De groeiende wereldconsumptie test mens en milieu

Alle consumenten op deze planeet geven samen per jaar 24.000 miljard dollar uit. Dat is zesmaal zoveel als in 1950 en zestienmaal zoveel als in 1900. Die verbruiksstijging is echter zéér ongelijk verdeeld en veroorzaakt stilaan een grote milieucrisis, aldus de VN-ontwikkelingsorganisatie in haar recent verschenen rapport.
Eerst het goede nieuws. Zonder de stijging van de wereldconsumptie was de vooruitgang van de menselijke ontwikkeling in vele landen niet mogelijk geweest. Neem nu de gezondheidszorg. Miljoenen mensen die vroeger hun drinkwater uit vijvers of rivieren haalden, hebben nu toegang tot een veilige waterbron. Een ander aspect is de snelle evolutie op geneeskundig vlak: door belangrijke, wetenschappelijke ontdekkingen is de levensverwachting enorm gestegen. Ook het scholingsniveau is er de jongste 35 jaar op vooruitgegaan: dubbel zoveel studenten schrijven zich in op scholen en de ongeletterdheid van volwassenen is sinds 1970 met 22% gedaald. Een andere verbetering die het UNDP (United Nations Development Programme) onder de noemer van consumptiegroei plaatst, is het feit dat steeds meer mensen toegang hebben tot energiebronnen zoals elektriciteit. Koken, verwarmen en verlichten gaat nu in vele huishoudens een stuk gemakkelijker. En dan is er nog de uitbreiding van de transportmogelijkheden. Steeds meer kinderen kunnen vanuit hun afgelegen dorp de school bereiken dankzij een betere regeling van het openbaar vervoer. De grotere mobiliteit is ook van belang voor volwassenen die nu veel sneller werk vinden.

Niet iedereen profiteert mee

‘Toch is de link tussen consumptie en menselijke ontwikkeling niet automatisch en ook niet altijd positief’, zegt het UNDP. Eerst en vooral heeft deze groei de kloof tussen arm en rijk enorm vergroot. Zo is de verbruiksexplosie grotendeels voorbijgegaan aan de armste twintig procent van de wereldbevolking. Het aandeel van die groep in de wereldconsumptie bedraagt amper 1,3 procent, terwijl de rijkste twintig procent verantwoordelijk is voor 86 procent van het wereldverbruik. Niet iedereen kon dus meeprofiteren van de consumptiegroei. Sommigen gingen er zelfs op achteruit. Het doorsnee Afrikaans gezin verbruikt vandaag twintig procent minder dan een kwarteeuw geleden. Maar ook in de rijke landen heerst er grote armoede. Uit een onderzoek van het UNDP-team blijkt dat 12,4 procent van de Belgische bevolking in armoede leeft. Groot-Brittannië en Ierland scoren met 15% armen slechter, terwijl Zweden met 6,8% het minste armen telt. Deze cijfers werden berekend op basis van gegevens over analfabetisme, inkomensarmoede, langdurige werkloosheid en sterfte vóór de leeftijd van zestig. Deze benadering van armoede bevestigt wat ook uit vorige UNDP-rapporten bleek, namelijk dat het land met de hoogste inkomens niet noodzakelijk ook het land is met de minste armen. Zo beschouwt het UNDP de Verenigde Staten als armste land onder de industrielanden, ook al kennen ze het hoogste inkomen per inwoner.

De rijke vervuilt, de arme betaalt

Een ander kwalijk gevolg van de snelle consumptiegroei is de toenemende milieuvervuiling. Het grote probleem, zegt het UNDP, vormen niet zozeer de niet-hernieuwbare grondstoffen zoals olie en mineralen, maar wel de hernieuwbare reservebronnen zoals bijvoorbeeld water, lucht, bossen en vis. De reserves aan brandstoffen geraken nog niet direct uitgeput, zoals men vroeger vreesde, maar het verbruik ervan doet gassen vrijkomen die het ecosysteem veranderen. Onder meer daardoor gaat de kwaliteit van de hernieuwbare bronnen er snel op achteruit. Opnieuw is er sprake van ongelijkheid, vindt het UNDP, want ‘de beschadiging van het milieu treft diegenen die in armoede leven bijna altijd het hardst.’ De vervuiling van de rivieren geeft zowel in de industrielanden als in de ontwikkelingslanden redenen tot bezorgdheid, maar de effecten van die vervuiling in de industrielanden lijken eerder beperkt, vergeleken met de wijdverspreide ziekten die ontstaan in de arme landen. Diarree, dysenterie, wormziekten en hepatitis zijn er veel voorkomende aandoeningen. Als iedereen toegang zou hebben tot gezuiverd water en als het afvalwater overal via rioleringsbuizen zou wegstromen, dan zouden twee miljoen levens gered worden, schat het UNDP. Gelijkaardige redeneringen gelden voor luchtvervuiling, voor vervuiling door huisafval en industrieel afval, voor verminderde productiviteit van de grond, voor ontbossing en voor verlies van biodiversiteit. Ook als het gaat om milieuproblemen die verder reiken dan de nationale grenzen, zijn de armen de grootste slachtoffers. Een goed voorbeeld vormt de opwarming van de planeet door de uitstoot van koolstofdioxide en andere gassen. Hoewel de industriële wereld verantwoordelijk is voor de grootste hoeveelheid schadelijke gassen, zullen vooral de ontwikkelingslanden het hardst te lijden hebben onder mislukte oogsten, toenemende watertekorten en zware overstromingen als gevolg van drastische klimaatveranderingen. Volgens bepaalde prognoses zullen Europa en Canada in de toekomst meer regen krijgen terwijl de periodes van droogte in Afrika, Zuid-Azië en Latijns-Amerika nog langer zullen duren.

Geen doemdenken

Stevent de mensheid dan langzaam af op de dag des oordeels ? ‘Ja en nee’, zegt het UNDP. ‘De toekomst ziet er somber uit als we voortdoen zoals we nu bezig zijn. Maar de alternatieven bestaan en we kunnen de toekomst sturen door middel van doeltreffende afspraken, een groot gevoel van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en belangrijke veranderingen in beleid, gewoonten en maatstaven.’ Het UNDP pleit niet voor een drastische beperking van de groei. Integendeel. ‘De consumptie van meer dan een miljard mensen moet toenemen’, zegt de organisatie. ‘Sommigen suggereren dat de ontwikkelingslanden hun consumptie moeten beperken om de milieuvervuiling te beperken. Maar dit betekent dat de schrijnende armoede ook de volgende generaties zal treffen.’ Het UNDP raadt de ontwikkelingslanden echter aan om het industrialisatieproces van de rijke landen niet te kopiëren. ‘Door de sprong te maken naar verantwoorde consumptiepatronen en productietechnieken, kunnen de arme landen hun consumptiegroei en socio-economische ontwikkeling versnellen zonder de enorme milieukosten.’ In het rapport gaat het in deze context voortdurend over ‘leapfrogging’ wat zoveel betekent als ‘bokspringen’. Een makkelijke opdracht voor de sportiefste van de klas. Maar wie bepaalt hoe hoog de bok staat en wie helpt de houterige leerlingen over het obstakel?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2623   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift