De koffie rijpt in Burundi

Ze bouwen in Burundi. Een koffiefabriek en een weeshuis. Ze richten er onafhankelijke organisaties op. Ze werken er aan vrije meningsuiting. Het land staat in de steigers. Ondanks de burgeroorlog, die al honderdduizenden het leven gekost heeft. De Burundezen blijven niet bij de pakken zitten, ook al is het niet zeker dat hun initiatieven succes boeken.
Twee jaar geleden was Guy Poppe voor het laatst in Burundi. Hij is teruggegaan nu, heeft er oude bekenden opgezocht en nieuwe gezichten ontdekt. Hij stelt het heersende doemdenken over Centraal-Afrika bij: er zijn Burundezen die tegen de stroom in roeien. Burundi moet niet onvermijdelijk Rwanda achterna, al kan het nog altijd die kant op. Alle wegen liggen open. Burundi’s laatste kans, daarover gaat deze reportage. De koffie rijpt, maar de oogst is nog niet binnen.


Spes is achttien. Ze is wat ziek, malaria, en heeft tijd voor een praatje. Ik ben net in Ngozi aangekomen, de hoofdstad van de gelijknamige provincie in het noorden van Burundi. De 125 km vanuit Bujumbura heb ik met mijn eigen wagen afgelegd. Als de gendarmerie me onderweg geen drie keer gecontroleerd had -of mijn lichten wel werken, of mijn ruitenwissers het nog doen-dan was het een rit van een uur of twee geweest. In het centrum van Ngozi, voor het kantoor van de gouverneur, staat een groepje mensen klaar in uniform. Het uniform van de vrijetijdsloper, een trainingspak. Ze staan klaar voor de zondagochtendjogging. Het lijkt onwezenlijk in dit land, waar wapens en geweld de wet stellen. Maar in Ngozi is er ruimte voor ontspanning. Hier is zelfs geen avondklok.

Spes heeft nog twee jaar voor de boeg aan het Lycée. Haar vader verbouwt koffie, zoals zoveel boeren in het noorden. Zij heeft andere plannen, ze wil literatuur studeren en liefst in het buitenland. ‘Of ik haar kan helpen?’, lacht ze. Door alvast niets te vertellen tegen abbé Ephrem, denk ik, de econoom van het bisdom van Ngozi. Hij heeft me uitgelegd dat het onderwijs in Burundi veel te literair is. Technici zijn er volgens Ephrem nodig, die je in de koffieteelt in kunt zetten. Dan pas rendeert opleiding. Later vertelt hij dat het bisdom sponsors zoekt om het loon van de onderwijzers bij te passen, zodat ze in Ngozi willen blijven. Ook in Burundi zuigt de grootstad jonge mensen weg uit provincienesten.

EEN BOONTJE VOOR HET NOORDEN

Spes’ vader doet in koffie. Haar buren doen in koffie. Wie doet er hier niet in koffie? Het is de grootste, soms de enige bron van inkomsten in deze streek. 90 Burundese frank per kilo krijgt een boer nu. Tien Eurocent, tegen de zwartemarktkoers. Iets meer dan een frank per pakje in de wereldwinkel, bedenk ik. Eén procent van wat wij aan koffie uitgeven, komt terecht in de huishoudkas van een Burundese koffieboer. Iedereen die met koffie bezig is in Ngozi smeedt plannen dezer dagen. Ook Anatole Kanyenkiko. Hij kijkt bijna vertederd naar de fabriek die Sivca even buiten de stad neerzet. Sivca is de afkorting van ‘Société industrielle de valorisation de café’. De fabriek moet van de perkamentkoffie, die van Sogestal komt, groene koffie maken, klaar voor de uitvoer. De boeren verkopen hun koffie aan Sogestal, een staatsbedrijf dat van de geplukte bessen het vruchtvlees verwijdert, en de bonen wast en droogt, ze verwerkt tot perkamentkoffie. ‘In maart is de fabriek af’, zegt Kanyenkiko. Dat komt goed uit, want de pluk van de koffiebonen begint in Ngozi in april. Al dit jaar kan de fabriek ervoor zorgen dat een groter deel van de winst op de koffie in de streek blijft. Het is moeilijk om te geloven dat er totnogtoe nergens in het noorden zo’n koffiefabriek stond. Waar er in Burundi theeplantages zijn, daar staat een theefabriek. Waar ze suikerriet verbouwen, daar staat een suikerfabriek. Het noorden, dé koffiestreek, heeft zijn bonen nooit zelf verwerkt. Als hij dat vertelt, proef ik in Kanyenkiko’s woorden hoe hij de elite in zijn land verwijt dat ze het zuiden bevoordeeld heeft. Kanyenkiko is van hier. Hij wijst de heuvel aan waar zijn moeder nog altijd woont en waar hij een huis heeft. Met drié kamers, preciseert hij, voor het weekeinde.

Anatole Kanyenkiko is niet de eerste de beste koffieboer. Hij is een jaar eerste minister geweest, tot februari 1995. Dan moest hij het hoofd buigen voor radikale Tutsimilities zoals de Sans Echec, die het democratisch verkozen bewind probeerden te destabiliseren. Ik herinner me nog hoe we avond na avond -de avondklok ging toen in om zeven uur- in de hooggelegen wijk Kiriri zaten te luisteren naar de schoten die we in de benedenstad hoorden. De Tutsimilities slaagden erin om Kanyenkiko’s ontslag af te dwingen, uitgerekend op een moment dat er veel internationaal bezoek was voor een conferentie over de vluchtelingen. Het geeft aan wie er in die periode de lakens uitdeelde in Burundi. Sinds zijn ontslag als premier heeft Kanyenkiko zich tot zakenman omgeschoold. Hij staat aan het hoofd van een staatsonderneming die koffie uitvoert. Dat belet hem om aandelen te nemen in Sivca, een toekomstige concurrent, maar niet om de investering toe te juichen. ‘We moeten correcties aanbrengen aan het beleid dat jarenlang het zuiden bevoordeeld heeft’, is Kanyenkiko’s stelling. De tijd is voorbij dat de Tutsiclans uit Bururi alles voor het zeggen hadden. Geleidelijk aan krijgen de provincies ruimte voor eigen initiatieven. Daarvan maakt Ngozi nu gebruik.

Enkele dagen later maak ik in de heuvels rond Ngozi, in Busiga, een gesprek mee tussen Emile Kamwenubusa en de plaatselijke boeren. Emile is directeur-generaal van Sogestal. Hij biedt de boeren aan om hun oogst voortaan op te komen halen met zijn vrachtwagen. Maar dat kost wel iets. Dan betaalt hij ze nog maar 86 frBu per kilo, vier frank minder. Discussie dus.

Ik probeer het gesprek zo goed en zo kwaad als het gaat te volgen, met behulp van één van Emiles medewerkers, die het Kirundi van de boeren vertaalt. Beneden in de vallei zie ik de Kanyaru stromen, die er de grens vormt met Rwanda. Stroomopwaarts ligt Marangara, nog altijd in de provincie Ngozi. Marangara is één van de twee gemeentes waar in 1988 de plaatselijke bevolking op Tutsijacht gegaan is. Zo’n tienduizend Burundezen verloren daarbij het leven. Na het bloedbad begon president Buyoya, die een jaar voordien voor de eerste keer de macht gegrepen had, met een voorzichtige democratisering. Vijf jaar later mondde die uit in verkiezingen die Ndadaye en zijn partij Frodebu wonnen. Minder dan vijf maanden later vermoorden militairen hem.

MEER DAN EEN KOFFIEFABRIEK

‘21 gezondheidsposten zijn er in Ngozi’, vertelt dr. Alain-Desiré Karibwami, ‘dat is één per 25.000 inwoners en de norm is één per 10.000.’ Karibwami is afgelopen zomer opgenomen in het verruimde parlement, als vertegenwoordiger van de société civile. Hij staat aan het hoofd van een ngo die zich het gezinswelzijn aantrekt. De cijfers die hij citeert, illustreren de achterstand die Ngozi opgelopen heeft als gevolg van het etnisch gekleurde regionalisme. Daarom loopt ook hij warm voor de koffiefabriek van Sivca. De mensen merken zo dat er ook in het noorden dingen mogelijk zijn en dat zorgt voor ontspanning. ‘Sivca sluit niemand uit’, zegt Karibwami, ‘Hutu’s én Tutsi’s zijn welkom als investeerders en het bedrijf neemt koffie af van àlle planters, zonder onderscheid.’ Het is zonneklaar dat de koffiefabriek in Ngozi méér moet doen dan koffie verwerken.

Een florerende economie heeft gunstige gevolgen op sociaal vlak. Het gemeentelijke ontwikkelingsfonds, dat mee instaat voor de financiering van scholen en gezondheidscentra in Ngozi, speelt in op wat Sivca doet. Uit zo’n school komen er technici die Sivca kan gebruiken, en in zo’n plaatselijk gezondheidscentrum kunnen arbeiders met malaria terecht voor een behandeling. Kortom, het fonds zorgt voor goed opgeleide en gezonde mensen in Ngozi. ‘Door werk mobiliseren we voor de vrede’, zegt de directeur-generaal van het fonds Joseph Ntanyotora. Die signaalzin hoor ik van verschillende kanten. ‘Zorg dat de mensen aan het werk zijn, dat ze wat te verliezen hebben bij onlusten en dat er wat gebeurt aan de ongelijkheid. Zo voorkomen we uitbarstingen zoals Burundi er te veel gehad heeft.’ ‘Burundi is een probleem van verdeling van economische macht en rijkdom’, is het eerste wat Joseph zegt, als ik de bandopnemer opzet.

Het is die filosofie -dat je de opflakkering van geweld voorkomt door gezamenlijke economische activiteiten op touw te zetten-, die ook het bisdom motiveert om te participeren in Sivca, voor vijf procent. ‘De kerk aan de kant van de kleine luitjes, jullie in Vlaanderen kennen dat’, glimlacht Ephrem. Hij ziet de investering als een eerste stap op de weg naar volksontwikkeling. De mensen moeten zich organiseren in coöperaties, is zijn idee, en via die weg in Sivca een belang nemen. ‘De bevolking heeft neen gezegd aan de oorlog’, zegt Ephrem. Wat niet wil zeggen dat hij uitbarstingen als in 1988 in Marangara uitsluit. ‘Maar een kopie van wat het toen was, dat is onmogelijk, dat kan niet meer’, besluit hij.

Na ons gesprek, brengt Ephrem me bij Emile van Sogestal, die zit te kletsen met Spes. Ook Prisca Nzeyimana zit erbij. Ze zoekt een lift naar Bujumbura. Haar wortels liggen in Kayanza, zo’n 30 km ten westen van Ngozi, op de grote weg die naar Butare in Rwanda leidt. In de heuvels rond Kayanza liggen de gronden van haar familie. Haar grootvader, een krijger aan het hof, heeft die gronden gekregen van de mwami -de koning-, in ruil voor bewezen diensten. Van haar familie leeft alleen haar broer nog. Hij is uit de heuvels weg moeten trekken, vanwege de bedreiging die er van de Huturebellen uitgaat. Hij heeft zich met zijn vee ergens anders gevestigd. Doordat hij vee heeft, kan hij niet terug, legt Prisca me uit, want dat steekt de rebellen de ogen uit, dat komen ze zeker afpakken. Met de boeren van ter plaatse zijn er geen problemen. ‘Ze bewerken onze grond en elk jaar betalen ze ons iets daarvoor.’

Prisca heeft de heuvels van Kayanza ingeruild voor Bujumbura. Daar werkt ze nu als magistrate bij het hof van beroep. In de correctionele kamer is ze belast met processen die aangespannen zijn tegen de aanstichters van de moordpartijen van 1993. ‘Soms beraadslagen we tot 4 u. ‘s morgens over een zaak,’ zegt Prisca, ‘we moeten doorgaan tot we een vonnis hebben, om te voorkomen dat de buitenwereld ons beïnvloedt. En bij twijfel spreken we vrij’. De werking van het gerecht, de onbestrafte misdaden, het is niet de laaste keer dat het thema ter sprake komt tijdens mijn verblijf in Burundi.

EEN HUIS VAN VREEMDE VREDE

Marguerite Barankitse is Tutsi. Het duurt geen minuut voor ze me dat duidelijk maakt. Een atypische Tutsi, dat wel. We rijden samen naar Ruyigi, zo’n 70 km ten oosten van het centraal gelegen Gitega. Daar runt ze het weeshuis Shalom. Onderweg komen we voorbij Kibimba. Een plek die in mijn geheugen gegrift staat.

29 oktober 1993. Een week voordien hebben Tutsimilitairen president Ndadaye vermoord. Vanuit het binnenland komen er berichten dat boeren uit wraak op grote schaal Tutsiburgers vermoorden. De repressie door het leger is navenant. Op de grote weg van Bujumbura naar Gitega liggen de huizen er verlaten bij. Er hangt een geur van lijken. Dicht bij Gitega, in een bocht van de weg, een plek waar je in normale tijden brochetten kunt eten, staat er een vrachtwagen dwars over de weg. Ernaast ligt het lijk van de chauffeur, vermoord. Eén stenen huis aan de kant van de weg is in brand gestoken. Als we door de open ramen naar binnen kijken, zien we niets dan verkoolde lijken. Ik tel er 22. Het blijkt om een groep scholieren te gaan, Tutsi’s. De directeur van de school is later ter dood veroordeeld. Een eindje verder bewerkt een boer zijn veld. Op een meter of tien van hem liggen er twee lijken. Wat hebben mensen meegemaakt dat moordend geweld ze niet meer van de kook brengt, vraag ik me af. Hoe fel ze het onrecht aanvoelen, telkens weer die discriminatie door één groep van de bevolking, kan ik enkel raden. Voor mijn ogen zie ik dat mensen, die elkaar in de dagelijkse omgang door de band zo hoofs en voorkomend behandelen, geweld soms tot regel verheffen.

‘Bouwen ze hier een monument,’ sneert Marguerite, terwijl we in Kibimba naar de constructie kijken, die ze rond het huis aanbrengen waar de 22 scholieren levend verbrand zijn. ‘Alsof soortgelijke gruweldaden zich alleen maar hier voorgedaan hebben, alsof er geen moordpartijen op Hutu’s plaatsgevonden hebben.’ Ze maakt zich voortdurend druk over de arrogantie van de Tutsi-elite die in juli 1996, nog maar eens, een coup pleegde, en feitelijk al vanaf de mislukte staatsgreep van 1993 het pad naar democratie blokkeert, zodat Burundezen dat doel via grote omwegen moeten proberen te bereiken. ‘Ze nemen de macht, alsof het om het veld van hun vader gaat’, valt ze uit, ‘alsof de Burundezen een kudde vee zijn, die je onverschillig waar heen kunt leiden.’

‘Kolonels gaan in zaken of ontpoppen zich als veeboeren’, fulmineert ze, ‘de regering besteedt de helft of meer van haar begroting aan wapens en de déplacés krijgen op hun nieuwe vestigingsplaats een hut gebouwd met een golfplaten dak.’ ‘Déplacés’, verplaatste personen, is de term die ze in Burundi gebruiken voor Tutsi’s die vanuit de heuvels weggevlucht zijn om bescherming te zoeken in de buurt van een stad of militair kamp. De Hutu’s die het leger uit hun heuvel weghaalt en in kampen onderbrengt, heten ‘regroupés’. Zo hoeft de overheid de twee bevolkingsgroepen niet meteen etnisch te benoemen en kan ze hen toch verschillend behandelen. De laatste tijd vervaagt het onderscheid en is de term sinistrés in zwang geraakt. Hij slaat op de 487.000 à 549.000 Burundezen - de tellingen van eind vorig jaar lopen uiteen -, die niet meer in hun eigen huis wonen. Een kleine tien procent van de bevolking op de dool in eigen land. Bovenop nog eens zoveel Burundese vluchtelingen in Tanzania en andere buurlanden.

‘Tweeënzeventig mensen zochten hun toevlucht in het bisdom vlak na de moord op Ndadaye’, vertelt Marguerite. ‘Ik werkte daar toen’. Dat waren allemaal Hutu’s, bang voor wraakacties, nadat Hutu’s in de heuvels rond Ruyigi Tutsimedeburgers vermoord hadden. De avond van 24 oktober kwamen Tutsi’s uit Ruyigi het bisdom belegeren. ‘Mensen die ik ken’, zegt Marguerite, ‘mes frères.’ Niemand van de tweeënzeventig overleeft het, doodgestoken, gestenigd, levend verbrand. Ze is zeker dat het leger oogluikend toekeek en zag dat het goed was. Vijfentwintig kinderen waren plots wees. Marguerite trekt zich hun lot aan.

338 kinderen herbergt Shalom nu. Ze hebben hun intrek genomen in voormalige schoolgebouwen. Jongens spelen voetbal in de avondschemering, de kleinsten komen op Oma afgelopen, zo heet Marguerite hier. Een doofstom meisje is niet van haar weg te slaan. ‘We weten niets van haar’, zegt Marguerite, ‘alleen dat ze verkracht is.’

In de stal hoor ik geiten mekkeren. Het is de kinderen hun taak om ze te hoeden. De maïs en de bananen tussen de gebouwen schieten mooi op. Er loopt een graatmagere man rond, die pas vrijgekomen is uit de gevangenis en niet weet waar hij anders naartoe moet. Een andere man spreekt Marguerite aan voor wat melk. Zijn vrouw is net gestorven en hij weet niet hoe hij zijn baby moet voeden.

Ik logeer in het ‘Guesthouse Frieden’ dat Marguerite met kerstmis in het centrum van Ruyigi geopend heeft. De oudsten uit het weeshuis vinden er werk, zijn er begonnen met een naaiatelier en een kapsalon, staan er in de keuken en bedienen er de klanten in de bar en het restaurant. ‘Dit brood bakken we zelf’, zegt Marguerite, als we samen aan tafel zitten. Natuurlijk moet de opbrengst van Frieden bijdragen in de kosten van Shalom, dat is de eerste bedoeling. Maar er zit meer achter. Werk in dienst van de vrede, is ook hier, net als in Ngozi, de signaalzin. ‘Bovendien geeft het de Hutuweeskinderen ook hun waardigheid terug tegenover de gemeenschap die hun ouders afgeslacht heeft’, is Marguerites stelling. Tijdens de maaltijd kijkt ze even op. Er is iemand op het terras komen zitten voor een biertje. ‘Die man was erbij, toen ze de 72 vermoordden’, zegt ze. De vrede die van Shalom uitstraalt, is toch maar bedrieglijk, bedenk ik. Marguerites bijna terloopse opmerking drukt me met mijn neus op één van de grootste hypotheken op de vrede in Burundi : l’impunité, de straffeloosheid. In dit land is bij herhaling op grote schaal geweld gebruikt zonder dat het gerecht optreedt.

DEAD MAN TALKING

Op zijn rug vertoont Jean Minani de sporen van de slagen met fietskettingen die hij in de gevangenis gekregen heeft. Met dat bewijs van zijn folteringen voor ogen moesten zijn rechters hem wel vrijspreken, ook al had Jean bekend dat hij een kolonel vermoord had. Zijn advocaat, Maître Fabien Segatwa, glimlacht als hij Jeans verhaal vertaalt. Het kantoor van de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens heeft Segatwa in dienst genomen om Hutu’s te verdedigen die sinds 1993 in de cel zitten. ‘Vrijspraak omdat de advocaat heeft kunnen bewijzen dat de bekentenis afgedwongen is door foltering. Dat is nooit eerder vertoond in Burundi’, geeft Segatwa toe, ‘maar ik ben bang dat Jean Minani een uitzondering blijft.’ Pessimistisch vertelt Segatwa me van een andere cliënt, van wie er in de gevangenis een been geamputeerd is. Koudvuur, als gevolg van folteringen. Zijn beul heeft in het leger een hogere graad gekregen.

Segatwa’s eigen verhaal illustreert wat voor een Tutsiburcht het gerecht is. Na het bloedbad van 1972 is hij naar Kinshasa gevlucht. Daar heeft hij zijn licentie in de rechten behaald. Bij zijn terugkeer in 1993 weigert de balie van Bujumbura hem in te schrijven, onder het voorwendsel dat zijn Zaïrese diploma maar een certificaat is waarmee hij in Burundi zijn beroep van advocaat niet kan uitoefenen. ‘Ik was de eerste Hutu aan de balie’, zegt hij, ‘aan de rechtsfaculteit van Bujumbura studeren alleen Tutsi’s af.’ Pater Bob, de jezuïet die sinds bijna tien jaar prefect is van het Collège St.-Esprit, waar de toekomstige elite van het land schoolloopt, bevestigt dat. Zucht Bob: ‘Eén van onze beste studenten, een Hutu, zei het me verleden week nog: ‘Pater, er komt hier in Bujumbura gewoon geen Hutu door de kandidaturen.’ Dat, én de straffeloosheid, zijn de grote problemen waarmee het gerecht worstelt, zegt ook Christophe Driesse. Hij is coördinator van Advocaten zonder Grenzen dat buitenlandse advocaten naar Burundi haalt om juridische bijstand te geven in de processen die slaan op de moordpartijen van 1993. De beschuldigden zijn Hutu’s, de slachtoffers overwegend Tutsi’s. Advocaten zonder Grenzen verdedigt de twee. Helemaal vergelijkbaar met wat ze in Rwanda doen, is hun werk niet. ‘In Burundi ís er een staat, ís er een gerecht. Het is kwestie om ze beter te laten werken’, zegt Driesse. ‘In Rwanda was er na de volkerenmoord van 1994 zo goed als niets meer.’

ONDANKS ALLES

Eugène Nindorera ziet de gang van zaken op justitie zwart in. Ik ken hem van toen hij bedrijvig was in Iteka, de Burundese liga voor de rechten van de mens. In juli 1996, toen hij weer aan de macht kwam, heeft president Buyoya hem als minister van mensenrechten opgenomen in zijn regering. Er gaat geen bezoek aan Burundi voorbij of we praten een avond bij, ook nu weer. Eugène geniet van de mwambe, de kip met palmnotenolie, die Pascal, de kok, ons voorschotelt. Hij dient ze op met ananas, mango, geraspte cocosnoten en sombe, gestoofde maniokbladeren die er als spinazie uitzien, en dat is een voortreffelijke combinatie.

Eugène komt gauw terzake. Hij is bang dat het in Burundi uitdraait op amnestie zonder dat er sprake is van een proces waarin de waarheid over het verleden naar boven komt, zoals het in Zuid-Afrika gebeurd is. Eugène is bang dat Buyoya denkt aan een absolutie zonder biecht, aan amnestie zoals Pinochet die in Chili gekregen heeft. Blinde amnestie die het verleden onverwerkt laat en de deur openzet voor een nieuwe uitbarsting van geweld in de cyclus waaruit Burundi niet loskomt.

Het proces tegen de moordenaars van president Ndadaye is voor Eugene een aanfluiting van justitie. Er heeft alleen klein grut terechtgestaan. De hoge pieten in het leger, de politiek en het zakenleven zijn buiten schot gebleven.

Het leger is nog zo’n teer punt waarmee Burundi nog niet in het reine is. De slachtpartijen die het om de haverklap aanricht onder de gewone mensen in de heuvels rond Bujumbura. De gijzeling van mannen én vrouwen, die door militairen de vuurlijn ingestuurd worden om aan te wijzen waar er rebellen zitten. De koelbloedige moord op burgers die mensenrechtenwaarnemers op de hoogte gebracht hebben van wandaden van het leger. Het geeft Eugène te denken of sommigen in de legertop niet bewust het vredesproces stokken in de wielen steken. Buyoya houdt voeling met die mensen. Zo gauw hij aanvoelt dat hij een stap te ver gaat zetten, remt hij af. Eugène weet dat. Maar je mag niet alle militairen op een hoop gooien, zegt hij. Ik denk aan die jongen, een Hutu, die na vier maanden uit het leger gedeserteerd is. Toen hij tijdens zijn verlof bij zijn familie was, zocht rebellen hem op. Als hij terugging naar zijn eenheid, maakten ze hem duidelijk, dan zouden ze zijn familie uitroeien. Ik denk aan hem, maar zwijg tegen Eugène. Ze vechten een vuile oorlog uit, in Burundi.

‘Ondanks alles blijf ik een vurig aanhanger van de persvrijheid’, staat er in Buyoya’s boek ‘Mission possible’, de doenbare opdracht. ‘Ondanks alles’, de uitdrukking verwijst naar de periode rond 1993 dat er ook in Burundi media van de haat bestonden, in navolging van de Rwandese Radio Mille Collines die tot volkerenmoord op de Tutsi’s aanzette. Persvrijheid ondanks alles. Maar verleden jaar is Netpress acht maanden niet mogen verschijnen, vanwege een artikel over het publicatieverbod dat een blad van Frodebu opgelegd gekregen had. Netpress verspreidt zijn dagelijkse bulletin per fax en e-mail. ‘Het klopt dat het staatshoofd achter dat verbod zat’, geeft Eugène toe.

Dat dubbelzinnige maakt de uitkomst van het vredesproces in Burundi zo onvoorspelbaar. Het is dansen op een slappe koord en er zijn genoeg mensen die machetes bij de hand hebben om de koord door te hakken. Dat dubbelzinnige hangt ook rond Eugène. Zit hij in de regering om echt wat te doen aan de mensenrechten en de vrede, of heeft Buyoya hem opgenomen om een goede indruk te wekken bij de buitenwereld? Ik moet denken aan wat Albert, die nog met Eugène samengewerkt heeft binnen Iteka, me onlangs in Bonn zei: ‘Nindorera? Dat is het schaamlapje van Buyoya’.

Eugène vertrouwt me zijn volgende plan toe: Burundese politieke vluchtelingen uit de diaspora voor korte verblijven naar hun land terughalen. Hij denkt namelijk dat ze de vooruitgang die Burundi geboekt heeft in het vredesproces, te makkelijk onder de mat vegen. Verwezenlijkingen als het politieke partnerschap en de onderhandelingen in Arusha, de opkomst van een société civile die de zwakte van de politieke partijen goedmaakt, en hoe dan ook de media. Niet de schrijvende pers, dat geeft hij toe, maar er waait een frisse wind door het radiolandschap. Zijn broer Willy staat aan het hoofd van studio Ijambo. Dat is een onafhankelijke productiefirma, die evengoed ontsporingen van het leger uitspit als reportages aanbiedt over Guatemala, een voorbeeld van een ander land dat uit een vuile burgeroorlog komt. Hij snapt zelf niet dat de regering hem laat betijen. Zijn alle Nindorera’s dan schaamlapjes van Buyoya?

Het vredesproces is Eugènes troetelkind. Toen hij twee jaar geleden erover vertelde, was ik bijzonder sceptisch. Het was zijn taak, zei hij toen, om de geesten rijp te maken voor het onmogelijke, het onzegbare: onderhandelingen met de rebellen. Dat idee moest hij ingang laten vinden. ‘Terroristen’ en ‘volkerenmoordenaars’ noemde het radio- en televisienieuws ze steevast.

Eugène organiseerde daarom een seminarie over Zuid-Afrika. Een thema dat Burundezen in hoge mate interesseert. Want stel je dat maar eens voor, mensen die elkaar naar het leven gestaan hebben en die toch overeenkomen om de politieke macht met elkaar te delen. Op de koop toe is die overgang van apartheid naar democratie ook nog zo goed als vlekkeloos verlopen. Stel je dat maar eens voor als Burundees. Eugène vroeg me toen om over de waarheidscommissie te komen vertellen.

‘Live together like brothers or perish like fools, it’s up to us to make the choice.’ Met dat citaat van Martin Luther King begonnen we de uiteenzetting. Geruime tijd later, tijdens het vragenuurtje, kwam er een vrouw naar voren, met maar één opmerking. ‘Er is in Burundi een groep die samen wil leven als broeders, en er is er een andere die als onnozelaars ten onder wil gaan.’ Op onze openingszin had ze waarschijnlijk de hele uiteenzetting lang zitten te broeden, zodat ze van het hele concept van verzoening waarvan de waarheidscommissie doordrenkt is, geen jota gehoord had. Typisch Burundi, dacht ik toen. Het gaf een idee wat voor een sysiphusarbeid Eugène op zijn schouders genomen heeft. Ook nu, twee jaar later, denk ik soms: vrede in Burundi, dat is onbegonnen werk. En toch zijn de Burundezen eraan begonnen. Ondanks alles.



BURUNDI IS RWANDA NIET

Uitbarstingen van geweld zetten mijlpalen in het recente verleden van Burundi. 1972. Misschien wel 200.000 doden onder de Hutubevolking. 1988. Om en bij 10.000 Tutsi’s vermoord in twee gemeentes in het noorden. De moordpartij is een voortijdig antwoord op terreur die zich aankondigde. Minstens 150.000 doden sinds 21 oktober 1993, de dag dat militairen president Ndadaye vermoorden. Bloedbaden, die om de zoveel jaar terugkomen, wisselen af met dagelijkse, kleinschalige moordpartijen.

Burundi is sinds zijn onafhankelijkheid in 1962 in een spiraal van geweld terechtgekomen. De ene groep gaat een nacht van getrokken messen in, omdat ze bang is dat de andere ze vóór zal zijn. De ene catalogiseert de andere als een onverbeterlijke putschist en de andere diaboliseert de ene als een volkerenmoordenaar. Het aantal doden loopt in de honderdduizenden, de vertrouwensbreuk is totaal en niet op één generatie te helen.

21 oktober 1993 is een scharniermoment in de moderne geschiedenis van Burundi. De staatsgreep is een mislukking, maar met de moord op president Ndadaye komt er een bruusk einde aan nog geen vijf maanden democratisch bestuur door een verkozen meerderheid. De coup maakt de weg vrij voor een periode van moordend geweld van het leger en aan volkerenmoord grenzende vergeldingsacties van de Hutuboeren en -rebellen. Genocide, roept al wie wil laten geloven dat er voor Burundi geen uitweg is, buiten een nieuwe golf van blinde moordzucht.

President Ndadaye was pas in juni 1993 verkozen. Zijn partij, Frodebu verovert bij de verkiezingen de absolute meerderheid in het parlement. Ndadaye is de eerste Hutu die het tot staatshoofd van Burundi brengt. Na hem volgen er nog twee, Ntaryamira, die in april 1994 het leven verliest bij de aanslag op de Rwandese president Habyarimana, en Ntibantunganya. Maar sinds de coup van oktober 1993 zit de klad in de prille Burundese democratie. Op 25 juli 1996 zet het leger Ntibantunganya af, en geeft het de macht weer in handen van Buyoya.

Buyoya was een eerste keer aan de macht gekomen in 1987, door een militaire staatsgreep. Na het bloedbad van 1988 trekt hij een democratiseringsproces op gang waarvan de stembusslag van juni 1993 het orgelpunt is. Tegen de verwachtingen van de Tutsi-elite in, verliest Buyoya het van Ndadaye.

Buyoya is de derde Tutsiofficier die het na een coup tot president brengt, na Micombero in 1966, die toen de mwami, de koning, van de troon stootte, en Bagaza in 1976. Alle drie komen ze uit de provincie Bururi, in het zuiden van Burundi. Ze zijn verwant aan elkaar.

Als Buyoya in 1996 weer de teugels in handen neemt, voert hij de strijd op, waarin het leger verwikkeld is met de Huturebellen, die na de moord op Ndadaye een guerrillaoorlog begonnen zijn. De rebellen zijn vooral bedrijvig in de heuvels rond de hoofdstad Bujumbura, en het zuiden van het land.

Tegelijkertijd begint Buyoya onderhandelingen met de rebellen en andere politieke groepen, in de Tanzaniaanse stad Arusha. Tegen augustus moet er volgens plan een overeenkomst zijn. Een vernieuwde vorm van samenwerking, het partnerschap, die Buyoya in Burundi opgezet heeft met Frodebu en andere geledingen van de maatschappij, schraagt de vredesgesprekken.

Het partnerschap houdt in dat Buyoya’s aanhangers en die van Frodebu samen in de regering zitten. Het parlement is nieuw leven ingeblazen, én aangevuld met 40 nieuwelingen, onder wie vertegenwoordigers van de société civile, de georganiseerde samenleving. Twee jaar geleden bestond het parlement alleen nog op papier. De vonken die de democratie in 1993 veroorzaakt had, waren ogenschijnlijk voorgoed uitgedoofd. Daarin is er verandering gekomen.

Te gemakkelijk vinden we het normaal dat Hutu’s en Tutsi’s in Burundi elkaar nu eenmaal op geregelde tijdstippen uitmoorden. Alsof dat in hun genen zit. Alsof, als verschillende etnische groepen door elkaar leven, ze elkaar na verloop van tijd automatisch naar de keel vliegen. Alsof Hutu’s en Tutsi’s zo veel van elkaar verschillen. Ze spreken dezelfde taal, belijden dezelfde godsdienst, vertonen geen culturele verschillen. Vanwaar het onderscheid dan wel komt, die kennis is in de nevelen der tijden verloren gegaan. Wie er alleen op het uiterlijk afgaat, slaat geregeld de bal mis. Daarvoor zorgt de lange traditie van gemengde huwelijken.

Toen ik twee jaar geleden in Burundi was, had het leger, een Tutsibolwerk, pas een half jaar voordien een staatsgreep gepleegd en Pierre Buyoya weer aan de macht gebracht. Er ontploften ‘s avonds mijnen in Bujumbura. De hoofdstad uitrijden kon niet. Rebellen, Hutu’s die de wapens opgenomen hebben, maakten een flink deel van het land onveilig. Ik kom terug nu, op een ogenblik dat in Rwanda, waar Hutu’s en Tutsi’ elkaar ook naar het leven staan, de toestand uitzichtsloos is. Ze lijken daar de oorlog eeuwig te willen laten duren. Zouden ze in Burundi een uitweg zoeken, vraag ik ma af. Is het leger bereid om de macht over te dragen aan de verkozen meerderheid van de bevolking? Is de vernieuwde politieke samenwerking een draagvlak voor de onderhandelingen die er in Tanzania plaatshebben? Heeft het embargo dat de buurlanden Burundi tweeënhalf jaar lang opgelegd hebben, de Burundezen ertoe aangezet om het heft in handen te nemen? Kortom, zoeken ze in Burundi naar een pad, al is het maar een aarden spoor, dat niet om de zoveel kilometer met bloed besmeurd is?





MGR. NTAMWANA OVER RECHT EN RECHTVAARDIGHEID

‘Net zoals in Rwanda, heeft er in Burundi een volkerenmoord plaatsgehad’. De aartsbisschop van Gitega, Mgr. Ntamwana noemt de dingen bij hun naam. Een kerk, zoals in Rwanda, waar tachtig procent van de bevolking zich katholiek noemt, moet zich vragen stellen. ‘We moeten erkennen dat we geen matrozen zijn die de orkaan aan hebben zien komen’, zegt hij. Maar de aartsbisschop wil niet elke individuele christen met een schuldcomplex opzadelen. Ook bij u in het westen, zegt hij, zijn er landen waar veel mensen christen zijn, naar de kerk gaan en aalmoezen geven, zich als individu dus naar behoren gedragen. Toch staan ze toe dat hun regering de armsten van de wereld verder benadeelt door de manier waarop ze handel drijft of meewerkt aan de uitbuiting. ‘Soms is de groepsgeest sterker dan het individu’

Met zijn initiatief, Vie Nouvelle pour la réconciliation, Nieuw Leven voor de Verzoening, wil Ntamwana mensen aantrekken die in hun persoonlijke leven getuigenis afleggen van hun wil tot verzoening, op het werk, en in hun gezin en de gemeenschap waarin ze leven. Een verinnerlijkte, spirituele vorm van verzoening, sterk individueel beleefd. Ntamwana beklemtoont dat voor hem het individu de pijler is van maatschappelijke verzoening.

Die verzoening ziet hij stapsgewijs verlopen. Als een proces dat streeft naar rechtvaardigheid, en waarin straffeloosheid uit den boze is. ‘Die moet je tot en met bestrijden.’ Zo moet de rechtszaak tegen de moordenaars van president Ndadaye zeker een ernstig verloop krijgen. Maar ook het element vergeving moet aanwezig zijn, zegt Ntamwana. Het gerecht alleen kan onrecht, als de dood van je vader, niet ongedaan maken. ‘Het onherstelbare ontsnapt aan de greep van het gerecht’. Vie Nouvelle pour la réconciliation heeft dus in de opvatting van Ntamwana een andere taak dan de bisschoppelijke commissie Rechtvaardigheid en Vrede, die onrechtvaardige maatschappelijke wantoestanden aanklaagt.

De kerk in Burundi heeft het lastig met de staat. De beperkingen die president Bagaza opgelegd heeft, tot Buyoya hem in 1987 afzette, hebben sporen nagelaten, legt Ntamwana me uit. Volgens hem ligt de staat aan de basis van de teloorgang van sommige waarden. Het is hem niet alleen te doen om het kleinere aantal lesuren godsdienst in het onderwijs. De aartsbisschop wijst ook op de extreme liberalisering van de economie, de groeiende gewoonte om smeergeld te eisen, en het op de spits drijven van de etnische tegenstellingen.

Het valt Ntamwana op dat bij de maatschappelijk het meest achtergestelde groepen de gewelddadige ontlading het grootst geweest is. Het moet een waarschuwing zijn voor de Burundese elite, die met de staatsgreep van drie jaar geleden alweer het laken naar haar kant getrokken heeft. ‘Ze moet een weg zoeken,’ zegt de aartsbisschop, ‘om de mensen deel te laten nemen aan het maatschappelijke gebeuren ; in politieke bewoordingen heet dat democratie’.

LAURENT GAHUNGU: ‘TREK HET JE AAN’

Twee jaar geleden bestond ze nauwelijks, de Burundese société civile. Eén van de onafhankelijke organisaties die ze - eindelijk - inhoud geven, is de Association burundaise pour la défense des droits des prisonniers. In twee kleine kamertjes die uitgeven op een binnenplein, met een telefoon die aan een draadje hangt, en zonder auto, proberen Laurent Gahungu en zijn medewerkers het lot van de Burundese gevangenen te verbeteren. ‘Zonder société civile komen we er niet in Burundi’, zegt Laurent. Je moet het je aantrekken, is zijn parool. Sinds kort is hij parlementslid. Komt hij makkelijker de gevangenis binnen.

Ze lopen wat gevangenissen af, Laurent en zijn mensen. Als iemand in de cel zit en er geen dossier is, dringen ze erop aan dat er een onderzoek komt. Van wie al lang in voorlopige hechtenis zit, gaan ze na hoe zijn zaak ervoor staat. Als iemand veroordeeld is, trekken ze na wat precies het vonnis is. Het gebeurt namelijk meer dan eens dat de uitspraak valt zonder dat de beklaagde aanwezig is. Als een gevangene zijn straf uitgezeten heeft, zorgen ze ervoor dat hij ook vrijkomt. Doen ze dat niet, dan zorgt de gebrekkige werking van de administratie geregeld ervoor dat hij in de cel blijft zitten. Zo hebben ze twee jaar geleden door hun toedoen 43 gevangenen vrijgekregen, van wie de straf voorbij was. Ik val bijna omver, als Laurent me vertelt dat ze gemiddeld 17 maanden te lang in de cel gebleven zijn !

In de woelige jaren na 1993 is Laurent chef de zone in Kamenge, een Hutuvolkswijk in het noorden van Bujumbura. Op een bepaald moment is hij de enige Tutsi in Kamenge, maar dat is voor de inwones van de wijk geen probleem. Wel voor de overheid die een dossier tegen hem opent wegens rebellie. Uiteindelijk benoemt ze hem tot burgemeester, omdat zij geen vat meer heeft op de gang van zaken in Kamenge en hij wel.

We maken een ritje door Kamenge met Laurent. Om de vernielingen te meten die het leger er aangericht heeft toen het tussen 1994 en 1996 de bewoners uit hun huis verdreef, toen het van Bujumbura Tutsiville wou maken. Om te zien in welke omstandigheden de mensen er wonen, die naar Kamenge teruggekeerd zijn. Als ik een foto neem van een verwoest huis, op de grens met Kinama, een andere Hutuwijk, komt er een jonge kerel met stenen in zijn hand aangerend. Maar hij koelt gauw af als Laurent uitstapt. Laurent hoeft niet eens uitleg te geven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift