De morele opstanding van het Westen. Een gesprek met Martin Berger

We blijven nog veel te blind voor de impact van het ‘blanke’ wereldbeeld op onze artistieke productie en de interpretatie van onze visuele cultuur. Dat blijkt uit een gesprek met Martin Berger, Amerikaans professor kunstgeschiedenis en visuele cultuur, over ‘blanke’ zelfreflectie, Amerikaanse fixaties, doortastende kunst en de films Django Unchained en Lincoln.

  • Martin Berger.

Wie nagaat hoe de kunsten zich ontwikkelen buiten de westerse invloedssfeer, en hoe ze bijdragen tot een blik voorbij de tweedeling tussen westers en niet-westers, kan niet om de verbanden tussen ‘blank-zijn’ en de dominante culturele idealen heen. Het is nog niet zo heel lang dat blank-zijn iets zichtbaars is geworden, en dus onderhevig aan kritiek. ‘Whiteness’ heeft naar zichzelf leren kijken en beleeft nu zelfs een crisis. Whiteness is niet langer dé onbetwiste norm: het moet nu rekenschap afleggen over de eigen geschiedenis en hegemonie.

‘Blank-zijn’ op zich, als huidskleur, staat niet langer noodzakelijk gelijk aan de toegang tot het economische en culturele kapitaal. De praktijk legt evenwel een schimmiger gang van zaken bloot. Het gaat vandaag eerder om – zelfs al ben je zwart van huidskleur – ‘blank-worden’, wat nog steeds geldt als een dominant esthetisch verlangen of moreel ideaal om te voldoen aan criteria als universaliteit, objectiviteit en schoonheid. ‘Blank-worden’, zo blijkt uit recent onderzoek in Brazilië, blijft ook noodzakelijk om de wenselijke sociale mobiliteit te bereiken. Zelfs in de artistieke wereld blijft dit ‘blank-worden’ onveranderlijk de ongelijke verhoudingen bepalen. Is dat geen anomalie, in een wereld die zich zo stilaan losweekt uit de oude tegenstellingen tussen Oost en West, tussen centrum en periferie?

Vanuit sommige uithoeken in de academische wereld en de kunsten is de jongste twintig jaar sterk weerstand geboden tegen de gevolgen van de blanke hegemonie. Het droeg allemaal bij tot een belangrijke verschuiving: de Euro-Amerikaanse whiteness-tandem bereikte een nieuwe fase van kritisch zelfbewustzijn. Vooral kunstenaars als Adrian Piper, Suk Ja Kang-Engles en Tana Hargest hebben veel humor aan de dag gelegd om de hardnekkigheid van ‘raciaal geweld’ in de artistieke wereld en de populaire cultuur te duiden. Door te wijzen op de sociale constructie van whiteness werden bepaalde privileges doorprikt. Het fictieve karakter van de blanke dominantie werd blootgelegd. Zo bleek dat whiteness niet op zichzelf bestaat, maar net afhankelijk is van haar specifieke voorstelling van de (onderworpen) anderen en van zichzelf.

Martin Berger, werkzaam aan de Universiteit van California (Santa Cruz), schreef – in het zog van academici als Richard Dyer, Alfred López en Maurice Berger – enkele markante studies over de verbanden tussen blanke representatie en sociale macht in de Amerikaanse visuele cultuur. Als blanke onderzoeker heeft hij een hele weg afgelegd, die symbolisch is voor het groeiende zelfbewustzijn rond whiteness. ‘Ik begon al snel in te zien dat mijn poging om academisch neutraal te blijven in wat ik aanvankelijk beschouwde als de studie van niet-blanken, absurd was’, zo verduidelijkt Berger zijn ontwaken uit de blanke sluimerstand. ‘Het werd steeds moeilijker vol te houden dat mijn interesse in niet-blanken niets te maken had met mijn eigen raciale identiteit. Mocht ik in mijn onderzoek de bal misslaan, zouden niet-blanken ook een grotere prijs betalen dan ikzelf. Het rassenprobleem is vooral het probleem van zij die de macht in handen hebben, ging ik beseffen. Ik besloot dat het veiliger en vruchtbaarder zou zijn om mijn energie te steken in de analyse van de rol van whiteness in het bestendigen van de raciale ongelijkheden.’

Whiteness wijst duidelijk op meer dan louter huidskleur of zelfs sociale status.

Martin Berger: ‘Ik ben ervan overtuigd dat we het debat rond whiteness verarmen als we dat beperken tot typische twintigste-eeuwse invalshoeken als fenotypische kenmerken en status. Historici als David Roediger, Karen Brodkin en Matthew Jacobson hebben ons doen inzien hoe onzinnig een objectieve bepaling van huidskleur is. Natuurlijk, Amerikanen beriepen zich lange tijd op de idee van huidskleur als hét kenteken van raciale identiteit. En de impact ervan wás ook groot. Maar het punt is dat die focus op huidskleur aan kracht inboette toen men meer en meer ging vaststellen dat de grens tussen ras-onderscheidende kleurpigmenten ‘vloeibaar’ is. Elke Amerikaan kent wel een Afro-Amerikaan met een lichtere huidpigmentatie dan een Zuid-Europeaan, en toch twijfelen weinigen aan het ‘zwart-zijn’ van de Afro-Amerikaan. Uit de negentiende eeuw hebben we ook heel wat getuigenissen van West-Europese protestanten over “de donkere huid” van Oost-Europese Joden of zelfs katholieke Ieren. Vandaag vinden we die observaties ongetwijfeld “ouderwets”. Voor ons zijn Joden en Ieren altijd blank geweest, zelfs als negentiende-eeuwse Amerikanen dat anders begrepen. Maar we hebben het fout als we ervan uitgaan dat blank-zijn vast omlijnd is. Afro-Amerikanen met een lichte huid kunnen vandaag doorgaan voor zwart, en ook minder welstellende Europeanen werden de voorbije eeuwen als donkerder gezien, precies omdat ze niet voldeden aan de culturele tests voor blank-zijn. Het zijn de sociale omstandigheden die bepalen wat we zien, toen en nu.’

In je jongste boek, Seeing through Race: A Reinterpretation of Civil Rights Photography (2011), schets je hoe zwarten en blanken vaak totaal verschillende betekenissen toekennen aan dezelfde foto’s van de zwarte burgerrechtenbeweging.

Martin Berger: ‘Ja, in hoeverre structureert whiteness ons wereldbeeld? Dat is een interessante vraag. In mijn onderzoek ga ik na hoe raciale identificaties ons voorbepalen in wat we zien, wat we als waar aanvaarden, en welk socio-economisch beleid we vormgeven. Welke predisposities leiden tot welke interpretaties? En welke impact hadden die interpretaties op de groep en op de anderen in de samenleving? De essentie van mijn boek is niet dat één bepaald ras deze beelden verkeerd interpreteerde, maar dat hun uiteenlopende raciale wereldbeelden leidden tot totaal andere interpretaties van de mensen en de gebeurtenissen zoals gefotografeerd op straat.’

Waarom lijkt whiteness in Amerika steevast op een onverwerkt trauma te wijzen?

Martin Berger: ‘Er is inzake raciale kwesties veel vooruitgang geboekt, maar die heeft hoegenaamd niet alle ongelijkheden weggewerkt. Kijk naar de disparate veroordeling van blanke en niet-blanke beklaagden, het overwicht van niet-blanken met subprimehypotheken, de ondergeschikte publieke scholen in niet-blanke buurten, de ondermaatse gezondheidszorg die niet-blanken ervaren, of hoe elke economische terugval onevenredig veel niet-blanken schaadt. En dan heb ik het nog niet over de historische echo’s van slavernij, seksueel geweld, segregatie, lynchpartijen en asielbeleid op basis van ras. In vele Amerikaanse gemeenschappen blijft ras tot op vandaag iets ruws. Om de Afro-Amerikaanse historicus en activist W.E.B. Du Bois te parafraseren: het probleem van Amerika is het probleem van de “kleurlijn”.’

In Europa daarentegen gaan we er nogal snel vanuit dat alle perversies van ‘witte’ dominantie en uitbuiting tot een koloniaal verleden behoren.

Martin Berger: ‘De Europese context is erg verschillend, maar dat maakt het onderzoek naar ras en vooral whitenessniet minder dringend. Britse collega’s van mij zijn vaak geamuseerd door wat zij de Amerikaanse fixatie op rasverschillen noemen. Voor hen draait alles veeleer om klasse. En historisch bekeken is ras inderdaad hét paradigma in de Verenigde Staten, zoals klasse dat is in het Verenigd Koninkrijk. Toch is het plausibel dat Europeanen nog steeds gesensibiliseerd moeten worden rond de raciale problemen van vroeger en nu. Net zoals Amerikanen wellicht niet genoeg doordrongen zijn van klassegebonden problemen. Ras of klasse: dat is een historisch bepaalde focus, zeker geen essentiële motor van een samenleving. Maar kan je echt stellen dat de opkomst van de Golden Dawn in Griekenland, de lang onopgemerkt gebleven golf van moorden door de Nationalsozialistische Untergrund in Duitsland of het aanhoudende succes van Front National in Frankrijk totaal geen verband houden met ruimere kwesties van whiteness? Schuif je dit zomaar opzij als uitzonderingen? Is de aimabele en amusante Zwarte Piet uit Nederland geen analyse waard? Vragen stellen bij een minstreelfiguur met een zwart gezicht die uit Spanje komt om kinderen te entertainen en cadeaus uit te delen, betekent niet dat je Europeanen per definitie als racisten bestempelt. Het betekent dat je nagaat wat deze raciale constructie oplevert voor de blanken.’

Zou je kunnen stellen dat blanken die zich verdiepen in hun blank-zijn een gevolg zijn van een tanende dominantie van het Westen?

We hebben het fout als we ervan uitgaan dat blank-zijn vast omlijnd is.

Martin Berger: ‘Interessante vraag, al was het maar omdat in de VS zelden vragen gesteld worden over een westerse terugval. Maar als je de hysterie van sommige blanken ziet – het gevoel verdrongen te worden door niet-blanken – vermoed ik dat die zich inderdaad baseert op een indruk van een westerse neergang. Alleen denk ik niet dat die reële of ingebeelde neergang iets te maken heeft met de kritische studies van whiteness. Zij die zo’n terugval het meest vrezen, zijn vaak niet bijster geschikt omwhiteness nader te onderzoeken. Zij zullen juist pleiten voor de bestendiging ervan. En zij die whiteness analyseren, hechten niet veel belang aan metaverhalen rond “groei” en “achteruitgang”. Studies rond whiteness moet je eerder associëren met een verlangen naar meer rechtvaardige samenlevingen. Een raciaal system ontmantelen dat alle privileges overdraagt aan blanken, is ook strijden voor de morele opstanding van het Westen.’

Welke kunstenaars weten voor jou die culturele hegemonie van whiteness te doorprikken en een opening te creëren voor zo’n morele opstanding?

Martin Berger: ‘Een mooi voorbeeld van hoe hedendaagse kunst de blanke hegemonie kan doorprikken, vind ikAccused/Blowtorch/Padlock (1986), een mixed media werk van de Afro-Amerikaanse Pat Ward Williams. Het kwam tot stand nadat Williams op een fotoboek was gestoten dat was uitgegeven door Life magazine, zonder twijfel het meest populaire blad in het Amerika van de twintigste eeuw. Dit boek, The Best of Life, selecteerde de beste foto’s die ooit in het magazine verschenen. Williams trof er het beeld aan van een levenloze zwarte man, zwaar toegetakeld en aan een boom geketend. De kop bij de foto lichtte simpelweg toe: “Accused in 1937 of murdering a white in Mississippi, this black man was tortured with a blowtorch and then lynched.” Williams scheurde de pagina uit, bevestigde ze op teerpapier en plaatste ze in een houten raamwerk. Vervolgens voegde ze er handgeschreven commentaren aan toe, getroffen als ze was door het volkomen gebrek aan context bij de gepubliceerde foto.

Wat ze deed, was de kijker wijzen op de verschrikkelijke dynamiek om iemand te folteren met een fakkel. Door te vragen “Where do you torture someone with a blowtorch? BURN off an ear? Melt an eye?”, dwong ze je niet alleen stil te staan bij de pijnlijke ondergang van dit individu, maar maakte ze het je verder onmogelijk om deze foto op te vatten als een veralgemenend symbool van een racistisch verleden. Toch schuilt het belang van haar project nog elders: ze zette haar publiek ertoe aan om de ‘witte’ markt voor zulke beelden te bevragen. Life publiceerde de wansmakelijke foto herhaaldelijk, met weinig tot geen redactionele verklaring. Met een vet potlood voegde Williams daarom toe: “Could Hitler show pics of the Holocaust to keep the Jews in line?” Het suggereert dat deze lynchbeelden deel uitmaken van een voortdurende inspanning om Afro-Amerikanen in de pas te houden. In het beste geval illustreert de opname van de foto in een best of-editie de onverschilligheid van de redacteurs en hun blanke lezers voor het leed dat zulke scènes veroorzaken bij niet-blanken. In het slechtste geval stel je vast dat blanken dit geweld aanvaarden als een ‘normaal’ antwoord op hun beeld van zwarte criminaliteit. Wat Williams ook beoogde, dit kunstwerk maakt het voor blanken onmogelijk om niet te reflecteren over hun eigen rol in de uitgebreide publicatiegeschiedenis van dit beeld. Net als de Life-redacteurs veronderstellen de meeste blanken dat zulke beelden voor zichzelf spreken. Williams wist dat die beelden ons nodig hebben om voor hen te spreken.’

Zowel Spielberg als Tarantino brachten onlangs een film uit over het Amerikaanse tijdperk van de slavernij. Bieden Lincoln en Django Unchained ons inzicht in huidige vormen van raciale machtsrelaties?

Martin Berger: ‘Volgens sommige filmcritici en academici zou Tarantino’s verdienste schuilen in zijn afrekening met de Hollywood-regels. Maar dat wil uiteraard niet automatisch zeggen dat zijn films dominante sociale relaties verstoren. Wanneer Amerikanen denken aan groepen die het zuivere kwaad belichamen, dan staan nazi’s en slavenhouders ongetwijfeld bovenaan de lijst. In Inglourious Basterds (2009) en Django Unchained (2012) spiegelde de regisseur ons revisionistische fantasieën voor van Joden die nazi’s afslachten en zwarten die blanke racisten en slavenhouders vermoorden. Sommige Joden en zwarten mogen dan wel een plaatsvervangend plezier ervaren hebben in hoe die protagonisten de geschiedenis herschrijven, toch spelen beide films emotionele denkbeelden uit die niet echt leiden tot inzichten over ras en racisme. Nazi’s en slavenhouders zijn in de Amerikaanse samenleving niets anders dan karikaturen: ze zijn zo “anders” dat ze ons eigenlijk niets kunnen leren over de geschiedenis of de keuzes van echte mensen.

Django Unchained was enkel productief geweest, mocht de film de afstand tussen progressieve en racistische vooroorlogse blanken verkleind hebben. Daaruit zou blijken dat beide groepen hun voordeel hebben gehaald uit de dominante raciale en economische relaties van die tijd. Nog interessanter was het geweest mocht de film hebben laten zien hoe blanke Amerikanen vandaag blijven investeren in vergelijkbare hiërarchische raciale relaties. Tarantino maakt het voor blanken namelijk wel erg makkelijk om zich te distantiëren van hun racistische voorouders. Zij kunnen zich iets te vlot verenigen met het zwarte deel van het publiek, en samen het uitmoorden van de karikaturale vooroorlogse blanken toejuichen. Django Unchained laat blanken toe fier te zijn over hun ‘raciale vooruitgang’, en zorgt verder voor geen enkel ongemak over die elementen van racisme die ons ook vandaag nog besmetten.’

Wat moet een goed kunstwerk beogen in een wereld van blanke privileges en superioriteit? Schaamte? Kwetsbaarheid? Schuld? Het doorprikken van blanke machtsrelaties en normen?

Martin Berger: ‘De betere kunstenaars en schrijvers streven ernaar de sociale wereld complexer te maken dan hoe we die dagelijks ervaren. De meeste sociaal constructieve kunstwerken maken onze blik op een kwestie of gebeurtenis minder eenduidig. Of, beter nog, ze dwingen ons de confrontatie aan te gaan met onze rol daarin. Ik ben ervan overtuigd dat vele blanke kijkers van Django zich meteen tot het verhaal aangetrokken voelden. Ze ervoeren ongetwijfeld een opstoot van emotie (opwinding, bezorgdheid, bevrediging) wanneer het personage van Jamie Foxx zich een weg schiet door het “blanke vlees” om zijn vrouw te bevrijden. Aangezien die emotie langs voorspelbare kanalen vloeit, en het beeld van slavernij dus niet compliceert, is ze niet echt productief. Het is mijn overtuiging dat emotionele reacties zelden goed of slecht zijn op zich, maar dat ze onderzocht moeten worden in hun context. Enkel zo kunnen we nagaan hoe zij historisch gewerkt hebben. “Goede” kunstwerken zijn er ook niet op gericht een specifiek gevoel te bewerkstelligen. Zij bezorgen ons net een meer doortastend en minder comfortabel inzicht in onze banden met verleden en heden.’

Kan je zeggen dat Spielbergs Lincoln (2012) die doortastendheid wél heeft?

Martin Berger: ‘Spielberg heeft enkele mooie kansen laten liggen. Deze film kon veel meer laten zien welke heldhaftige pogingen Afro-Amerikanen deden om zichzelf te bevrijden. Hij had ook een licht kunnen werpen op de steun die Lincoln verleende aan de “vrijwillige kolonialisering”, die Afro-Amerikanen hielp en aanmoedigde om terug te keren naar Afrika – voor de president een mogelijke oplossing voor het rassenprobleem in de VS. Maar los van die mankementen laat de film wel mooi zien hoe net die ondoordringbare mix van principiële, praktische en ruwe politiek Lincoln ertoe aanzette om het 13de amendement op de Amerikaanse constitutie – die de slavernij in de VS voor altijd uitbande – erdoor te krijgen. Dat stelt het standaardbeeld van Lincoln als liberale hervormer in onze moderne tijd serieus bij: Spielbergs Lincoln is niet zonder gebreken wanneer hij beslissingen neemt in het imperfecte politieke systeem van het Amerika van de jaren 1860. Hoe de film deze president en het Amerikaanse politieke systeem van zijn voetstuk haalt, heeft twee belangrijke verdiensten. Het spreekt tegen dat elke socio-politieke verandering enkel een zaak is van uitzonderlijk begaafde mannen en vrouwen. En het doorprikt de illusie dat het tijdperk van de emancipatie een gouden tijd was waaraan we nu niet meer kunnen tippen. Lincoln doet ons anders kijken naar de negentiende en de twintigste eeuw. In die zin is het een “betere” film dan Django Unchained.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3068   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift