Dossier: 

De identiteit van jonge allochtonen

Ik ben 20 in 2013

Hoe zien allochtone jongeren zichzelf en hoe situeren zij zich in de maatschappij? MO* vroeg het aan vijf Mechelse twintigers met buitenlandse roots. Anurag, Karim, Liana, Frederik en Roeland werden geboren rond Zwarte Zondag, beleefden hun tienerjaren na 9/11 en dromen nu over de toekomst. Een zestal experts kaderen hun ervaringen.

  • Lisa Develtere Liana: 'Ik zal mijn kinderen later ook christelijk opvoeden.' Lisa Develtere
  • Lisa Develtere Frederik: 'Later wil ik met een Assyrisch meisje trouwen.' Lisa Develtere
  • Lisa Develtere Roeland: 'Ik voel met niet direct aangevallen als ik het woord allochtoon hoor.' Lisa Develtere
  • Lisa Develtere Karim: 'Als je opkomt voor je land, toon je dat Marokkanen gewone en toffe mensen zijn.' Lisa Develtere
  • Lisa Develtere Anurag: 'Ik ken het gevoel te behoren tot een land niet. Ik voel me op de eerste plaats mens en ik behoor tot de wereld.' Lisa Develtere
Twintig jaar na de oprichting van PRISMA, de Provinciale Integratiedienst van de Provincie Antwerpen, en van het Centrum voor de Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, blijft integratie van jongeren met buitenlandse roots een actueel thema. MO* portretteert vijf jongeren uit Mechelen, geen grootstad maar wel een zeer diverse samenlevingsplek.

Anurag Suri (20), Karim El-Ouali (22), Liana Davtyan (20), Frederik Kucam (21) en Roeland Quarcoo (19) zijn allemaal in Mechelen geboren of er op heel jonge leeftijd komen wonen. En daar zijn ze erg blij mee. ‘Het leven in België is aangenaam. Er is veel mogelijk op het vlak van onderwijs, loopbaan en gezondheidszorg. De Belgische samenleving is vrij vreedzaam’, zegt Frederik, geboren en getogen in Mechelen. ‘In België heb je bovendien de kans om met mensen van verschillende afkomst om te gaan, andere visies te ontdekken en je wereld te verruimen’, zegt Anurag. Ook Karim vindt dat een voordeel: ‘Hier krijg je de unieke kans om de wereld te ontmoeten, in mijn wijk, op school.. Maar je hebt ook de mogelijkheid om de wereld te bezoeken en te ontdekken. Met mijn Belgische paspoort kan ik overal naartoe zonder al te veel problemen.’

Wie ben ik?

Frederik: ‘Ik ben Assyriër.’

Liana: ‘Ik ben een Belgisch-Armeense.’

Karim: ‘Ik ben Marokkaan.’

Roeland: ‘Ik ben Ghanees.’

Anurag: ‘Ik kom uit India.’

Het behoren tot een etnische groep of tot een land van herkomst is voor minstens vier van de vijf jongeren enorm belangrijk. Tegelijk zeggen ze allemaal dat ze heel veel “Belgisch” in zich dragen. Ze zien zichzelf als het resultaat van minstens twee grote culturen, de Belgische waarbinnen ze opgegroeid zijn en de cultuur waartoe hun ouders behoren.

Als hij in het buitenland is, zegt Frederik dat hij uit België komt en voegt eraan toe –indien nodig– dat hij van Turkije afkomstig is. Maar verwijzen naar zijn Assyrische afkomst doet hij niet. ‘Anders wordt het te ingewikkeld.’

‘Ik ben een Belg afkomstig uit Armenië’, is Liana’s standaardantwoord in het buitenland. Roeland zegt dan weer ‘Ik ben van België maar ik ben van Ghanese afkomst’, terwijl Anurag en Karim blijven verwijzen naar hun land van herkomst.

‘Ik ben Marokkaan’, antwoordde Karim toen Britse toeristen in Italië naar zijn afkomst vroegen. ‘Ik krijg daar altijd positieve reacties op in het buitenland. Dan zeggen ze: “Oh! We zijn in Marokko geweest en dat is een heel mooi land” of iets in die stijl. Ik vind het onze taak om het beeld dat heerst over Marokkanen te corrigeren. Als je opkomt voor je afkomst dan toon je dat Marokkanen gewone en toffe mensen zijn, niet enkel delinquenten.’

Ook Liana en Frederik zijn trots op respectievelijk het Armeense en het Assyrische volk. Liana: ‘Armeniërs zijn de hele geschiedenis moedig geweest en ondanks de oorlogen en de vervolgingen hielden ze stand.’ Alleen Anurag gelooft niet in zoiets als een vaderland: ‘Ik zeg altijd en overal dat ik uit India kom gewoon omdat ik er geboren ben. Maar ik ken het gevoel te behoren tot een land niet. Ik voel me op de eerste plaats mens en ik behoor tot de wereld.’

Ben ik allochtoon?

‘Over het algemeen voel ik me Belg en meestal word ik ook zo gezien. Ik voel me niet direct aangesproken door het woord allochtoon’, zegt Liana. Frederik wel: ‘Het is meestal negatief maar ik maak me daar niet druk over. Dat heeft geen zin.’

‘Ik voel me aangesproken door het woord allochtoon en ik bèn ook allochtoon’, zegt Karim. ‘Het zijn de negatieve connotaties die me dwarszitten, niet zozeer het woord.’

‘Ik voel me niet direct aangevallen als ik het woord allochtoon hoor’, zegt Roeland. ‘Ik luister eerst. Ik maak me nu veel minder druk over negatieve commentaar en ga veel minder in de verdediging dan vroeger. Dat komt misschien doordat ik intussen wat ouder ben.’

Anurag zegt dat hij overal allochtoon is. ‘In India ook. Ze denken altijd dat ik uit Groot-Brittannië of Ierland kom. In België word ik vaak gezien als Marokkaan, vanwege mijn huidskleur en mijn zwarte haar. En ik heb daar geen probleem mee. Integendeel. Meestal laat ik dat zo. Soms zeg ik zelf dat ik Marokkaan ben. Op die manier sta ik sterk. Wanneer de tegenpartij ontdekt dat ik geen Marokkaan ben, is de verrassing groot. En zo haal ik gemakkelijk mijn gelijk.’

Ben ik gelovig?

‘Het christelijke geloof is een zeer belangrijk aspect in mijn leven. Ik ben ook praktiserend en zal later mijn kinderen ook christelijk opvoeden’, zegt Liana. Ook Frederik noemt zichzelf gelovig: ‘Religie is drager van veel belangrijke waarden zoals eerlijk zijn, niet stelen, niet liegen, niet drinken…’ Roeland is als christen opgevoed ‘en wil het zo houden’.

Karim is moslim en zegt heel gehecht te zijn aan zijn religie. ‘Voor mij zijn de vijf zuilen van de islam het belangrijkste. Ik zoek de details niet op. Ik ga niet alles te letterlijk in mijn leven toepassen.’ Anurags ouders zijn hindoes. Zelf ziet hij zich zowel hindoeïstisch als moslim als christen. ‘In het hindoeïsme is vertrouwen de belangrijkste waarde. In de islam is dat broederschap en in het christendom is het liefde. Ik wil niet voor één van deze waarden kiezen. Ik wil ze alle drie.’

Wanneer wist ik wie ik was?

‘Als kind was mijn kennis over Marokko beperkt. Voor mij was dat de plaats waar we elk jaar op vakantie gingen. Niet bepaald een interessante plek. Pas in het tweede middelbaar voelde ik me voor het eerst geen “echte Belg”. Door wat ik op school hoorde, wilde ik soms mijn koffers pakken en naar mijn Marokko vertrekken. Op dat moment ben ik me beginnen interesseren voor de geschiedenis van Marokko. In die periode ontdekte ik dat ik echt Marokkaan was. Later, door zelf in Marokko te reizen, heb ik ontdekt hoe mooi het land is en dat heeft mijn identiteit als Marokkaan versterkt.’

‘Ik ben slechts drie keer in Armenië geweest en zie het niet zitten om daar ooit te gaan wonen’, zegt Liana. ‘Ik weet wel veel over het land. Ik heb zes jaar lang op zaterdagvoormiddag les gehad om de Armeense taal en cultuur te leren. Dat heeft mijn identiteit versterkt en me trotster gemaakt op mijn afkomst. Ik vind het belangrijk en mooi dat mensen ook een stuk van hun cultuur behouden.’

Frederik is nog nooit in de streek geweest waar zijn ouders van afkomstig zijn. Ook in Turkije was hij nog nooit. ‘Dat ik Assyriër ben, is gewoon zo. Ik wil het zo houden –al zit er heel veel in mij dat Belgisch is. Ik wil later met een Assyrisch meisje trouwen.’

‘Ik ben slechts drie keer in Ghana geweest’, zegt Roeland. ‘Wat me in mijn afkomst aantrekt, is vooral de positieve ingesteldheid van de Ghanezen en van de Afrikanen in het algemeen. Ook al hebben ze het moeilijk, ook al gaat het niet goed, toch blijven ze opnieuw proberen en blijven ze altijd lachen.’

Liana, Frederik, Karim en Roeland vinden familiebanden en solidariteit de grootste troeven in de cultuur van afkomst. En dat mag niet veranderen, vinden ze. Anurag blijft trouw aan zijn keuze om altijd en overal de “derde persoon” te zijn. Hij gaat elk jaar naar India. Toch bekijkt hij de zaken vanop een afstand.

Anurag: ‘Familie is ook belangrijk bij ons. Dat is het geval in alle oosterse en zuiderse landen –en dat heeft voor een groot deel te maken met het feit dat je daar je familie echt nodig hebt. Je hebt hun solidariteit en hun hulp nodig. Hier kun je vrij vroeg onafhankelijk worden en op je eigen benen staan. Daarom is familie hier minder belangrijk.’

En de toekomst?

‘Ik begin aan een opleiding in de salessector. Ik zie mijn leven niet buiten België en zeker niet buiten Europa’, zegt Frederik. Roeland studeert dit jaar af als kok en zou heel graag iets willen doen met zijn Ghanese roots. Een eigen restaurant met Afrikaanse specialiteiten is zijn droom. En aangezien het in België heel moeilijk is om een zaak op te starten en vooral overeind te houden, sluit hij niet uit dat hij op een dag naar Ghana trekt om die droom waar te maken.

Karim gaat naar de VS op uitwisseling. ‘Als binnenhuisarchitect is het niet voor de hand liggend een job te vinden met genoeg ruimte voor creativiteit’, zegt hij. Zijn droom is daarom om in landen als Qatar, Singapore of Dubai –waar budget geen punt is– een kans te krijgen om verder in zijn beroep te groeien. Anurag wil fiscaliteit of criminologie studeren. Als je de wetten goed kent, kun je je voordeel eruit halen, vindt hij.

Liana gaat resoluut voor haar oorspronkelijke droom: advocaat worden. Dit academiejaar vat ze haar rechtenstudies aan.

‘Ik denk dat een generatie op komst is die gaat bewijzen dat we ook normale mensen zijn,’ besluit Karim, ‘en dat we gewoon zuurstof willen om te overleven, dat we allemaal hetzelfde willen, de economie van België beter maken en zelf gelukkig zijn.’

Identiteitsexperts

Jan Zienkowski doctoreerde aan de Universiteit Antwerpen over identificatieprocessen en wereldbeelden van activisten en intellectuelen met een Marokkaanse achtergrond.

Amy-Jane Gielen leidt A.G. Advies, een bureau voor onderzoek en advies op het vlak van jeugd, welzijn en integratie. Gielen is ook betrokken bij het Europese Radicalisation Awareness Network.

Ico Maly is coördinator van Kifkif, de interculturele beweging die strijdt voor gelijkheid en tegen racisme.

Nadia Fadil is docente aan de vakgroep antropologie van de KU Leuven. Ze doctoreerde over religieuze kaders bij de tweede generatie Maghrebijnen.

Dirk Kops is directeur van de Technische School Mechelen, afdeling deeltijds en volwassenenonderwijs.

Kris Cleiren is directeur van de Provinciale Integratiedienst van de Provincie Antwerpen (Prisma).

‘Ik ben een moslim’

‘Allochtonen van de tweede en derde generatie, dat zijn mensen van hier, in onze samenleving geboren en getogen. Ze hebben op dezelfde scholen gezeten en hebben daar meer uren doorgebracht dan in de moskee, als ze al naar de moskee gaan. De meesten kennen nauwelijks nog Arabisch maar kijken wel naar TMF, MTV of andere Nederlandstalige zenders.’ Over dat uitgangspunt van Jan Zienkowski bestaat weinig discussie. Wat is dan de identiteit van die jongeren?

‘Als we daarover spreken, is het belangrijk een onderscheid te maken tussen het “zelf” en de identiteit of meerdere identiteiten van een individu’, stelt Zienkowski. ‘Op de vraag “Wat is uw identiteit?” verwacht men als antwoord “Marokkaan” of “Vlaming” of “moslim” of “boeddhist”. Maar tegelijk is die persoon vader of moeder of bediende of politicus. Een persoon heeft vele identiteiten die je maken tot wie je bent. Het geheel daarvan is het “zelf”, en dat is gestoeld op een gevoel van coherentie. Wanneer dat gevoel van coherentie niet meer ervaren wordt, of wanneer er bepaalde identiteitsaspecten die je heel erg waardeert ondermijnd worden in specifieke contexten, dan ontstaan er problemen.’

Allochtone jongeren worden systematisch aangesproken op slechts één aspect van hun zelfbeeld –met name het moslim zijn– en dat wekt frustraties op.

Een van de jongeren die Zienkowski interviewde, herinnert zich volgend voorval van toen hij vijftien was: de klas maakte kabaal en de leraar vroeg om stilte. ‘Kan dit niet wat minder?’ Vervolgens richtte de leraar zich specifiek tot die ene jongere: ‘Mag dat wel van uw profeet?’ Zienkowski: ‘Die jongen werd steevast op basis van andere criteria geëvalueerd, gebaseerd op dat specifieke aspect van zijn identiteit, terwijl dat in de context totaal irrelevant was. Zo’n opstelling leidt tot spanningen. Het gaat om een gevoel van miskenning en dat heeft een emotionele impact. Dan zijn er twee reacties mogelijk: je sluit je af of je probeert met die frustratie iets positiefs te doen om zo betekenis te geven aan die ervaring. Politiek bewustzijn wordt heel vaak via zo’n emotionele interacties getriggerd als een respons op de manier waarop de jongeren aangesproken werden door autoritaire figuren, vaak leerkrachten, of de media. Dikwijls is het effect niet meteen zichtbaar en maken deze personen eerst een crisisperiode door. Soms beginnen ze te zoeken en dan kan je om het even waar uitkomen: bij Sharia4Belgium, bij een gevestigde politieke partij of een ander engagement. Of eventueel naar Syrië vertrekken.’

Vooral sinds 9/11 is die identificatie van allochtoon met islam doorgebroken. Amy-Jane Gielen: ‘Tot 2001 hadden we het over etniciteit en minderheden en de problematiek die daarmee gepaard ging. Na 9/11 werden de mensen niet meer gezien als Nederlander of Marokkaan of Fatima, maar als moslim of niet-moslim.’ Ook mensen die helemaal niet bezig waren met religie zijn zich onder invloed van het maatschappelijk debat toch gaan buigen over die islam om te weten waar die dan precies over gaat.

Ook Nadia Fadil ziet 9/11 als een keerpunt: ‘De “clash of civilizations” is ouder dan 11 september, maar die datum creëerde wel een cesuur in het bewustzijn in de samenleving. In de jaren tachtig ging het debat over “de migranten als profiteurs van de sociale zekerheid”, vandaag gaat het over de islam.’ De media hebben dat proces volgens Fadil nog eens extra gestimuleerd door de representatie van de islam te polariseren.

Kinderen van de wereld

Er is niet alleen 11 september. Zowel autochtone als allochtone jongeren zijn kind van de globalisering. Ze bouwen hun identiteit op met elementen die zowel lokaal als globaal zijn. Ico Maly: ‘Er is een hele waaier van subculturen gegroeid die globaal georganiseerd zijn. Autochtone jongeren die skater zijn, richten zich niet op hun buurjongen maar op een globale skaterscultuur die een bepaalde mode aanhangt. Er is ook een gecommercialiseerde moslimmode, zoek maar eens op YouTube naar hijabistas (van hijab en fashionista, adw) en je krijgt een waaier modieus geklede moslima’s. Die beelden worden bekeken door jongeren uit Dadizele, maar ook uit Londen, Pakistan en Afghanistan.’

Veel meer dan de generatie die nu veertig is, bouwen ze hun referentiekader op met elementen uit de grote wereld. Nadia Fadil: ‘Jongeren staan veel meer in contact met de internationale gemeenschap, via internet en sociale netwerken. Ze lezen vlotter Engels, hebben andere informatiekanalen en dat heeft een impact. De gebeurtenissen in Egypte of Syrië vinden bij die jongeren een grotere internationale weerklank, precies omdat ze ook van jongs af met die internationale dimensie geconfronteerd zijn en erop aangesproken worden sinds 9/11.’ Die globalisering speelt niet alleen in de identiteitsopbouw van de jongeren. Ze heeft ook onze eigen samenleving veranderd.

Amy-Jane Gielen: ‘Overal in Europa zien we een polarisering tussen bevolkingsgroepen ontstaan, België en Nederland vormen daarop geen uitzondering. Het is niet zo dat enkel de moslims radicaliseerden. We zien een grotere verrechtsing van de samenleving, onder invloed van rechtse politieke partijen en politieke figuren: in Nederland is dat Geert Wilders, in Vlaanderen het Vlaams Belang en N-VA. Het gaat om een actie-reactieverschijnsel. De globalisering heeft de samenleving multicultureler gemaakt en het feit dat mensen plots beseffen dat ze zich situeren in één grote wereld, roept identiteitsvragen op. Wie ben ik? Waar hoor ik bij? Hoor ik bij een land? Een groep? Mensen gaan zich positioneren, standpunten innemen. Daar bovenop komt de economische crisis. Het fenomeen wat men in Nederland het “multiculturele onbehagen” noemt, bestaat al langer, maar de crisis komt daar bovenop en veroorzaakt nog meer gevoelens van onzekerheid.’

Radicalisering

Radicalisering en polarisering verklaren echter nog niet waarom jonge mensen naar Syrië vertrekken. De zoektocht naar een eigen identiteit is wat alle jongeren meemaken. Belangrijk is echter dat jongeren in die zoektocht goed begeleid worden. Amy Jane Gielen stelde in haar onderzoek vast dat er bij de meeste geradicaliseerde jongeren –zowel links als rechts, allochtoon of autochtoon– heel wat fout liep in die zoektocht.

Een groep jonge moslimmeisjes zette zich af tegen de cultuur van hun ouders, omdat ze die te verknechtend vinden. Ze voelen zich aangesproken door de “ware islam” omdat ze daarin een emancipatiebeweging zien. Omdat ze geen Arabisch kennen, vallen ze terug op vertalingen op het internet. Er zijn echter meer radicale teksten vertaald dan gematigde en jongeren die op zoek zijn, zijn vatbaar voor dat aanbod.

Gielen: ‘Dat ze hun zingeving zoeken buiten onze samenleving, hoeft niet te verbazen. Er zijn heel weinig mensen die hen kunnen begeleiden in dat proces, die hun specifieke problemen en hun worsteling begrijpen.’ Een geradicaliseerde, extremistische minderheid vertaalt die “ware islam” in een gewapende jihad, bijvoorbeeld in Syrië, terwijl heel wat jongeren van vreemde origine wel hun weg vinden in onze samenleving. Steeds meer volgen universitair onderwijs, wat hen de mogelijkheid geeft om hun ervaringen te kaderen en systematisch te reflecteren over hun situatie. Ze leren theoretisch na te denken over racisme, discriminatie en integratie, wat belangrijk is voor hun identiteitsontwikkeling maar ook voor hun politiek bewustzijn. Toch vinden verschillende experts het ook belangrijk dat de voedingsbodem voor radicalisering wordt weggenomen: allochtone jongeren met een diploma, die heel erg hun best doen maar geen job vinden omdat ze de foute naam of huidskeur hebben –dat werkt frustrerend. Nadia Fadil: ‘Veel jongeren zijn de discriminatie kotsbeu. Ze willen daar niet langer mee geconfronteerd worden. Ze weten niet of ze voor zichzelf nog een toekomst zien in dit land en dat is zorgwekkend.’

Superdiversiteit

Voor het eerst leven we in een samenleving van superdiversiteit: Gent telt 170 nationaliteiten, Brussel 184, Antwerpen 179 en België 195. Die mensen verschillen allemaal van elkaar, niet alleen wat betreft hun taal of herkomst maar ook wat betreft hun culturele en historische achtergrond, toekomstprojecten en verwachtingspatronen. Niet alleen is er de superdiversiteit, de samenleving verandert ook voortdurend, op alle vlakken, en dat brengt conflicten mee.

De veranderingen voltrekken zich bovendien niet alleen in de grote steden maar ook in kleine gemeenten. Hoe ga je als lokaal bestuur om met nieuwe groepen en hoe coach je het samenleven? Kris Cleiren, directeur van Prisma: ‘We moeten veel meer bezig zijn met die permanente verandering en de nodige flexibiliteit aan de dag leggen om daarmee om te gaan. Zingeving en levensbeschouwing hoeven daarbij niet weggemoffeld te worden, dat is een rijkdom die we niet als bedreigend hoeven te ervaren.’

Wat het ook behoorlijk complex maakt, is dat die veranderingen niet te vatten zijn binnen nationale grenzen, terwijl de instellingen en het beleid wel gericht zijn op die nationale entiteiten. Moet Europa dit oplossen? Wellicht niet, want het scepticisme ten aanzien van Europa groeit, terwijl ook de instellingen en politieke partijen hun geloofwaardigheid verliezen. Amy Jane Gielen: ‘We zien dat mensen steeds meer tegenover elkaar komen te staan in plaats van met elkaar te leven. Het “ik” wordt belangrijker dan het collectief, en dat is een tikkende tijdbom. Het maatschappelijk onbehagen is zeer groot.’

We missen volgens Gielen de kennis en de competenties om om te gaan met die diverse groepen die deel uitmaken van onze samenleving, een proces dat de VS volgens haar al achter zich hebben liggen. Die samenleving van morgen gestalte geven en leefbaar maken, is daarom een verantwoordelijkheid van iedereen, op elk niveau, zo stelt elk van de deskundigen. De democratische weg is de enige optie om te komen tot een samenleving gebaseerd op gelijke rechten voor iedereen, gelijkheid in verscheidenheid.

Prisma vzw organiseert samen met MO* op donderdag 10/10 een debat over identiteitsvorming bij jonge allochtonen. Iedereen van harte welkom.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift