De kracht om te veranderen

Het Colloquium en de studiedag Glokale Kunst in Vlaanderen zijn een mijlpaal in het denken rond kunst en cultuur in een multicultureel perspectief: een soort ‘point of no return’. Hieruit moeten duidelijke lessen getrokken worden. Wie vanaf vandaag nog uitspraken over glokale kunst doet zonder rekening te houden met de aanbevelingen, mist een aantal basisgegevens om zijn discours op te bouwen. Een nieuw tijdperk is aangebroken, ondanks het feit dat nog niet alle vragen beantwoord zijn. Vandaar dat een reflectie over de migratiegeschiedenis en het beleid is aangewezen.
Van waar komt Bruno Castellucci?

Ondanks het feit dat België vanaf haar ontstaan migraties heeft gekend, moeten we tot de jaren tachtig wachten op een actief, structureel en officieel migrantenbeleid. Daarvoor woonden bijna één miljoen mensen van vreemde oorsprong in België. Toch zijn er op dat moment in de ogen van de autochtone bevolking betrekkelijk weinig problemen.

De migranten van voor de Tweede Wereldoorlog, meestal van Europese origine, verdwijnen uit het straatbeeld. Tot aan de jaren zestig blijft het rustig; voornamelijk Zuid-Europeanen emigreren op vraag van de overheid in contingenten naar België om in de steenkoolmijnen te werken. Er ontstaat zelfs een vorm van beleid. De steenkoolnijverheid heeft continu nieuwe arbeidskrachten nodig. Het wordt de migranten naar hun zin gemaakt door het oprichten van tuinwijken en het creëren van een goed leefklimaat. (cfr. Morelli en Martens). Enkel hun cultureel leven blijft een privéaangelegenheid. Onder meer verenigingen en parochies zorgen ervoor dat er een vorm van sociaal-cultureel leven ontstaat dat het heimwee naar de heimat moet verzachten. Samen met vakbonden en organisaties die vanuit de thuislanden gesteund worden, vangen ze de maatschappelijke noden op. Deze noden zijn onlosmakelijk verbonden met een gebrek aan taalkennis en sociale vaardigheden. Kinderen die overdag schoollopen, leren de eigen taal via voorzieningen getroffen door de consulaten. De meesten van hen gaan later naar de beroepsscholen en vinden ongetwijfeld werk in de steeds groeiende industrie.

In de naoorlogse periode komen vooral ongeschoolde arbeidskrachten naar België, zelden intellectuelen of artiesten. Tussen de mijnwerkers zit af en toe een gitarist, boezoekispeler of accordeonist, die zich meestal beperkt tot het begeleiden van liederen uit de heimat tijdens een gezellig samenzijn. In deze pionierstijd ontstaan de vele folkloristische dans- en muziekgroepen. Polen, Grieken, Spanjaarden, Portugezen en Italianen richten groepen op die tot op vandaag actief zijn. Uit de jonge garde van de eerste generatie komt een eerste golf van variété-artiesten zoals, langs Franstalige zijde, Salvatore Adamo en in Vlaanderen Rocco Granata. Het legertje van charmezangers groeit vooral in Wallonië. Het zijn de Italianen die het, onder Franse pseudoniemen, in de chansonwereld maken. Daarnaast blijft de kunstzinnige expressie van allochtonen een vorm van vrijetijdsbesteding. In de geest van de jaren zestig mondt het soms uit in vorming en sensibilisering wanneer geëngageerde priesters zich ermee gaan bezighouden (cfr. CASI-UO in Brussel en de Missione Cattolica Italiana in Genk). In de media komen vooral de kunstuitingen (vooral film en muziek) van de herkomstlanden aan bod. Zeer zelden krijgen de migranten de gelegenheid om een theatervoorstelling te zien of een concert bij te wonen waarmee ze culturele affiniteit hebben.

Vanaf de jaren zeventig duiken in Waalse jazzkringen vreemde namen op. Dit betekent dat de kinderen van de migranten van de eerste generatie hun weg hebben gevonden in de reguliere circuits: Bruno Castellucci, Mimi Verderame, Paolo Radoni, Gino Latucca, Hatzigeorgiu. Ook de tegenhanger van Wannes van de Velde heeft een vreemde naam: André Bialek… In Limburg moeten we nog één generatie wachten. Ook daar is een haard van jong talent dat niet wacht op subsidies om in alle stilte de waardering te vinden waar ze recht op heeft. We vinden ze meestal terug achter grote namen als Tars Lootens, Jo Lemaire, Johan Verminnen en Philippe Robrecht. Hun echte namen zijn: Angelo en Michele Bisceglia, Roman Korolik, Pino Guarraci…

In mindere mate komen we ook dansers, acteurs en beeldende kunstenaars tegen die een opleiding genieten en in het reguliere circuit verdwijnen. Je ziet ze zelden in de media en in multiculturele circuits wegens ‘niet vreemd genoeg’.

In de jaren zestig blijft de economie en dus ook de vraag naar gastarbeiders groeien. Terwijl onze buurlanden meestal arbeidskrachten in hun voormalige kolonies rekruteren, trekt de Belgische overheid voornamelijk ongeschoolde Marokkaanse en Turkse arbeiders aan. Aanvankelijk werken zij nog in de steenkoolmijnen, daarna in de openbare werken en de industrie. In tegenstelling tot de na-oorlogse migranten zullen de Marokkaanse en Turkse gezinnen vooral in en rond de Vlaamse steden en Brussel hun bestemming vinden. Meestal vestigen zij zich in de buurten uit de negentiende-eeuwse gordels die in de ‘golden sixties’ verlaten werden door Vlamingen op zoek naar groen in de rand van de steden.

De Marokkaanse (vaak van Berberse origine) en de Turkse migranten (vaak behorend tot de Koerdische of Alevietische minderheden) onderscheiden zich van de autochtone bevolking doordat ze niet tot de Indo-Europese taalgroep behoren, maar vooral doordat de meesten van hen praktiserende moslims zijn. Dit is een nieuw gegeven in Vlaanderen. De beleidsmakers in Vlaanderen dachten hier nauwelijks aan en er werden geen specifieke initiatieven opgezet naar deze doelgroep. Trouwens, nog steeds is de erkenning van de islam in België niet uitgevoerd. Op religieus vlak zullen deze moslimgemeenschappen zich dus zelf organiseren. Het religieus gebeuren is dan ook voor de eerste generatie het belangrijkste moment voor sociaal contact. Het socio-culturele gebeuren, zoals jeugdactiviteiten en eigen taallessen, gebeurt dan ook in de schoot van de gebedshuizen. Voornamelijk de Turkse migranten organiseren zich in culturele verenigingen met vaak sterke banden met het thuisland. De beoefening van kunst in groepsverband vindt men aanvankelijk eerder bij de Turkse gemeenschap terug, al was het maar omdat muziek maken sterk gebonden is aan de religieuze activiteit (cfr. de Alevieten). Bij de tweede generatie zien de eerste volksdansgroepen het leven. De eerste schuchtere pogingen om een muziekbandje op te richten worden voornamelijk tijdens huwelijksfeesten zichtbaar. Zoals bij de Europese migranten kan men de kunstbeoefening herleiden tot de activiteiten van enkele individuen die hun culturele bagage ten dienste stellen van de eigen gemeenschap of tot entertaintment in de eerste oosterse restaurantjes die opduiken. (cfr. Johan Leman in Cultuur en Migratie).

De economische recessie van de jaren zeventig kent een aantal sociale gevolgen. Ten eerste leidt dit tot een immigratiestop voor mensen buiten de EU. De verloedering van de oude stadsbuurten (wegens de gebrekkige aandacht van het beleid dat geen reden ziet voor investeringen in deze buurten), het onaangepast onderwijssysteem en het gebrek aan werk, maken dat het samenlevingsklimaat in de steden gespannen wordt. Daarenboven zullen in de jaren tachtig extreme politieke groeperingen de nieuwkomers de schuld van alle problemen geven. Samen met de komst van duizenden politieke vluchtelingen, voornamelijk uit Sub-Sahara-Afrika, vormt deze situatie, zoals van Arkel het scherp heeft aangetoond, een uitstekende voedingsbodem voor racisme.

Kunst en politiek debat

De Vlaamse overheid ziet eindelijk in dat de sociale noden van migranten niet meer kunnen opgevangen worden door enkel de privé-initiatieven te ondersteunen die in de jaren zeventig op vrijwillige basis ontstonden. Er wordt een kader gecreëerd om op een meer gestructureerde manier een migrantenbeleid te voeren. Ondanks het feit dat het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid een stroomversnelling veroorzaakt, zal het moeilijk zijn voor de Vlaamse overheid om de opgelopen beleidsachterstand in te halen.

In deze context, waar iedereen bezorgd is om de meest essentiële noden van migranten (zoals onderwijs, tewerkstelling, huisvesting, gezondheidszorg…), is er weinig plaats om aan hun culturele behoeften te denken (cf. Piet Janssen, nota van de Werkgroep Gastarbeiders van de Provincie Antwerpen). Het migrantenbeleid, dat vooral een welzijnsaangelegenheid is, heeft weinig oog voor kunst en cultuur. Dit ondanks het feit dat, reeds eind jaren zeventig, antropologen zoals Roossens en Van Spaendonck wezen op het belang van cultuur voor de ontplooiing van migranten en de sensibilisering van autochtonen. De term ‘integratie’ had in de cultuurantropologische zin een positieve betekenis die in de mond van de politici een meer dubbelzinnige connotatie kreeg. Hierdoor werden voor Vlaamse politici termen als ‘etniciteit’ en ‘culturele identiteit’ begrepen vanuit de geschiedenis van de Vlamingen, maar hadden ze tegelijkertijd iets bedreigend, zeker in Brussel.

In de jaren tachtig, met de hete adem van racistische partijen in de rug, groeien er bij de autochtone organisaties voor migranten en bij geëngageerde autochtonen en allochtonen solidariteitsbewegingen met de migrantengemeenschappen.

Overal in Vlaanderen ontstaan er initiatieven, of winnen eerder opgerichte organisaties aan belang (cfr. Kontaktorgaan Internationale Solidariteit). Er is een gemeenschappelijke noemer: men gelooft dat men via kunst en cultuur de positieve kanten van migranten in het licht kan zetten. Dit wordt versterkt door de ietwat naïeve veronderstelling dat, als men elkanders gewoonten beter kent, racisme zal verdwijnen. Deze overtuigingen steunden enerzijds op een simplistische interpretatie van de theorieën van Roossens en Van Spaandonck, maar anderzijds ook op de positieve ervaringen van diegenen die er in geloofden. In elk geval waren ze sterk genoeg om grote aantallen mensen te mobiliseren voor wat men toen ‘interculturele activiteiten’ en ‘multiculturele festivals’ ging noemen. Aanvankelijk werden deze activiteiten, hoe zinvol ze ook mogen zijn, zeer amateuristisch opgezet. Blijkbaar was dit een typisch kenmerk van dit soort bewegingen. Ook in Amsterdam, London en New York heeft men het met vallen en opstaan geleerd. Het paternalisme waarmee ook in deze kringen, ondanks alle goede bedoelingen, migranten werden benaderd, is kenmerkend. Al snel komt men in Vlaanderen tot verschillen in benadering van kunst en cultuur in een intercultureel perspectief. Naargelang de initiatiefnemers, ontstaan er verschillende visies. Sommigen vinden dat vooral allochtone artiesten van hier aandacht moeten krijgen. Anderen geloven dat er in Vlaanderen geen professionele artiesten te vinden zijn en zweren bij kwaliteit uit de herkomstlanden. Weer anderen gaan op zoek naar allochtonen in de buurlanden, terwijl diegenen die vinden dat allochtone kunst een aparte ruimte moet krijgen (naar analogie van de wereldcultuurhuizen in het buitenland), lijnrecht tegenover anderen staan die deze kunst in reguliere instellingen zien. Modetrends veroorzaken de discussie of kunstuitingen al dan niet ‘authentiek’ of ‘niet-westers’ moeten zijn, of dat het voldoende is om een andere huidskleur te hebben om een ‘voorkeursbehandeling’ te krijgen… We zijn er allemaal mee bezig geweest omdat het uiteindelijk niet alleen om kunst ging maar ook over belangen en de positie van mensen in de samenleving!

De migranten van de eerste generatie krijgen in deze periode een plaats op het podium. Dit gebeurt meestal in de context van ‘georganiseerd multiculturalisme’. We denken aan de gebroeders Zahnoun, vader en zoon Tezerdi, vader en zonen Kubat, Abid El Bahri,… De jongere generatie heeft stilaan zijn weg gevonden in het reguliere circuit, maar Kubat die in België niet verder is geraakt dan optreden op huwelijksfeesten en op het ter ziele gegane Festival van de Immigrant, is in Istanbul zijn geluk moeten gaan zoeken. Hij is er in geslaagd een ster te worden, verkoopt honderduizenden CD’s en treedt in heel Europa op voor uitverkochte zalen. De schrijfster Leila El Houari, wiens boeken ook in Nederland zijn gepubliceerd, heeft Brussel moeten ruilen voor Parijs. Parafraserend zouden we kunnen zeggen ‘geen sant in eigen immigratieland!’.

Medeverantwoordelijkheid, geen apartheid

Hoe dan ook, onder impuls van één van de jongste nota’s van het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid, wordt voor de eerste maal op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap aandacht besteed aan de culturele noden van migranten. Voor het eerst behandelt het departement Cultuur in plaats van dat van Welzijn een aspect van het migrantenbeleid. Hoewel er ook aandacht uitgaat naar kunst, bestaat de essentie erin dat verenigingen van migranten (de zogenaamde zelforganisaties) erkend worden als socio-culturele verenigingen. Ter ondersteuning wordt een landelijk centrum opgericht, met name het Intercultureel Centrum voor Migranten. Dit centrum moet een stimulerende rol spelen op het vlak van de kunstuitingen van migranten en de relaties met het Vlaamse socio-cultureel werk. Ondanks de beperkingen van dit initiatief worden eindelijk die actoren uit de schaduw gehaald die gedurende tientallen jaren vaak het enige toevluchtsoord waren voor migranten die niet via de integratiecentra, de culturele centra… bereikt werden. Nog belangrijker: dit is een poging om mensen medeverantwoordelijkheid te geven in hun zoektocht naar oplossingen voor de eigen gemeenschappen. De emancipatorische gedachte van de Vlaamse arbeidersbeweging stond hiervoor model. Het is echter de vraag of de Vlaamse overheid niet te veel verwacht van deze verenigingen, die zeer verschillend zijn in samenstelling en organisatiestructuur (cf. Het Verenigingsleven van migranten: een nieuwe dynamiek, ICCM).

Op het vlak van de kunsten moet men voorlopig niet te veel verwachten van deze verenigingen. Hoewel zij cultuuruitingen belangrijk vinden en dankzij de subsidies van het decreet aan cultuurspreiding doen, staat kunst niet altijd op hun prioriteitenlijstje. Ondanks de beperkingen van het Intercultureel Centrum om in Vlaanderen iets te kunnen betekenen op het artistiek terrein, zijn aanzetten gegeven om op een scheppende manier om te gaan met creativiteit en diversiteit. Toch zal het beleid creatief moeten zijn om niet in zelfgenoegzaamheid te vervallen. Vele artistieke projecten van het Intercultureel Centrum hebben juist aangetoond welke de beperkingen zijn van een categoriaal beleid op dit vlak. De samenwerking met het Project Open Culturele Centra van de Provincie Antwerpen heeft aangetoond dat, om te komen tot een diversiteitsbeleid op het vlak van de kunsten, het homogeen en routinematig werken van de kunst en cultuursector moet worden doorbroken, eerder dan aparte instellingen te creëren of te subsidiëren. Intercultureel werk op het vlak van de kunst vergt een inclusief beleid.

Maar het beleid van de overheid en de instellingen kan moeilijk rekening houden met de snel veranderde situatie. Naast artiesten als Torre de Montijo, Amparo Cortes uit de migraties die we reeds hebben omschreven, migreerden ook studenten, artiesten en vluchtelingen uit Zuid-Amerika, Afrika en Azië. Deze groepen zijn kleiner in aantal. Hun migratie vond meer verspreid plaats. We denken hierbij aan Stella Undurraga, Fernando Gonzales, Sergio Molini, Ken N’Diaye, Princesse Mansia M’Bila, N’Faly Kouyaté, Emilien Sanou, Xia Hua, Hazim Kamaledin en vele anderen die gewoon in onze internationale dans- en muziekgezelschappen actief zijn. Dan praten we nog niet over de jongeren die hier geboren zijn en die vandaag aan een of ander project participeren of nog in opleiding zijn. Al deze mensen bepalen mee de demografie van België. Ondertussen zijn we soms vier of vijf generaties verder. De media en de reizende Vlamingen hebben Vlaanderens beeld volledig veranderd. Gemengde huwelijken en geadopteerde kinderen bepalen mee het steeds diverser wordende beeld van ons land. Wie in Brussel rondloopt, waant zich in London of New York. Toch weerspiegelt deze diversiteit zich niet in het georganiseerd cultureel leven, wellicht omdat de dominante groepen nog niet volledig openstaan voor deze diversiteit. Ook bestaat in de traditionele migrantengemeenschappen, bij individuen met verschillende achtergronden, nog steeds het dilemma of men er nu bij moet horen of niet. Zo leven er ambigue gevoelens tegenover assimileren, tegenover zich als etnisch-anders opstellen, tegenover de behoefte om op de maatschappelijke ladder te stijgen via het behalen van diploma’s of andere hogere statusverwervende bezigheden. In deze context moeten we misschien wachten op een jongere generatie om meer interesse voor de culturele sector te vinden. De vraag is echter of Vlaanderen dit potentieel talent zal kunnen valoriseren. Of moet, zoals Kubat of El Houari, echt talent reëmigreren ?

De verschillen zichtbaar maken

Pascal Nicolas van het Project Open Culturele Centra van de Provincie Antwerpen schrijft in de inleiding van zijn beleidsvoorstel dat ‘het rapport van de Wereldcommissie voor Cultuur en Ontwikkeling van de Unesco culturen als tijdelijke, dynamische conglomeraten van waarden ziet, die steeds beïnvloed worden door andere culturen. In ruimte en tijd zijn ze niet duidelijk te begrenzen. Culturen zijn echter geneigd zich homogener te zien dan ze zijn en verliezen soms het belang van heterogeniteit uit het oog. Het rapport stelt dat tolerantie niet alleen nodig is ten aanzien van individuele diversiteit, maar ook ten aanzien van cultuurverschillen van groepen. Heterogeniteit van cultuur is noodzakelijker dan homogeniteit’.

Verder merkt hij op dat de praktijk van de laatste tien jaar bol staat van multiculturele initiatieven. Die gebruiken de bovenstaande stelling als uitgangspunt, evenwel zonder dat het beeld van minderwaardigheid van allochtonen in onze lokale gemeenschap en het gevoel van meerderwaardigheid van de Noord-Atlantische wereld beïnvloed wordt. Dit terwijl allochtonen bij ons meer en meer uitdrukking (willen) geven aan hun culturele identiteit. Mensen in het zuiden van de wereld worden zich meer en meer bewust van hun eigenwaarde, al is het maar omdat hun waardenstelsel vaak het enige is wat ze nog hebben.’

De opvatting dat, als we genoeg over elkaar weten, cultuurconflicten vermeden kunnen worden, is verkeerd. In heel veel landen beperkt het multicultureel beleid zich tot het verspreiden van culturele manifestaties van minderheidsgroepen. Dit moet racisme tegengaan. In het voorgaande hebben we aangetoond dat er veel meer nodig is in een samenleving om tot een min of meer aanvaardbare samenlevingsvorm te komen. Meer aandacht moet gaan naar tewerkstelling, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, jeugdbeleid, godsdienstbeleving, politieke rechten…

Ondanks dit relativisme geloven wij dat kunst en cultuur in het algemeen kunnen bijdragen tot een betere communicatie en positieve interactie tussen mensen. Zeker indien we kunst niet reduceren tot de individuele creatie van een artiest, maar in een ruimere context plaatsen. Daarenboven moet het, zoals het Colloquium heeft aangetoond, op een professionele manier georganiseerd worden (ook wanneer het gaat om amateur-kunsten).

Kunst heeft een intrinsieke, universele waarde. De intellectuele oefening om ze te vatten, is al een aanzet tot het begrijpen van mensen. Het creatief bezig zijn, opent de geest voor de werkelijkheid. Deze uitspraken veronderstellen niet dat elke kunstenaar daarom een menslievend wezen is over alle grenzen heen. Ook kunstenaars zijn in eerste instantie mensen en beantwoorden zoals iedereen aan een aantal determinismen. Bovendien hebben ze een bepaald socialisatieproces achter de rug.

Kunst kan een medium zijn voor zowel positieve als negatieve boodschappen. Wij zijn ervan overtuigd dat veel jongeren in de wereld hun eerste stap in het mondiaal denken zetten via bijvoorbeeld de muziek. Vaak gebruiken opvoeders dit medium, naast literatuur of film, om mensen gevoelig te maken voor maatschappelijke thema’s. In deze context heeft kunst meer dan een consumptieve betekenis.

Vaak zijn kunstenaars zelf geëngageerd. Zij slagen erin om via hun charisma mensen gevoelig te maken voor bepaalde thema’s. Wanneer dit engagement via de massamedia het publiek bereikt, kan dit de invloed van de kunstenaar versterken en zelfs een politieke betekenis krijgen. Die hoeft de werkelijkheid niet noodzakelijk te veranderen. De gezamenlijke optredens van Theodorakis (Griekenland) en Livaneli (Turkije), die tienduizenden Grieken en Turken samenbrachten tegen de oorlog op Cyprus, zijn er een sprekend voorbeeld van. Men mag dit echter niet romantiseren en verabsoluteren.

Ondanks de verschillen, kan kunst een transcultureel element zijn dat mensen samenbrengt en dus een voorbeeldfunctie vervult voor positief samenleven. Op mondiaal niveau komen soms virtuoze muzikanten samen die, zonder elkaars taal en muziekinstrumenten te kennen, toch harmonische muziek maken.

De massamedia maken glokaal ageren mogelijk. Via allerlei festivals en programma’s kennen wij de meest lokale cultuurexpressies. Als we leren om met respect om te gaan met de dragers van die cultuurexpressies, de mensen dus, kan dit bijdragen tot een betere samenleving.

Hiermee bedoelen we dat er in het socialisatieproces niet enkel aandacht moet zijn voor de artistieke expressies. Het gaat om een opvoedingsproces waar kunst één element van is. Hierin speelt het onderwijs een cruciale rol. Zolang het onderwijssysteem een veruiterlijking blijft van een homogene deelcultuur zullen kinderen nooit tijdig over een open referentiekader beschikken. Vandaar het belang van kunstzinnige vorming in het algemeen en de confrontatie met ‘andere’ kunstexpressies vanaf de prille leeftijd. Dit geldt ook in het deeltijds onderwijs.

Eigenwaarde en wederzijds respect

Het artistieke en het culturele kunnen ook op de terreinen waarover we eerder spraken een rol spelen. Er zijn mensen (ook uit de minderheidsgroepen) die beweren dat kunst en cultuur een elitaire bezigheidstherapie is zonder relevante maatschappelijke impact. Het is waar dat multiculturaliteit vaak gereduceerd wordt tot het tonen van kunstjes van bepaalde bevolkingsgroepen. Dit valt zeker niet goed te praten en heeft niet veel effect op het proces van positieve beeldvorming van deze groepen. Wie echter beweert dat de culturele sector geen maatschappelijke impact heeft, weet ofwel niet waarover hij het heeft, ofwel heeft hij andere belangen te verdedigen. Bij dit laatste getuigt het van intellectuele eerlijkheid om dit toe te geven.

‘Kunst en cultuur geven aan groepen een gevoel van eigenwaarde’, zegt Pascal Nicolas. Dit hebben wij in onze praktijk honderden malen kunnen ervaren. Wanneer de activiteiten op een respectvolle manier zijn georganiseerd, waarbij de betrokken cultuurgroepen in een positieve context naar voren komen, is het gevoel van trots en eigenwaarde onbeschrijfelijk. Dit heeft niets met patriottisme te maken, maar met het gevoel dat men in deze samenleving iets te betekenen en bij te dragen heeft.

Kunst en cultuur dragen bij tot het geven van referentiekaders voor de opvoeding van individuen en identiteitsvorming van groepen. Dit is noodzakelijk om een sociaal leefklimaat te creëren waarin mensen zich thuis voelen.

De Koning Boudewijn Stichting publiceerde een rapport (cf. Verslag van de Armoede) waarin de minstbedeelden het recht op cultuur eisten om uit hun isolement te komen. Veel kunstprojecten met een sociale inslag spelen een belangrijke rol wanneer zij geleid worden door kunstenaars met visie en charisma.

Wij haalden het belang van tewerkstelling aan. Het zou mij te ver leiden om in het bestek van deze tekst alle toepassingsmogelijkheden van kunst en cultuur in een multiculturele context op te sommen, laat staan te beschrijven. Buiten de kunstenaars zelf die aan hun trekken kunnen komen, is er een hele waaier van mogelijkheden. Culturele centra, kunstencentra, theaters, galerijen, decorbouw en techniek, instrumentenbouw, lay-out bureaus, de privé-organisatoren van culturele manifestaties, managementbureaus, overheidsdiensten, universiteiten, kunstscholen, het basisonderwijs, de media…, het zijn allemaal sectoren die te maken hebben met het ontwikkelen van kunst en cultuur. Deze sectoren zijn praktisch volledig in handen van westerlingen en blanke autochtonen. Niet alleen zijn hier duizenden arbeidsplaatsen voorhanden, maar daarenboven zou de aanwezigheid van meer allochtonen in deze sectoren niet alleen de beeldvorming over hen verbeteren, maar het homogeen beleid van deze sectoren beïnvloeden.

Hiervoor is het noodzakelijk dat de bevindingen van dit Colloquium in al deze sectoren doorsijpelen en dat niet enkel de Volksontwikkeling de verantwoordelijkheid draagt om een meer divers kunst- en cultuurbeleid uit te bouwen. De kracht voor verandering moet uit de hele Vlaamse Gemeenschap, in zijn institutionele en demografische betekenis, komen. Deze verandering is alleen mogelijk als we ons bewust zijn van ons eigen racisme en van de kracht van diversiteit.

Angelo De Simone was van september 1993 tot augustus 1998 directeur van het Intercultureel Centrum voor Migranten in Brussel. Daarvoor was hij gedurende drie jaar coördinator van de interculturele projecten van het Kulturencentrum de Pianofabriek in St Gillis. Hij is free-lance trainer Interculturele Communicatie en Diversiteitsmanagement, en is momenteel docent aan de Sociale Hogeschool van Heverlee en zanger/gitarist in ‘diverse’ groepen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift