Dossier: 

De integratiedienst als labo voor samenleven in diversiteit

Niet alleen de steden maar elke gemeente staat vandaag voor de opdracht om te leren samenleven met groepen van vreemde origine. Kris Cleiren, directeur van Prisma, de Provinciale Integratiedienst van de provincie Antwerpen,  benadrukt daarbij het belang van ontmoeting om te weten wat de verwachtingen zijn langs weerskanten.  Om met de permanent veranderende stromen van nieuwkomers om te gaan, bestaat geen blauwdruk. Daarom pleit Cleiren ervoor dat integratiediensten voldoende ruimte krijgen om te experimenteren met nieuwe vormen.

  • Prisma Kris Cleiren. Prisma

In de provincie Antwerpen – de stad buiten beschouwing gelaten- is 14 procent van de bevolking van vreemde origine. Voor Antwerpen stad is dat 43 procent. Die instroom is voor de provincie heel divers: een grote groep komt uit Nederland,  uit Noordwest-Europa (Polen, Bulgarije, Roemenië) en uit de Magreb-landen.

Zijn dat mensen die blijven of tijdelijke migranten?

Kris Cleiren: Er zijn heel wat mensen die hopen te kunnen blijven. Polen bijvoorbeeld keren terug omdat het in hun land wat beter gaat. Van Aziatische mensen horen we vaak dat ze hier zijn om een beroep te leren, waar ze dan in hun land een carrière mee willen uitbouwen. Er is seizoensarbeid die groepen mensen aantrekt om tijdelijk hier te zijn. Zo zie je van de ene dag op de andere een groep Portugezen neerstrijken in Herent of in Hoogstraten.

Er is dus een grote diversiteit. Werk is heel belangrijk, mensen komen om te werken, ze willen vooruit komen in het leven. Politieke vluchtelingen hebben dan weer geen keuze, zij komen om te blijven. De stromen weerspiegelen ook de golfbewegingen in de internationale politiek. Je kan de problemen van de wereld aflezen in onze onthaalbureaus. Nu komen er vooral Syriërs, ook Egyptenaren melden zich aan, terwijl het aantal van Afghanen en Irakezen afneemt.

Wat verwachten die mensen van onze samenleving?

Kris Cleiren: Hoe diverser de groep, hoe diverser het antwoord is. Ze komen met hoge verwachtingen maar de werkelijkheid is minder rooskleurig dan voorgesteld in het land van herkomst en mensen haken af.

Inburgering is de eerste stap om hen wegwijs te maken in onze samenleving. Gedurende een aantal maanden volgen de trajectbegeleiders dan die mensen. Ze krijgen een cursus maatschappelijke oriëntering, leren een mondje Nederlands, worden naar VDAB geleid en dan stopt het dossier.

Ze hebben dan hun attest behaald maar wat betekent dit om zelfredzaam te zijn in deze wereld? De terugslag komt nadien. Hoe ze die kunnen opvangen, hangt vaak af van de lokale gemeenschap, het netwerk waarin ze terecht komen of de familiebanden. Vaak loopt het hier helemaal anders dan ze gedacht hebben. Je hebt mensen die in een zware depressie belanden. Vandaar dat sommigen ervoor pleiten om het integratietraject wat te spreiden in de tijd, om mensen langer te kunnen volgen.

Kunnen die groepen van diverse origine het met elkaar vinden?   

Kris Cleiren: De verschillende minderheden staan niet altijd zo positief tegenover elkaar.  Ze komen binnen in een samenleving die al erg divers is en alles wordt op een hoop gegooid. De redenen waarom mensen komen zijn divers — werk vinden, politieke redenen of pure armoede- maar men heeft geen oog voor de verschillen.

Er is ook afgunst tussen de groepen. Soms hoor je clichés als: “De Polen krijgen altijd werk, en wij, Bulgaren, niet.” Maar vaak heeft zoiets te maken met bilaterale verdragen die er zijn gesloten. Soms blijkt het ook heel moeilijk om zich in te leven in wat mensen die hier aanbelanden, hebben doorgemaakt, zoals de Syriërs bijvoorbeeld, ondanks de gruwelijke beelden die we op tv te zien krijgen.

Heeft het integratiebeleid voldoende aandacht voor die complexe problematiek?

Kris Cleiren: Het onthaalbeleid is niet slecht. Officieel heet het “inburgeringsbeleid”, dat aangeboden wordt via het “onthaalbureau”. Aan dat onthaalbureau proberen we effectief de mensen niet alleen te registreren en ervoor te zorgen dat ze een attest krijgen. Het is belangrijk dat een trajectbegeleider ook echt luistert naar de vragen die mensen meebrengen.

Van elke nieuwkomer moeten we een aantal gegevens verplicht ingeven en dat wordt dan centraal vanuit Brussel opgevolgd. Binnenkort zal dat allemaal gecentraliseerd worden in een Kruispuntbank Inburgering, maar dat systeem staat nog niet helemaal op punt.  Als je hier toekomt, wordt meteen heel wat informatie opgetekend, maar het is ook een vorm van zorg ten aanzien van die persoon. Anderzijds worden er wel eens vragen gesteld bij het aspect “privacy”;, zeker wanneer je al die gegevens gaat kruisen met de kruispuntbank “sociale zekerheid”.

In Nederland spreekt men niet meer over “integratie”.  Integreren, zo heet het daar, dat moeten mensen zelf doen. Je betaalt daar zelf voor jouw inschrijving en inburgeringstraject.

Kris Cleiren: In Vlaanderen geven we onze maatschappelijke oriënteringscursussen nog als een aanbod van de overheid. Ik zie dit niet als betuttelend maar als een vorm van kwaliteitszorg.

Ik denk dat dit de kracht is van de Vlaamse aanpak. Op die manier kan je nog echt contact hebben met de mensen. Als je dit overlaat aan de individuele keuze van de nieuwkomer, ziet hij dat misschien niet meteen als een prioriteit, terwijl het voor het goed functioneren van de samenleving essentieel is.

Ook de omgeving heeft een verantwoordelijkheid. Of we nu een individu zijn of een lokaal bestuur of een organisatie, we moeten de urgentie inzien van te leven met die diversiteit. Iedereen moet vanuit zijn stoel zijn verantwoordelijkheid opnemen. Als er Afghaanse jongeren neerstrijken in uw gemeente, praat ermee. Luister naar wat ze nodig hebben en probeer duidelijk te zeggen wat u van hen verwacht. Kijk eens wat een sportdienst of een jeugddienst kunnen doen.

Wat mij beangstigt is dat iedereen vindt dat hij of zij al genoeg inspanningen gedaan heeft. Misschien is een van de opdrachten van de  integratiecentra om aan die boom te blijven schudden en energie te mobiliseren om zo goed mogelijk te kunnen samenleven.

In het verleden verviel men te zeer in “politiek correct denken”. Tijd voor een andere aanpak, vinden sommigen.

Kris Cleiren: Dat is een moeilijke vraag. Ik zie effectief hoe positief ingestelde mensen het ook wel eens moeilijk hebben wanneer ze mensen van vreemde origine tegenkomen op de bus of in de tram. Het omgaan met de diversiteit die almaar meer divers wordt, is lastig. Het ritme van veranderingen ligt zo hoog dat veel mensen dat niet meer rond krijgen, en die groep mensen groeit.

Toch “ontsnapt”- in die termen wordt het gesteld- geen enkele gemeente nog aan een instroom van mensen van vreemde origine. Soms kloppen gemeenten bij ons aan om mee na te denken over een “preventieve aanpak”. Wanneer het goed loopt, vragen ze een cursus maatschappelijke oriëntatie. Belangrijk is ook  om vanaf het begin nieuwkomers te integreren in de lokale structuren.

Ik begrijp ook de bezorgdheid van die gemeentes. Met een groep seizoenarbeiders kan men nog wel leven maar als er een asielcentrum wordt neergepoot in uw gemeente, dat is niet niks. Het straatbeeld verandert, ze staan aan de bushalte, lopen rond in het dorp, gaan eens iets drinken. Omgaan met het onbekende is altijd moeilijk, en er wordt zo negatief over gesproken. Als sector bepalen wij al lang niet meer het beeld dat er leeft van die mensen.  

De media bepalen dat beeld?  

Kris Cleiren: Die hebben een belangrijke verantwoordelijkheid. Men slaagt er nog altijd niet in om het als een natuurlijke evolutie of verandering voor te stellen. Bepaalde politieke partijen spelen ook nog altijd in op de angst die er leeft onder de mensen. En dat is jammer. Elkaar ontmoeten is zo belangrijk. Het verbaast me vaak hoeveel mensen nooit contact hadden met mensen van andere origine.

Er is de voorbije jaren een polarisering gegroeid. Is die polarisering enkel een probleem van de moslimgemeenschap of van de nieuwkomers of leeft die ook in de onthalende samenleving?

Kris Cleiren: Zowel in de onthalende gemeenschap als in de verschillende groepen onderling staat men veel gespannener tegenover elkaar. De gespannen relatie tussen Polen en Bulgaren bijvoorbeeld. Of mensen van Marokkaanse origine zijn afgunstig op arbeiders die niet goed Nederlands kunnen en toch werk hebben. Iemand van Thaise origine vindt dat andere groepen hier te gemakkelijk binnen geraken. Ik denk dat de meeste mensen effectief de ervaring hebben dat er teveel zijn. “Ze pakken ons werk af”, is een politieke slogan die zo makkelijk ligt en die mensen makkelijk geloven.

Turkse en Marokkaanse jongeren ervaren effectief op de arbeidsmarkt dat ze uitgesloten worden. Racisme en discriminatie is een slechte film, die constant op de achtergrond draait. Jongeren die erin slagen om dat te relativeren, zeggen: “Ik studeer goed en benut de kansen die mij hier geboden worden.”  Zo zijn er heel wat. Het hangt ervan af hoe die jonge mensen die naar hier komen, zich opstellen.

Het liberale beleid zegt ook: “Grijp de kansen, we geven ze je toch.” Een deel slaagt daar ook in. Een aantal mensen hebben die vaardigheden niet, zij gaan gebukt onder de moeilijkheden en zien alleen het negatieve. Het verschil tussen jongeren die hun weg vinden en zij die hem niet vinden, heeft zowel met socio-economische als met culturele factoren te maken.

Welke rol speelt religie hierbij een rol?

Kris Cleiren: Inderdaad, dan kom je bij de islam uit en bij 9/11. Ook al proberen we open om te gaan met de islam, het is niet zo duidelijk hoe we anno 2013 in een geseculariseerde samenleving moeten omgaan met de verhouding kerk – staat. Hoe we moeten omgaan met taal. Wij moeten terug veel meer durven experimenteren met religie en taal: religie terug een plek geven, meertaligheid terug een plek geven. Daar is vaak zo’n krampachtig beleid over, om toch maar “neutraal” te zijn. Ik denk dat we in de toekomst veel meer met een open vizier tegenover elkaar moeten staan.

Wel met duidelijke richtlijnen en een kader tekenen, bijvoorbeeld de afspraak dat we hier Nederlands spreken, want anders verstaan we elkaar niet meer.  Als aan de bushalte iedereen zijn eigen taaltje spreekt, ontmoet je niet meer. Wij, als Vlaming, zijn al niet zo spraakzaam. Aan wie durf ik nog vragen of dit de juiste bus is. Maar laat daarnaast die meertaligheid groeien en bloeien.  

We moeten veel meer bezig zijn met verandering. Dat betekent ook dat het geworstel met de islam en de Marokkanen er over tien jaar heel anders uit kan zien. Behalve taal is ook zingeving belangrijk voor mensen. Je moet dat niet proberen weg te nemen, het is een rijkdom die mensen meedragen en daar komen hun waarden en normen uit. Ik denk dat het geen enkel probleem is om met mensen die een verschillende levensbeschouwing hebben een gesprek aan te gaan over waarden en normen. Het probleem stelt zich wanneer het geloof bedreigend wordt en aanzet tot geweld en aanslagen. Maar dat is geen correcte interpretatie van de islam.

In de radicaliseringsgolf kiezen jongeren voor de “ware” islam als een vorm van bevrijding en emancipatie.  Dan kom je wel verder van elkaar te staan.

Kris Cleiren: Daarom dat het identiteitsdebat zo belangrijk is. Het is vandaag, met de brede waaier aan mogelijkheden, veel moeilijker voor jongeren om de juiste keuzes te maken. Het probleem voor allochtone jongeren is vaak dat hun ouders niet mee zijn met de wereld waarin de jongeren opgroeien. De generatiekloof is heel groot. De jongeren missen vaak een rolmodel, vallen in een vacuüm en vinden moeilijker aansluiting. Ze gaan op zoek, onder andere via internet en identificeren zich met geradicaliseerde figuren. Dan denken ze dat dit identiteitsontwikkeling is. We willen inzetten op een opvoedingsproject, omdat we denken dat dit preventief werken is. We willen horen wat er leeft bij die jongeren en bij hun ouders.

Het verbaasde ons niet dat er jongeren naar Syrië vertrokken. Zowel autochtone als allochtone jongeren zoeken extreme groepen op als ze geen aansluiting meer vinden bij de samenleving, via onderwijs, werk of het verenigingsleven. Als puber zoeken die jongeren een ideaal, een rolmodel waaraan ze zich kunnen optrekken.

Hoe kan die situatie gecounterd worden?

Kris Cleiren: Je moet ervoor zorgen dat er opnieuw rolmodellen kunnen opstaan, ook uit de gemeenschap zelf. Een werking met jonge, allochtone jeugdwerkers is heel belangrijk. In de eigen gemeenschap moeten er mensen opstaan die het anders willen aanpakken, allochtonen die gestudeerd hebben en die een rol willen opnemen in de eigen gemeenschap.

Daarnaast willen we investeren in zoekende netwerken. Alles is in verandering en er zijn geen pasklare formules of antwoorden. Samen met de groepen die ter plaatse zijn in de gemeentes moeten we elke keer opnieuw een weg zoeken. Er is geen blauwdruk.

Ik vind het ook een teken van professionaliteit om in te spelen op die nieuwe omstandigheden. Onze vraag aan de overheid is dan ook om de ruimte te behouden om te experimenteren en naar nieuwe vormen te zoeken. Wij werken binnen het kader van het integratiebeleid maar je moet verder kijken en de weg banen voor vernieuwing en niches uittesten. Dat is onze bijdrage aan sociale duurzaamheid, wat essentieel is voor het functioneren van de samenleving. 

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift