssamenwerking. Op 2 april 2004 werd deze aanpak door het Vlaams Parlement definitief vastgelegd in een decreet dat officieel in werking trad op 1 januari 2005.
De convenants gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking zijn driejaarlijkse overeenkomsten tussen de Vlaamse overheid en het lokale bestuur, waarin afspraken gemaakt worden over de manier waarop de gemeente in kwestie haar internationale solidariteit vorm zal geven. Momenteel hebben 36 gemeenten zo’n convenant gesloten met de Vlaamse overheid: 7 grote kernsteden, 15 middelgrote gemeenten en 14 kleine gemeenten. In 2001 beschikte de Vlaamse overheid over een budget van slechts 8 miljoen euro voor ontwikkelingssamenwerking.
In 2002 werd dat budget verdubbeld tot 16 miljoen euro en dat bedrag bleef de laatste jaren ongeveer hetzelfde. In 2005 ging 1.964.000 euro daarvan naar de convenants voor gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking. Nog ruimschoots onvoldoende, zo blijkt. Heel wat gemeenten vroegen een convenant aan en vielen uiteindelijk uit de boot. Niet enkel omdat de aanvragen inhoudelijk niet goed waren, maar omdat het Vlaamse budget ontoereikend was. Gemiddeld krijgen de 36 gemeenten die geselecteerd werden voor een convenant jaarlijks 115.573 euro subsidie. Uitschieter is Gent met 156.000 euro en minst bedeelde gemeente is Merelbeke met een bedrag van 57.500 euro.
De Vlaamse overheid stimuleert de Vlaamse steden en gemeenten ook om stedenbanden uit te bouwen met gemeenten in het Zuiden. In de MO* bevraging blijkt dat zo’n stedenband vooral haalbaar is voor de grotere spelers. ‘Uiteraard beschikken kleine Vlaamse gemeenten vaak over minder capaciteit en middelen om een stedenband of een ander ambitieus project op te zetten’, zegt Frederik Matthys van de dienst Ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse overheid.
Luc Callaerts van 11.11.11 vindt dat stedenbanden best in het kader van een convenant opgezet worden, omdat de Vlaamse overheid dan subsidies geeft en het gewicht op het gemeentelijk budget daardoor minder zwaar wordt. Bovendien moeten er strategische en jaarlijkse actieplannen uitgewerkt worden en krijgen gemeenten begeleiding en vorming van de Vereniging voor Steden en Gemeenten.’ Dat maakt het kader waarin zo’n stedenband tot stand komt kwalitatief beter dan wanneer gemeenten zelf die deskundigheid moeten opbouwen en daarvoor enkel beschikken over lokale middelen. Zonder een convenant kan men maar beter niet aan een stedenband werken’, besluit Callaerts.
Betty De Wachter van de VVSG ziet nog een bijkomend voordeel aan stedenbanden: het sesibiliseren en betrekken van doelgroepen die anders nauwelijks met de problematiek van het Zuiden in aanraking komen. ‘Brasschaat heeft een stedenband met Tarija in Bolivia. Omdat Tarija een probleem heeft rond brandveiligheid, werd overeengekomen dat de brandweer van Brasschaat er een opleiding zou geven. Die brandweermannen zouden anders nooit betrokken worden bij ontwikkelingssamenwerking.’

De symbolische 0,7 procent


Al meer dan dertig jaar beloven de rijke industrielanden dat ze 0,7 procent van hun Bruto Nationaal Inkomen zullen besteden aan ontwikkelingshulp. Naar analogie met die internationale afspraak streven een aantal Vlaamse gemeenten ernaar 0,7 procent van hun begroting aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Ook 11.11.11 hanteert die 0,7 procent-norm om gemeenten ertoe aan te zetten meer te doen voor ontwikkelingssamenwerking. Betty De Wachter van VVSG is daar niet helemaal gelukkig mee: ‘Een gemeente heeft geen Bruto Nationaal Inkomen, dus kan de 0,7 procent-norm op dat niveau niet gelden.
Het is goed dat gemeentebesturen bij het begin van hun mandaat een afspraak maken over een groeipad voor de post ontwikkelingssamenwerking op de gemeentelijke begroting, maar de gemeenten moeten zelf uitmaken wat voor hen haalbaar is. Als je de 0,7 procent-norm zou toepassen op de begroting van grootsteden als Antwerpen, Gent of Brussel, dan gaat dat over miljoenen euro. En dat is absoluut geen haalbare kaart.’
Luc Callaerts geeft toe dat de norm eerder symbolisch dan realistisch is, toch laat hij de 0,7 niet graag vallen. ‘Al is het maar omdat nogal wat gemeenten de norm nu al effectief hanteren.’ Iedereen is het er wel over eens dat er duidelijkheid moet komen over de vraag wat wel en wat niet ingerekend mag worden in de gemeentelijke begroting ontwikkelingssamenwerking. Callaerts: ‘Als een gemeente streeft naar 0,7 procent van haar begroting, dan vind ik niet dat de subsidies die een gemeente krijgt van de Vlaamse overheid voor een convenant daarbij gerekend mogen worden. Idem als een gemeente beslist over te schakelen op fairtradeproducten.’
Uit de antwoorden op de MO*enquête bleek alvast dat er geen eenduidigheid is over wat er wel en niet verrekend mag worden in het gemeentelijke budget voor ontwikkelingssamenwerking. Sommige gemeenten voegen er de personeelskosten bij, andere niet. Worden de personeelskosten niet meegerekend, dan blijkt uit de 29 ontvangen antwoorden (op 30 vragen) dat de tien centrumsteden gemiddeld zo’n 120.000 euro per jaar aan ontwikkelingssamenwerking besteden, met Antwerpen als de gulste stad, terwijl Aalst met lengten achterstand het kleinste budget heeft. Van de tien middelgrote gemeenten ligt het gemiddelde budget rond 60.000 euro, met Turnhout veruit de beste en Lokeren een beschamende laatste. De negen kleinere gemeenten besteden gemiddeld 12.000 euro aan ontwikkelingssamenwerking, met Herent als uitschieter naar boven en Poperinge naar onder.

Ons helpt ons


Wederkerigheid staat als een leidend principe in de meeste samenwerkingsakkoorden tussen Vlaamse gemeenten en gemeenten uit het Zuiden. Ook de overheid vindt dat belangrijk. Hoe die wederkerigheid concreet vorm kan krijgen, is een andere vraag. Corinne Dhaene van ACE Europe: ‘Voor ons gaat het om een wederzijdse uitwisseling van diensten, personen, steun -materieel en niet materieel- en informatie. Collega’s burgemeesters of schepenen kunnen feedback geven op elkaars beleidsplannen of ambtenaren kunnen ideeën, kennis en ervaring, kow-how uitwisselen via studiebezoeken, stages en seminaries. Op financiëel vlak is het een stuk moeilijker om de wederzijdsheid te realiseren, al zullen beide steden vaak naar eigen capaciteit bijdragen.
De zuidelijke gemeente zal bijvoorbeeld de kosten dragen van logement en lokaal transport als een noordelijke delegatie op studiebezoek komt.’
nog de vraag of Vlaamse gemeenten kunnen en willen leren van de zustergemeente in het Zuiden. Willen ze hun eigen manier van werken veranderen op suggestie van een bestuur uit een ontwikkelingsland? Dhaene heeft alvast één voorbeeld: ‘De stad Gent en haar Zuid-Afrikaanse partnerstad Mangaung werken samen aan duurzame economische ontwikkeling.
Mangaung heeft een vrij gesofistikeerd systeem om het effect van economische maatregelen op milieu en tewerkstelling te meten. In Gent bestaat zo’n systeem niet en de stad wil daarom gebruik maken van de kennis die in Mangaung al bestaat om anders na te denken over economische keuzes en investeringsbeleid.’

Hobbelig kasseienparcours


‘Men denkt nog te veel in paternalistische termen’, zegt Han Verschure, hoogleraar aan de faculteit Toegepaste Wetenschappen van de KUL en voorzitter van het Platform Lokale Agenda 21 te Leuven. Hij is niet gelukkig met de afloop van de stedenband die Leuven al in 1998 begon met de Keniase gemeente Nakuru. In de loop van de jaren resulteerde dat partnerschap in heel wat boeiende initiatieven zoals tentoonstellingen, een renteloze lening van Leuven aan Nakuru voor het renoveren van sociale woningen, een training in het leggen van kasseistenen in Nakuru, bouwkampen in een Nakurese school, vormingen van ambtenaren, communicatiebruggen tussen scholen in Leuven en Nakuru… Er liepen echter ook een aantal dingen mis.
Het Leuvense stadsbestuur stelde zich onder meer vragen over de besteding van de financiële middelen in Nakuru. Een reactie vanuit Nakuru liet, onder andere door politieke personeelswissels, rijkelijk lang op zich wachten. In 2004 besloot Leuven dat het tijd was voor een evaluatie. Extern evaluator, Emiel Vervliet van de Sociale School in Heverlee, vond niet dat Leuven te veeleisend was: ‘De tijd is voorbij dat we zomaar alles aanvaarden wat in het Zuiden met ontwikkelingsgeld gebeurt, zeker als je weet dat er in Kenia heel veel problemen zijn met corruptie.’ In zijn eindrapport suggereerde hij om de stedenband verder te zetten, mits een grondige bijsturing. ‘Ik stelde voor dat zowel de private sector als de lokale gemeenschappen in Leuven en Nakuru betrokken zouden worden in de stedenband. Ook had ik vragen over het nut van projecten als de aanleg van kasseiwegen.’
Beide steden werkten aan een nieuw samenwerkingsakkoord en de voorstellen daarvoor werden in september 2005 uitgewisseld. De Leuvense gemeenteraad vond het voorstel van Nakuru echter te vaag en beknopt, en besloot daarom op 24 oktober 2005 om de samenwerking stop te zetten. Han Verschure noemt dat, in een lang gesprek, erg jammer. ‘Dat Nakuru zich niet aan de financiële afspraken hield, is maar een deel van het verhaal. Een eerste schijf van de renteloze lening werd in maart terugbetaald. Dat is later dan oorspronkelijk afgesproken, maar de middelen zijn toch gebruikt waarvoor ze dienden: woningen voorzien van sanitair. Bovendien namen beide steden een aantal initiatieven die zo boeiend waren, dat ze op zich reden genoeg waren om de samenwerking verder te zetten.
Het paternalisme zit niet zozeer bij de mensen van de Noord-Zuiddienst van Leuven, maar eerder bij het stadsbestuur en haar politieke of technische raadgevers. Een typisch voorbeeld: in Nakuru werd een strategisch structuurplan uitgewerkt in samenwerking met Leuven. Dat plan was zo goed dat het model stond voor wetgeving op nationaal niveau. Leuven besteedde op datzelfde moment het maken van een structuurplan uit aan een professioneel bureau. Ik heb die Leuvense planners voorgesteld om eens te gaan kijken in Nakuru, maar die consultants konden zich gewoon niet inbeelden dat ze daar iets konden gaan leren. Dat geeft de algemene houding hier in België tegenover het Zuiden weer. Dat wederzijdse, dat blijft toch erg moeilijk voor ons.’  

De kassa rinkelt voor de ngo’s

Niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties zitten niet echt te wachten op lokale overheden die zelf actief worden in het Zuiden. Ze verkiezen de financiële steun van gemeenten voor hun eigen sensibiliseringscampagnes, educatieve initiatieven en projecten. Een overzicht van de ngo’s en initiatieven die steun krijgen van de lokale besturen die MO* onderzocht.

Gent: 37.866,34 euro in 2004 voor sensibilisatie en voor lokale Noord-Zuidverenigingen. Broederlijk Delen, Oxfam Wereldwinkels, Wereldsolidariteit, Vredeseilanden, 11.11.11 en verschillende vzw’s.

Aalst: In 2005 werd 10.580 euro verdeeld over Vredeseilanden, vzw Rutongo, S.O.S. Chili, Vrienden van Cuba, Congo-Brazzaville, Amnesty International, individuele acties van inwoners van Aalst.

Sint-Niklaas: jaarlijks 8500 euro voor 11.11.11 projecten in het Zuiden. 5000 euro verdeeld over 11.11.11, Oxfam Wereldwinkel en andere organisaties. 3000 euro huursubsidies, waarvan 1500 euro in 2005 naar Oxfam Wereldwinkel. 1200 euro projectsubsidies voor andere solidariteitsorganisaties.

Eeklo: 1300 euro voor 11.11.11, 250 euro voor ondersteuning 11.11.11-actie, 1200 euro Broederlijk Delen, 1000 euro Damiaan-actie, 600 euro Wereldsolidariteit, 600 euro Amnesty International, 600 euro UNICEF

Lokeren: Geen continue ondersteuning aan ontwikkelings-ngo’s uit de koepel van 11.11.11. Ook geen andere ngo’s.
Dendermonde: 2500 euro jaarlijks aan 11.11.11, 5000 euro aan het Roemeniëcomité.

Sint Truiden: Jaarlijks 17.220 euro voor 11.11.11, Oxfam, Broederlijk Delen, Wereldsolidariteit en diverse andere organisaties.

Zonhoven: 620 euro jaarlijks voor 11.11.11-actie. 16.400 euro jaarlijks evenredig verdeeld over verschillende projecten.

Genk: De ngo’s ontvangen een subsidie op basis van het bedrag dat zij rondhalen in de stad. Enkele ondersteunde ngo’s: 11.11.11, Vredeseilanden, Oxfam Wereldwinkels, Damiaanactie, Broederlijk Delen.

Hasselt: In 2005 ontving Wereldsolidariteit 1000 euro, Vredeseilanden 1900 euro, Damiaanactie 1000 euro, Oxfam Wereldwinkels 4007 euro .

Leuven: In 2005: telkens 795,45 euro aan 22 organisaties waaronder Damiaanactie, Oxfam wereldwinkel (Heverlee, Kessel-Lo, Leuven, Wijgmaal, Wilsele, regio Leuven), Pax Christi, Comité Vredeseilanden en Wereldsolidariteit.

Herent: 22.402 euro verdeeld over Oxfam Wereldwinkels, 11.11.11, Broederlijk Delen, Vredeseilanden, Damiaanactie, Wereldsolidariteit. 9602 euro te verdelen onder plaatselijke werkingen.

Dilbeek: In 2004 voor projecten: 10.274 euro voor Broederlijk Delen. Voor info: 370 euro voor 11.11.11, 2717 euro voor de Wereldwinkel.

Sint-Genesius-Rode: In 2005: 1250 euro + logistieke steun voor jaarlijkse campagne van 11.11.11.

Vilvoorde: In 2005: 2400 euro voor de Wereldwinkel, 600 euro voor de lokale afdeling van 11.11.11 en 2800 euro voor Zuidprojecten via 11.11.11.

Stad Antwerpen: Ondersteuning met een nominatieve bijdrage: UNICEF, 11.11.11- coördinatie en de vzw Solidariteit met het Sahraoui-volk. 47.600 euro projecttoelagen aan organisaties voor ontwikkelingshulp. 9600 toelagen voor educatieve projecten (voor 2003)

Turnhout: 5658 euro voor sensibiliseringsactiviteiten van verenigingen en scholen. 4629 euro naar activiteiten van de Mondiale raad (o.a. 11.11.11, Wereldfeest) (voor 2003)

Kontich: Ondersteunt 11.11.11. Logistieke steun wordt gegeven aan alle organisaties die dat vragen. Grootste vrager: Wereldwinkel.

Mechelen: 39.000 euro waarvan 19.500 euro voor projecten in de wereld, de andere helft voor sensibilisatie. 2250 euro voor ondersteuning 11.11.11 comité.

Bornem: In 2004: 7500 euro voor projecten en sensibiliseringsacties. Waarvan 5% naar noodhulp en ad hoc steun aanvragen en nog eens 5% naar Bornemse verenigingen voor internationale samenwerking met een permanent karakter. Voor 11.11.11-comité: 3059,66 euro. Oxfam Wereldwinkel krijgt gratis winkelruimte ter beschikking + verwarming en elektriciteit en financiële ondersteuning.

Brasschaat: In 2003: 10.250 euro steun aan 11.11.11 provincie Antwerpen voor projecten. 2500 euro voor actieve GROS-leden: Broederlijk Delen, Damiaanactie, Oxfam Wereldwinkel e.a.

Brugge: Subsidie voor: 11.11.11, Oxfam Wereldwinkel, Damiaanactie, Vredeseilanden, Wereldsolidariteit e.a.

Kortrijk: Subsidie enkel voor 11.11.11.

Ieper: Subsidie voor: 11.11.11, Artsen Zonder Grenzen, Broederlijk Delen, Caritas International, Damiaanactie, Oxfam Wereldwinkel, Oxfam Solidariteit, Rode Kruis Internationaal, UNICEF, Vredeseilanden en Wereldsolidariteit

Oostende: Voor 2003: 11.11.11, Vredeseilanden, Plan international, DMOS, e.a.

Roeselare:
11.11.11- Nationaal: 22.480 euro + jaarlijkse subsidie van 375 euro voor 11.11.11 comité Roeselare en Noord-Zuidoverleg.

Poperinge: Telkens 241 euro voor 11.11.11, Broederlijk Delen, Missiekring en Oxfam Wereldwinkel. Wereldsolidariteit (bedrag niet duidelijk)

Torhout: 11.11.11, Broederlijk Delen, Damiaanactie, Oxfam Wereldwinkel, Vredeseilanden

Bronnen: eigen bevraging door MO*, onderzoek provincie West-Vlaanderen, onderzoek provincie Antwerpen


Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3081   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift