De lof van de vlucht

Het moet heerlijk zijn om als cineast in enkele jaren tijd twee keer gelauwerd te worden in Cannes. Die eer ging naar de regisseur van ‘Toto le héros’ en ‘Le Huitième Jour’. ‘Ik kreeg veel sympathie, maar ik heb sindsdien ook meer vijanden dan voorheen’, vertelt de 41-jarige Jaco Van Dormael op zijn zolderkamer in het Waalse Rixensart. Hij koopt veel boeken en leest er maar enkele. Boeken die -net als zijn films- bewust chaos scheppen of voor de bestaande chaos een verklaring zoeken.
De emotie die de ‘Le Huitième Jour’ wakker riep, stemde Jaco Van Dormael soms achterdochtig. Het verhaal van de gestresste zakenman Harry en de van het leven genietende mongool Georges functioneerde weliswaar als een spiegel voor elke toeschouwer. Harry doet wat hij moet doen, Georges doet wat hij wil doen, Harry leeft alleen voor morgen, Georges voor het hier en nu. Maar tegelijk stelt Van Dormael vast dat ‘dezelfde mensen die tranen wegpinkten bij ‘Le Huitième Jour’, roepen dat de vreemdelingen in ons land maar vlug moeten ophoepelen.’ Het toenemende racisme in zijn ‘goeiige landje’ ergert hem: ‘Je kon vroeger ongehinderd kosmopoliet zijn. Ik vond het heerlijk om tussen Gent en Brussel minstens twee nationale en drie vreemde talen te horen in de trein. Nu kiest iedereen zijn kamp. ‘Vlaming of Waal, links of rechts, rechts en nog rechtser. En wie niet kan kiezen, wordt maar Brusselaar.’ Zelf ondervond hij aan den lijve waartoe kampen kunnen leiden: ‘Toen wij een tijdje in Duitsland woonden, heette ik ‘der Französe’. Onze bovenbuur was een vroegere SS-er die door Amerikanen was gefolterd aan het einde van de oorlog. De helft van zijn gezicht was verminkt door brandende sigaretten. Voor mij was het duidelijk dat de Amerikanen de rotzakken waren geweest in de Tweede Wereldoorlog. Enkele jaren later keerden we naar België terug. Daar werd ik ‘de mof’. En ik leerde dat er aan beide zijden smeerlappen geweest waren.’

In het gesprek wordt het mij boek na boek duidelijker waarom Van Dormael -net als Georges- door God misschien op een ‘achtste dag’ geschapen is. Net als Georges wil Van Dormael van het leven bovenal een feest maken en zet hij grote idealen en filosofieën graag met de voeten op de grond, ‘bien à plat’, zoals hij regelmatig zegt.

‘Wij zijn een stuk speelgoed, wij dienen om het leven te laten verdergaan. Het leven zelf staat alleen in dienst van het leven. Zonder noodzaak. Zonder doel. Als het goed is, kan het verder. Dat is een excellente filosofie tegen depressies. Zo leer je hoe vergankelijk alles is. Ik haalde dat uit ‘De lof van de vlucht’ van de Franse bioloog en filosoof Henri Laborit. Wie daartoe bijdraagt, krijgt compensaties: het genoegen van te eten, het plezier van het vrijen. Dat zijn de compensaties van een leven dat ons manipuleert en ons soms een fantastisch gevoel geeft. Wij hebben er het plezier van, maar onze vrijheid is illusoir. Ook de liefde van ‘ik blijf je eeuwig trouw’ valt onder de illusies. Het gevoel ‘ik kan niet zonder jou’ hangt samen met de biologische behoefte om kinderen groot te brengen. De noodzaak schept haar genoegens, maar geen vrijheid. Het feit bij één vrouw te blijven is van dezelfde orde als niet te ver van de koelkast te leven om te kunnen eten.’

Waar komt Laborits titel vandaan?

‘Onze tijd dicteert ons dat wij ‘de zaken moeten aanpakken’. Laborit daarentegen beweert dat er nogal wat zaken zijn waarvoor je beter kunt vluchten. Bij een confrontatie zijn er altijd winnaars en verliezers. Oorlog en pijn kunnen je vernietigen, ze maken je tot beul of slachtoffer. Er is maar één interessante oplossing: vluchten.’

Zoals Georges zich in ‘Le Huitième Jour’ opsluit in de auto terwijl zijn vriend voor zijn ogen (en door zijn schuld) in elkaar wordt geramd door een woedende trucker. Dapper is anders.

‘Ik vind het gebrek aan moed formidabel. Vluchten kan een moedige daad zijn. De confrontatie zoeken kan krankzinnig zijn. In naam van principes of idealen zijn onnoemelijke stommiteiten begaan.’

Maar Georges is gewoonweg láf.

‘Georges vindt dat je laf moet zijn, als dat nodig is. Hij heeft geen zin om ook maar één slag te incasseren.’

Zullen we de grootste monden en sterkste vuisten dan maar laten winnen? Zelf engageert u zich de afgelopen tijd toch ook uitdrukkelijk voor asielzoekers?

‘Het uitlokken van een confrontatie maakt de sterksten alleen maar zelfverzekerder. Verlies je energie niet in het gevecht tegen iets of iemand. Wijd jouw energie aan de zaak waarin je gelooft. Extremisten, ruziestokers zijn wat blij als je met stenen begint te gooien. Dat sterkt hen alleen maar.’

Ik wil het over de man zijn boéken hebben en ik laat zijn films rusten. Maar opnieuw zie ik Georges uit ‘Le Huitième Jour’ het gras betasten en luisteren hoe de grassprietjes groeien als Van Dormael vertelt over een ander geliefkoosd auteur van hem: de Amerikaan James Gleick die verschillende boeken over chaostheorieën schreef en wetenschappelijk columnist is bij de New York Times. Doodernstig doceert de cineast: ‘Van Gleick leerde ik dat als een vlinder zijn vleugels uitslaat in Chili, het weer in Alaska het jaar nadien niet hetzelfde zal zijn. Voor mij is dat uiterst concreet. Ik bakte deze morgen een ei en dat heeft invloed op het weer in Australië. Als de Australiërs over enkele maanden van mooi weer genieten, is dat misschien te danken aan mijn eitje van deze morgen. Dat is ook zo in een mensenleven. Minuscule handelingen kunnen alles laten kantelen. Je gaat vanavond niet naar het theater, maar blijft naar een film kijken op de buis en daardoor mis je misschien de ontmoeting met de vrouw van je leven.’

Gleick overleefde onlangs een vliegtuigcrash. Dat heeft hem wellicht gesterkt in zijn ideeën?

‘Niets is toeval. Het leven is als het werpen van een dobbelsteen. Een vijf gooien, heeft een aantal oorzaken. Als je één seconde van een mensenleven wilt analyseren, heb je tien jaar nodig om alle factoren bijeen te brengen die verklaren waarom iets een volgende seconde niet zus maar zo is. Onze levens zijn oncontroleerbaar, maar niet toevallig. Wij dénken alleen maar dat we alles kunnen controleren. Ik werk momenteel aan een film over de chaos. Maar eigenlijk is alle kunst een wanhopige poging om de chaos te beheersen. Miniatuurtjes die de indruk geven dat wij de chaos kunnen beheersen. Een film, een boek: het zijn kleine, wanhopige pogingen om betekenis te vinden in de chaos. Als een steentje dat we vasthouden en waarvan we zeggen: dat willen wij absoluut niet meer lossen. Terwijl er nog een grote berg achter je ligt.’

En als de chaos ons overdondert is er nog altijd het vuurwerk van de ongebreidelde fantasie?

‘Onze levens zijn op zichzelf al gewoonweg surrealistisch. Ken je Kurt Vonnegut? Nog een Amerikaans schrijver van indianenverhalen. Lees ‘The Breakfast of the Champion’. Een vagebond reist door Amerika met de trein. Ergens valt hij eraf en komt zo ‘toevallig’ in een dorp waar hij zijn intrek neemt. Het boek verbaast je bladzijde na bladzijde. De vader van de zwerver was in zijn jeugd schilder. In het begin van de jaren dertig had hij een Oostenrijkse vriend met wie hij samen schilderlessen volgde. Die vriend interesseerde zich stilaan aan politiek en deed aan de vader van de zwerver een schilderijtje cadeau. In zijn kleine dorpje in Arkansas hing hij enige tijd later het schilderijtje op en pakt ermee uit bij zijn buren. ‘Van mijn vriend, Adolf Hitler, die de afgelopen jaren in Duitsland steeds meer respect afdwingt.’ Maar als de oorlog begint, neemt zijn trots vlug af, dan wordt hij…

…de mof?

‘Zijn kinderen praten niet meer met hem. Het is om je dood te lachen. Een verhaal dat helemaal uit de hand loopt.’

Compenseert uw hang naar het fantastische de grijsheid en de middelmatigheid van België?

‘Ik vind dit helemaal geen grijs landje. De mensen zijn erg verschillend en daar hou ik van. Hier moet je wel een beetje gestoord zijn om niet gek te worden. Ik hou ervan om mensen te ontmoeten die uit totaal verschillende hoeken komen. Vrienden in de wereld van de film, maar ook elders. Pascal, die ‘Georges’ speelt in ‘Le Huitième Jour’. Ik woonde achttien jaar in een gemeenschapshuis in Brussel. Mensen met erg uiteenlopende beroepen en tussen de twee en zeventig jaar. Ondanks die verscheidenheid kwamen wij elkaar op de trappen alleen maar als vrienden tegen.’

U koos voor die gemeenschap?

‘Het was een groep mensen die uit wederzijdse sympathie ging samenwonen. We zaten allemaal wel een beetje op zwart zaad. Neen, geen project, geen idealen. We verdienden ons brood en hadden nooit discussies over geld. Een groep van tien, vijftien mensen. Wij hadden een mentaliteit, maar geen regels. Waar idealen worden opgedrongen, verdwijnt medezeggenschap. Er zijn dan altijd kapers die zeggen: ‘Daarmee houden wij ons wel bezig’. Het ideaal wordt uit handen gegeven en het wordt macht. Het geld was bedoeld om het leven te vergemakkelijken, maar het kwam in de handen van schatbewaarders en bankiers. De godsdienst kwam in de handen van leiders die zeiden: dat is God en dat is God niet, dit is Goed en dat is Kwaad. Ze gingen bekeren. Idealen vernietigen zichzelf, zodra ze geïnstitutionaliseerd worden. Dat is het einde van alle spiritualiteit.’

Ieder zijn keuze, zijn emotie, zijn geloof… wat maakt dan nog het cement uit van een samenleving?

‘Ik geloof niet dat er cement is. De gemeenschappelijke basis van het leven op deze planeet is dat er niets gemeenschappelijk is. Wij, mensen, gelijken niet op elkaar. Bij vlagen herkennen wij wel iets in de ander dat op onszelf lijkt. Maar meer is dat niet. Anderen ontroeren ons of roepen verbondenheid op omdat ze als spiegels ons eigen beeld weerkaatsen. Wij herkennen wat wij zelf denken in wat anderen zeggen. En dat bevalt ons dan. Dat schept de indruk van een ‘gemeenschappelijkheid’, maar het blijft een illusie.’

Van Dormael wordt opgebeld en loopt met zijn gsm zijn atelier uit. Ik heb wat tijd om rond te kijken op de werkzolder. Een grote, groene affiche voor zijn ‘Huitième Jour’ uit Japan. Twee slapende boeren in het hooi. Vincent Van Gogh. Kindertekeningen van zijn dochtertjes van zeven en elf jaar. Een liefdesbriefje van de oudste in een kadertje: ‘Cher Jaco, ik ken je tot in de toppen van mijn tenen. Ik kwam uit mama’s buik en uit jouw hart. Je t’aime.’ En dan zijn ene boekenkast (een andere staat in de slaapkamer waar, zo zegt hij mij, zijn vrouw nog ligt te slapen). Hugo Claus. ‘Het verdriet van België’. Verlaine. Van Dormael komt de trappen op en merkt mijn nieuwsgierigheid: ‘…ik koop veel boeken omdat ik steeds veel zin heb om te lezen. Maar het komt er niet van. Ja, scenario’s, draaiboeken. Dingen die ik toegestuurd krijg. Na ‘Toto le héros’ kreeg ik een honderdtal boeken met kinderpersonages. Tot ze mij de strot uitkwamen. Na ‘Le Huitième Jour’ waren het boeken met allerlei gehandicapten. Zodat ik ook daar geen zin meer in heb.’

We laten uw vrouw slapen, maar verklapt u eens wat de mooiste, gelezen boeken zijn in uw andere boekenkast?

‘Die van de hand van vrouwen. Joyce Caroll Oates. Een Amerikaanse die verschrikkelijk veel schrijft. Ze zei ooit in een interview dat ze maar één groot probleem had: materieel gesproken op één dag niet meer dan vijftig bladzijden te kunnen schrijven. Ze schrijft erg cru, over sterke vrouwen, over vrouwen met een ongelooflijk geweld in zich. Zoals in de ‘Biecht van een meisjesbende’. Onvoorstelbaar hoe die vrouw over vrouwen schrijft.’

Inspireert zij uw films?

‘Zulke schrijfsters helpen mij over mijn onmacht heen om vrouwelijke personages te beschrijven. Want dat vind ik het moeilijkst. Joyce Caroll Oates ziet heel rake dingen bij vrouwen. In Frankrijk is er nog zo een schrijfster over buitengewoon gewelddadige vrouwen: Virginie Despentes. Haar eerste roman heette ‘Kus me’. Over de verderfelijke onschuld. Twee vrouwen ontmoeten elkaar toevallig, stelen enkele dingen, vermoorden dan -als bij toeval- iemand en beginnen uiteindelijk mensen af te slachten met een woede, een haat die hen laat beseffen dat het geen toeval kan zijn. Zij haten de onschuldigen, de onschuldigen die in hun goed recht zijn. Verder staat er in het boek het verhaal van een meisje dat in haar adolescentie zwanger werd van haar vader (haar moeder was vroeg gestorven). Ze stapt naar een gynaecoloog die een klacht neerlegt bij de politie. Het meisje wordt in een home geplaatst, de vader ter dood veroordeeld. De gynaecoloog was de grote onschuldige. Hij is de ‘Belg’ in het verhaal: met overtuiging het eigen gelijk verdedigen, netjes aan de kant blijven toekijken, terwijl je eigenlijk vuile handen hebt.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift