De grijze zones van de groene economie

De agenda van Rio+20

De VN-top over duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding komende maand in Rio de Janeiro staat helemaal in het teken van de groene economie. Maar is dat niet gewoon het vertrouwde kapitalisme met een groen jasje? MO* onderwerpt de groene economie aan een kritische blik en schetst wat er in Rio precies op het spel staat.

Of de VN-top van 20 tot 22 juni in het Braziliaanse Rio de Janeiro even historisch zal worden als de fameuze Aardetop in Rio in 1992 is twijfelachtig. Toen engageerde de wereldgemeenschap zich voor het eerst om iets te doen aan de klimaatverandering, de verwoestijning, de ontbossing en het biodiversiteitsverlies. Er werden conventies aangenomen (onder meer over het klimaat en de biodiversiteit) en actieplannen uitgewerkt. Principes zoals de vervuiler betaalt en gedeelde maar verschillende verantwoordelijkheid tussen rijke en arme landen inzake het klimaatprobleem werden in verdragen gebeiteld. De conferentie was een mijlpaal in het mondiale beheer van onze planeet.

Nu, twintig jaar na Rio en tien jaar na Johannesburg, zal het gaan over groene economie. Voor de VN is die het ultieme antwoord op zowel de economische crisis als de milieuproblemen. UNEP, het milieuprogramma van de VN, zette het thema op de agenda, maar lanceerde het concept eerder al tijdens de turbulenties van de economische crisis van 2008. Het riep op tot ‘a global green new deal’ als antwoord op de economische impasse. De OESO, die de industrielanden verenigt, spreekt dan weer liever over ‘groene groei’, wat meteen al een hele discussie doet oplaaien over de al dan niet verenigbaarheid van groen en groei. VN-ontwikkelingsorganisatie UNCTAD benadrukt dan weer dat het moet gaat over groene economie ‘in de context van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling’ en dat de rijke landen geen milieumaatregelen mogen nemen uit protectionisme tegenover het Zuiden.

Aan de vooravond van Rio+20 is de verwarring dan ook groot. Vooral in het Zuiden hebben middenveldorganisaties helemaal geen vertrouwen in het proces en de agenda van Rio+20. Ze spreken over opgezet spel van de industrielanden, die vooral bezig zijn met hun eigen crisis.

Intussen in Gent

De Bio Base Europe Pilot Plant in de Gentse haven geeft een idee van waar de term groene economie voor staat. Wim Soetaert is hoogleraar industriële biotechnologie aan de Universiteit Gent en directeur van het bedrijf, eigenlijk een proeffabriek voor de biogebaseerde economie, een nieuwe industrietak die tot doel heeft de petrochemie over enkele jaren overbodig te maken.

‘In principe kan alles wat uit petroleum vervaardigd wordt in de toekomst van biomassa gemaakt worden’, legt Soetaert uit. Dat gebeurt met de zogenaamde “witte” biotechnologie, die hernieuwbare biomassa met behulp van bacteriën, schimmels en gisten omzet in industriële producten. Daarbij wordt gebruikgemaakt van genetische modificatie en synthetische biologie. De bekendste toepassing zijn biobrandstoffen, maar het procedé is ook geschikt voor de productie van bioplastics, biodetergenten, biosolventen, farmaceutische grondstoffen, enzovoort. Soetaert: ‘De petroleumvoorraden raken uitgeput, de prijzen stijgen spectaculair en fossiele brandstoffen warmen de aarde op. We weten dat we van de aardolie af moeten. De biogebaseerde economie bereidt zich volop voor om die overgang waar te maken.’ Op dit ogenblik heeft de nieuwe industrietak ongeveer 5 procent van de petrochemische productie overgenomen, maar Soetaert schat dat dat tegen 2030 50 procent zal zijn.

Soetaert: ‘De vooruitzichten zijn fantastisch, maar de voornaamste beperking vandaag is dat de nieuwe technologie nog niet volwassen is.’ De Bio Base Europe Pilot Plant voert dan ook experimenten uit om de technologie verder te ontwikkelen. De proeffabriek vormt de tussenschakel tussen het laboratorium en de industriële productie. Bedrijven kunnen hier terecht om hun technologische vernieuwingen uit te proberen.

Het project ging drie jaar geleden van start met een beginkapitaal van 21 miljoen euro; 7 miljoen kwam van Vlaanderen, 7 miljoen van Nederland (in Terneuzen bevindt zich een met het project verbonden trainingscentrum) en 7 miljoen van Europa. ‘Je kunt dat veel geld vinden maar eigenlijk is het peanuts’, zegt Soetaert, die eraan herinnert dat Vlaanderen onlangs een miljard euro investeerde in onderzoek omtrent kernenergie aan het SCK in Mol. De werkingskosten van de Bio Base Europe Pilot Plant moeten gedekt worden door de onderzoeksprojecten die het binnenkrijgt. Soetaert: ‘In de voorbije vijf jaar hebben diverse bedrijven hier in Gent meer dan 500 miljoen euro geïnvesteerd in de biogebaseerde economie. De doelstelling van ons strategisch plan is nog eens een miljard euro extra te investeren tegen 2020. En dat geld zal er ook komen’, zegt Soetaert, die trots is op zijn project.

De grondstof voor deze bio-economie is plantaardig materiaal en biomassa. Het gamma is heel breed: suikers, tarwezemelen, maïsstengels, maïskolven, maïskorrels, oliën en vetten, houtpellets, tarwekorrels en talloze reststromen van natuurlijk materiaal en organisch afval. Recht tegenover de proeffabriek, aan de overkant van de Moervaart, ligt het bedrijf van Cargill waar biobrandstoffen geproduceerd worden. Op dit ogenblik werkt het met koolzaad, zegt Soetaert. ‘Enkele jaren geleden was dat nog soja uit Brazilië, maar die is te duur geworden.’ Het koolzaad komt vooral uit Noord-Frankrijk en Duitsland. ‘De Belgische petroleumfederatie ziet dat niet graag gebeuren’, weet Soetaert. ‘Ze heeft al 4 procent van haar marktaandeel verloren, tegen 2020 gaan we naar 10 procent. Dat is het gevolg van de Europese regelgeving. Er is geen weg terug.’

Aan de overkant van de snelweg ligt de afvalverwerkingssite van groot Gent, waar allerlei materialen gerecycleerd worden. Soetaert hoopt in de toekomst samen te werken voor de verwerking van organisch afval tot biobrandstoffen, bioplastics en andere biomaterialen.

De kritiek dat de markt van de biobrandstoffen mee verantwoordelijk is voor de hoge voedselprijzen, wuift Soetaert weg. ‘Dat klopt niet, biobrandstoffen staan voor slechts 1 procent van de agrarische grondstoffenmarkt en hadden maar een minieme impact op die prijsstijgingen.’ Speculanten daarentegen veroorzaken inderdaad problemen, stelt Soetaert. Stijgende voedselprijzen beschouwt hij eerder als een zegen. ‘Dat is het beste wat ons kan overkomen. Nu wordt er tenminste opnieuw geïnvesteerd in de landbouw. Je ziet de heropleving overal, ook in de tropen. De boeren zien het weer zitten en dat is goed zo. Dit vormt het beste armoedebestrijdingsplan.’

Big business

Aan de natuur kun je vandaag de dag inderdaad groot geld verdienen. ‘Investeer in bosbouw en kies voor een rendement van 8 tot 14 procent per jaar’, belooft een advertentie van Greenwood, dat op zoek is naar beleggers in Braziliaanse bossen. ‘Aandelen met een looptijd van zes tot acht jaar – een veilige belegging, waarvan het rendement niet bepaald wordt door een hypergevoelige markt maar door biologische groei’, zo meldt de advertentie.

Die financiële perspectieven hebben in het Zuiden een proces op gang gebracht van buitenlandse investeringen in landbouwgronden, natuurparken en waterreservoirs. Zoals de petrochemie staat of valt met de beschikbare olievoorraden, zo is de groene economie immers afhankelijk van de toevoer van groene grondstoffen en van het bezit van patenten op genetisch materiaal. En dan komt vooral het Zuiden in het vizier. Slechts een vierde van de biomassa die de aarde opbrengt, bereikt momenteel de commerciële markt, zo berekenden de voorstanders. Drie vierde is dus “onbenut”, volgens die logica. De armsten, voor wie die biomassa de basis vormt van hun levensonderhoud, huisvesting, voeding en verwarming worden dan ook direct bedreigd door een opkomende markt die loert op die onontgonnen rijkdom.

De natuurlijke bronnen lopen zo een groter risico op uitputting. Naar schatting 50 tot 80 miljoen hectare in het Zuiden is in handen van internationale investeerders. Twee derde van de overeenkomsten situeren zich in Sub-Sahara-Afrika, een regio geteisterd door chronische hongersnood. Soetaert erkent ook dit probleem, maar stelt dat het de taak is van de lokale overheden om ertegen op te treden. Vaak zien we echter dat zij de eersten zijn om die contracten te ondertekenen, omdat ze investeringen willen aantrekken of bezwijken onder de druk van de bedrijven.

In Brazilië zelf bleek onlangs nog dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat de overheid kiest voor duurzaamheid. Eind april keurde het parlement een versoepeling van de boswet goed, waardoor amnestie wordt verleend voor illegale ontbossing die plaatsgreep voor 2008 en hele gebieden die nu bescherming genieten vrij komen voor productieve activiteiten. Het debat sleepte drie jaar aan, maar uiteindelijk haalde de agro-industrie haar slag thuis. In het jaar dat Brazilië Rio+20 ontvangt, kon er geen slechter nieuws zijn voor het land, vindt het Braziliaanse Forum voor Niet-gouvernementele Organisaties en Sociale Bewegingen voor Milieu en Ontwikkeling. Alleen een veto van president Rousseff kan de wetswijziging nog tegenhouden, maar dan jaagt ze het parlement tegen zich in het harnas.

Ook de ervaring met biobrandstoffen geeft een idee van de impact van de nieuwe economie. In 2009 bedroeg de oppervlakte voor de teelt van energiegewassen naar schatting 14 miljoen hectare of 1 procent van de landbouwgrond, in 2030 zal dat aangegroeid zijn tot 35 à 54 miljoen hectare of 2,5 tot 3,8 procent van de bebouwbare grond, alleen voor biobrandstoffen. In het perspectief van de opkomende bio-economie is het maar het topje van de ijsberg.

Iedereen is het erover eens dat het een goede zaak is om onze olieafhankelijkheid af te bouwen. Maar, zo stellen tal van ngo’s, dan moet je er wel voor zorgen dat de mensenrechten gerespecteerd worden en dat overheden een actieve rol spelen.

‘Tot 2002 had Europa beslist het leiderschap omtrent duurzame ontwikkeling, vandaag is het vooral Brazilië dat zich positioneert.’

Een andere vraag bij de groene economie is of alle behoeften die momenteel gedekt worden door de petrochemie – van ons, van de toekomstige generaties, van de miljoenen die een betere levensstandaard willen –ingevuld kunnen worden door de biogebaseerde economie. Moet er ook niet iets aan de consumptiezijde worden gedaan?

Natuurlijk kapitaal

In de publicatie Naar een groene economie (Towards a Green Economy: Pathways to Sustainable Development and Poverty Eradication) verduidelijkt UNEP zijn visie. Vertrekpunt is de impasse waarin we terechtgekomen zijn, met het klimaatprobleem, het biodiversiteitsverlies, de grondstoffenschaarste, de honger en de stijgende voedselprijzen en – meer in het algemeen – de huidige economische en financiële crisis. De oorzaken van al die crisissen zijn enigszins verschillend, maar ze hebben één ding gemeen: de verkeerde inzet van het kapitaal, aldus UNEP. De economische ontwikkelingen en de groeistrategieën moedigden snelle accumulatie van kapitaal aan, ten koste van de uitputting van het natuurlijke kapitaal. Door de voorraden uit te putten, heeft ons groeimodel fatale gevolgen voor het welzijn van de huidige en de toekomstige generaties. De crisissen die we nu meemaken, zijn daarvan het bewijs. Het huidige beleid en de marktstimuli hebben bijgedragen tot het probleem omdat ze toelaten dat de bedrijfswereld beslag legt op sociaal en natuurlijk kapitaal en daar niet voor betaalt.

Om die gang van zaken om te keren en het probleem aan te pakken, moet de natuur verrekend worden. UNEP heeft daar onderzoek naar gedaan, wat resulteerde in het TEEB-rapport (The Economics of Ecosystems and Biodiversity), dat die economische waarde van de natuur berekent. Om het te kunnen toepassen, stelt UNEP, is er nood aan een beter beleid, een juistere prijssetting, reguleringsmechanismen om perverse stimuli te vermijden, een heroriëntering van private investeringen en een aangepaste juridische structuur. Voor overheden is een belangrijke corrigerende rol weggelegd, aldus de VN.

Europa staat volledig achter die visie. In een recente toespraak op een voorbereidende conferentie voor Rio+20 maakte EU-milieucommissaris Potočnik gewag van een wereldwijd potentieel voor marktopportuniteiten gebaseerd op biodiversiteit en ecosysteemdiensten voor een waarde van 800 tot 2300 miljard dollar per jaar.

Het rapport wil ook een aantal mythes ontkrachten. De eerste mythe: dat ecologische duurzaamheid niet samengaat met economische vooruitgang en groei. Volgens UNEP is de groene economie een nieuwe motor voor groei, met een potentieel voor jobcreatie en armoedebestrijding. De tweede mythe is dat groene economie een luxe zou zijn voor de industrielanden, of meer zelfs, een truc van de industrielanden om ontwikkelingslanden hun ontwikkeling te belemmeren, een visie die opgang maakt in het Zuiden en waar ook UNCTAD voor waarschuwt.

Davos bis

Ngo’s en middenveldorganisaties reageren scherp op het ontwerp van slotverklaring voor Rio+20, dat de titel ‘De toekomst die wij willen’ draagt. ‘UNEP kijkt niet voorbij het neoliberale marktfundamentalisme’, klinkt het. Ook de stelling dat ongeremde economische groei kan samengaan met respect voor de ecologische grenzen trekken ze in twijfel.

Oxfam, Greenpeace en de internationale vakbond ITUC uitten in een open brief hun bezorgdheid, zowel over het proces als over de inhoud. Volgens de groepen gaat te veel aandacht naar het aantrekken van investeringen vanuit de publieke sector, als compensatie voor de leemtes van de overheid. ‘Op die manier is het risico nog groter om de natuur en het gemeengoed – zoals water en bossen – te commercialiseren, waardoor het gevaar bestaat dat dit voor velen ontoegankelijk wordt.’ Ze vrezen ook dat een aantal fundamentele principes omtrent mensenrechten, ontwikkeling, de toegang tot water, voedsel en gezondheidszorg naar de achtergrond wordt gedrukt ‘door kortzichtige diplomaten die onderhandelen over het slotdocument’.

Begrippen die voortvloeiden uit de Rio-conferentie van 1992, zoals ‘de vervuiler betaalt’ en ‘gemeenschappelijke maar verschillende verantwoordelijkheden’ voor industrielanden en ontwikkelingslanden, dreigen afgevoerd te worden, aldus de ngo’s. Ze wijzen op de ernst van de ecologische en sociale crisis en beklagen zich erover dat geen enkele wereldleider van formaat tot nog toe zijn stem heeft laten horen om het belang van deze conferentie te beklemtonen.

De ‘Major Groups’ (negen groepen uit de civiele samenleving die een volwaardige stem hebben in de onderhandelingen, zoals vakbonden, inheemsen, vrouwen, jongeren, boeren…) klagen dat ze uit de besprekingen worden geweerd. Ze stuurden een open brief aan VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon en aan Rio+20-conferentievoorzitter Sha Zukang om hun verbijstering uit te drukken over het feit dat verwijzingen naar mensenrechten en rechtvaardigheidsprincipes tussen haakjes werden geplaatst of helemaal geschrapt.

‘Rio+20 of Rio-20?’: onder die provocerende titel publiceerden enkele ex-milieuministers van Brazilië en prominente experts een manifest waarin ze hun bezorgdheid uitdrukken omtrent de komende top. Ze vrezen dat die een terugval kan betekenen tegenover de vorige conferenties. De auteurs uiten ook kritiek op hun eigen regering in verband met de versoepeling van de boswet.

Ook onze administratie heeft er geen goed oog in. Renata Vandeputte van de FOD Ontwikkelingssamenwerking: ‘Men gaat uit van de veronderstelling dat die groene economie leidt tot armoedebestrijding, wat helemaal niet zo zeker is. Zoals het proces nu loopt, lijkt het vooral een zaak te worden van multinationals en regeringen die niet per se aan de ontwikkeling en het welzijn van hun bevolking denken.’ Volgens Vandeputte is de overheid te zeer bezig met het afwentelen van haar verantwoordelijkheid en het overdragen van de ontwikkelingshulp aan de privésector, onder de noemer van “innovative financing”. ‘De verdere neoliberalisering van de ontwikkelingsagenda’ noemt ze dat.

Volgens Nadine Gouzée, die op het Federaal Planbureau al jaren het thema duurzame ontwikkeling opvolgt, zou Rio+20 een mislukking zijn als de groene economie wordt overgelaten aan multinationals en overheden, zonder betrokkenheid van de civiele samenleving. Ze vreest ook dat de stem van de private sector en de multinationals veel meer zal doorwegen dan die van de regeringen. ‘Als Rio+20 een Davos bis wordt, dan zijn we heel ver verwijderd van de conferentie van twintig jaar geleden, toen regeringsleiders nog echt een stem hadden.’

Ze verzekert dat de Belgische delegatie de sociale dimensie zal blijven benadrukken. Groene banen en waardig werk, daar wil België voor gaan. ‘We willen geen working poor of groene jobs zonder sociale bescherming’, aldus Gouzée, die stelt dat het helemaal niet vanzelfsprekend is om dit te verdedigen. Positief nieuws is volgens haar dat dit standpunt de steun krijgt van landen in ontwikkeling, die steeds meer doorwegen in de onderhandelingen. ‘Die opkomende landen zijn de armoede ontgroeid en zijn zich bewust van het belang van sociale bescherming’, aldus Gouzée. ‘Tot 2002 had Europa beslist het leiderschap wanneer het ging over duurzame ontwikkeling, vandaag is het vooral Brazilië dat zich positioneert.’

Duurzame ontwikkelingsdoelen

In de hele discussie op weg naar Rio+20 werd vanuit het Zuiden een duidelijk alternatief gelanceerd. Colombia en Guatemala stellen voor om in Rio doelen voor duurzame ontwikkeling af te spreken die in 2015 de Millenniumontwikkelingsdoelen (MDG) moeten vervangen.

De grote krachtlijnen voor zo’n set doelstellingen zijn armoedebestrijding, ecologische duurzaamheid en duurzame consumptie en productie.

Concreet vertaald moeten die doelstellingen betrekking hebben op voedselzekerheid, het recht op water, gezondheidszorg en onderwijs, toegang tot energie, duurzaam beheer van zeeën en oceanen, ontbossing en verwoestijning tegengaan, aandacht voor gender gelijkheid en het wegwerken van de ongelijkheid tussen rijk en arm.

Deze doelstellingen moeten ook rekening houden met de veranderende context van ecologische, sociale en financiële crisis. Uitdagingen van de toekomst en aspecten waarmee rekening moet gehouden worden, zijn klimaatwijziging, bestendigheid tegen rampen, energiezekerheid, Zuid-Zuid samenwerking, innovatieve financiering, technologische vernieuwing.

De concrete uitwerking van die doelen is wellicht voor na de conferentie. Belangrijk is ook dat die lancering gepaard gaan met een grondige evaluatie van hoe de millenniumdoelen gewerkt hebben en hoe de toepassing kan verbeterd worden.

Wat deze doelen voor elk land inhouden, moet later concreet gemaakt worden in specifieke doelstellingen en duidelijke meetinstrumenten.

Aansluitend lanceerde de Sri Lankaanse wetenschapper Mohan Monasinghe de ‘millenniumconsumptiedoelen’. Terwijl de MDG’s vooral op het Zuiden gericht zijn, wil het Zuiden dat er maatregelen komen die vooral op het Noorden focussen, om daar verspilling tegen te gaan. Het voorstel lijkt gehoor te krijgen binnen de VN, waar eerder al over duurzame productie en consumptie werd gesproken. Afwachten of het effectief kan doorbreken. Europa, en ook ons land, zijn daar zeker voor gewonnen. Het zou ook de Noord-Zuidkloof binnen de VN-onderhandelingen een stap kleiner kunnen maken.

Lees ook het interview over Rio+20 met Judith Kirton-Darling (ETUC)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.