De muziekfestivals van de zomer

De zomer. Volgens de radioreclame gaan we dan weer met z’n allen zuchten van de drukkende hitte op kantoor of we vertrekken om af te koelen op de zomerse stranden die ons door welwillende en goedkope reisbureaus worden aangeboden. Ook op de muziekfestivals, die sinds een aantal jaren tot de vaste hoogdagen van het seizoen behoren, zal de zon van de partij zijn (beloofd door de organisatoren!). Iedereen die een dag of een weekend voor één van de zuiderse podia gaat kamperen, raden we nu al een beschermingsfactor 20 aan. Te veel en te langdurige blootstelling aan schittering van al die mooie muziek kan schadelijk zijn.
‘Vijf jaar geleden was wereldmuziek hét van je’, baniert het Europese Forum van Wereldwijde Muziekfestivals, waarvan ons eigen Sfinks-festival de coördinatie doet, op z’n website. ‘Twee jaar geleden werd wereldmuziek dood verklaard. Vandaag is wereldmuziek gezonder dan ooit tevoren: het is een bloeiende tak van de muziekindustrie met een almaar groeiend aantal verschenen platen, met steeds hogere verkoop, met steeds meer tournees en met steeds meer festivals.’ De temperatuur van de wereldmuziek wordt, met andere woorden, niet meer gemeten onder de zwetende oksels van de kwaliteit of onder de tong van het wederzijdse respect, maar tussen de billen van de commercie. Wereldmuziek leeft want het verkoopt! Niet iedereen is het daarmee eens of stelt het even onverbloemd. Het Africa Festival van Würzburg, bijvoorbeeld, pakt uit met een boodschap van Nelson Mandela, waarin hij de hele Duitse Bondsrepubliek inviteert op het festival. ‘Welk middel kan beter de talenten en de creativiteit van de Zuid-Afrikaanse regenboognatie overbrengen dan muziek en dans?’, vraagt de swingende president zich af. Waarna hij eindigt met de hoop dat ‘dit festival de harten en geesten van de mensen van Duitsland overtuigt van de diversiteit, de kracht en de magie van onze Afrikaanse cultuur.’

Muziek is een mensenrecht

Wordt Mandela op het Africa Festival nog gebruikt als schaamlapje -om het belang van de stijgende omzet te verbergen achter een humanitaire motivatie-, dan wil dat nog niet zeggen dat zijn woorden per se onwaar zijn. Vioolgoeroe Yehudi Menuhin en pianist Miguel Angel Estrella schreven in Le Monde Diplomatique onlangs een manifest waarin ze met overtuiging opkomen voor de humaniserende rol van muziek: ‘Muziek maken is meer dan spelen of zingen. Het is ook luisteren. Een kind dat vanaf zijn eerste levensjaren leert wat het is om te luisteren, leert daardoor meteen ook wat verdraagzaamheid is en hoe het zijn barbaarse instincten kan beheersen. Muziek moet tot de wereld van elk kind behoren zoals lucht, water en melk. Want muziek is in onze ogen een mensenrecht. Ze vertegenwoordigt een onverdachte kracht in de samenleving, een kracht die in staat is om beweging te brengen in de dingen.’ Ongeveer dezelfde mening -in weliswaar minder bevlogen zinnen- werd op de studiedag over Glokale Kunst in Vlaanderen vertolkt door de Argentijns-Vlaamse Dirk Van Esbroeck. Op de vraag hoe de dialoog tussen culturen bevorderd kan worden door de kunst, antwoordde Van Esbroeck enigszins verbaasd: ‘Het is geen kwestie van normen en regels opstellen. Ik kan musiceren met mensen met wie ik niet eens kan praten. Dat gebeurt regelmatig. Ik neem mijn gitaar, de andere neemt zijn of haar instrument en we zijn vertrokken. Dat is toch de dialoog die ons het verst voert, de dialoog die iets nieuws en gezamenlijks creëert?’

Een muzikale wereldreis

Zijn de zomerfestivals dan toch de vindplaatsen van een nieuwe wereld, waar verdraagzaamheid en multiculturele uitwisseling op een vanzelfsprekende manier gebeuren? Steeds meer mensen stellen dat optimisme in vraag. De dialoog van Van Esbroeck werkt tussen twee creatieve individuen, maar op een festival is de interactie tussen muzikant en publiek veel minder wederzijds, natuurlijk. De ene speelt, de andere kijkt toe. De tolerantie die Menuhin ziet ontstaan uit de luisterende houding van het publiek is ook al problematisch: de atmosfeer op een festivalweide draait meer rond gezelligheid, ontmoetingen in een prettig kader en witte wijn dan rond concentratie op de betekenis van de muziek. Pascale Van Bael van Open Tropen hoopt dat de informatie die aangeboden wordt rondom het festivalterrein dit een beetje verhelpt. ‘Organisaties die zich bezighouden met informatie en positieve beeldvorming over andere continenten kunnen hun boodschap meegeven aan de bezoekers.’ Peter Grymonprez van het Brugse Cactusfestival: ‘De filosofie achter ons festival vertrekt vanuit de vaststelling dat grenzen tussen verschillende culturen steeds minder scherp af te bakenen vallen. In de verschillende culturele disciplines is internationaal steeds meer sprake van uitwisseling en wederzijdse beïnvloeding, met vaak erg creatieve resultaten tot gevolg. De festivalprogrammatie beweegt zich op die lijn en vormt telkens opnieuw een soort muzikale wereldreis, waarbij het brede publiek de kans krijgt om kennis te maken met de meest uiteenlopende muzikale genres, gebracht door performers van de meest diverse nationaliteiten en culturen, die naast elkaar geprogrammeerd worden.’ Klinkt fraai, maar het probleem is dat die ambitie niet helemaal waar gemaakt wordt. Cactus programmeert bijvoorbeeld alle ‘wereldmuziek’ op één dag, ook al heeft de Braziliaanse Marisa Monte minder affiniteit met Taarab de Zanzibar dan met Dead Man Ray, de Belgische groep die twee dagen eerder op het podium in het Minnewaterpark staat. Ook Sfinks, Open Tropen en Couleur Café zijn nog al eens ziek in hetzelfde bedje. Op Sfinks kan alles (van hardrock over pop tot pianosolo), als het maar uit een exotisch oord komt. Op Couleur Café plaatst men dan weer alle vrouwen op één festivaldag. Cubaanse salsa, Euro-Maghrebijnse techno en Braziliaanse popmuziek: als het om vrouwen van vreemde komaf gaat, zijn ze welkom. Op het podium.

Alle gecontacteerde organisatoren (op Sfinks na, want dat festival verkeert in ‘splendid isolation’ en antwoordde dus niet op onze vragen) zijn het op één punt eens: genieten van de muziek staat centraal. ‘Of ons publiek met het hoofd, het hart of de buik luistert, laten wij geheel en al aan de mensen zelf over’, zegt Grymonprez. Toch blijft de vraag of een dergelijke houding niet eerder vooroordelen bevestigt dan ze te vernietigen. De positieve beeldvorming over Afrika, bijvoorbeeld, blijft dan vaak steken op het niveau van opmerkingen over de rijkdom van een continent dat tenminste nog kan dansen en feesten, ondanks de armoede. Een suggestie: waarom bouwen de organisatoren niet door op het succes van de festivals om andere -en vaak minder toegankelijke- kunstevenementen op te zetten? Open Tropen kan vanuit Turnhout samen met CC De Warande en Mondiaal Filmfestival Focus op het Zuiden aan een meer omvattende presentatie van (niet-blanke) kunst werken. In het Brugse liggen vergelijkbare kansen voor Cactus en Cinema Novo. Om de woorden van Kwabena Nketia (uit Wereldwijd van maart) nog even te herhalen: ‘Om van muziekfestivals of tentoonstellingen of dansvoorstellingen echt draaischijven van begrip en ontmoeting te maken, moeten de organisatoren, de journalisten en de critici een veel grotere inspanning leveren om het publiek meer te geven dan wat oppervlakkige wetenswaardigheden. Verstandhouding groeit tenslotte vanuit wederzijds inzicht.’

Een blank publiek

Een ander punt van kritiek op de zomerfestivals is dat er vóór het podium (en achter de programmatie) opmerkelijk weinig gekleurde mensen te vinden zijn. Aan Piet Lesage van Dranouter Folkfestival vroegen we hoe hij aankijkt tegen het fenomeen dat het publiek van de festivals soms blanker is dan op de kermis in het dorp. ‘Niet meer dan logisch’, reageert hij, ‘gezien de etnische samenstelling van de regio waaruit wij ons publiek rekruteren. Het publiek van de dorpskermissen hier in de Westhoek is overigens ook voor 99,99% blank.’ Mogelijk natuurlijk, wij wonen niet in Dikkebus, maar aangezien veel van mijn vrienden uit verre streken zoals Zoerle-Parwijs, Sint-Agatha-Berchem en De Pinte ook tot de regelmatige bezoekers van het Dranouterse festival behoren, betekent het dat er zich toch een probleem stelt. Want de gemiddelde etnische samenstelling van Vlaanderen is veel minder blank dan die van de Westhoek. Het is tegelijk vreemd en veelzeggend dat Chokri Mahassine, de enige allochtone festivalprogrammator in Vlaanderen, niét betrokken is bij één van de wereldmuziekfestivals, maar bij Pukkelpop, het avantgarde-muziekfeest-voor-pubers. Niet dat de oorzaak van de afwezigheid van de niet-blanke Belgen enkel de verantwoordelijkheid is van de festivalprogrammatoren. Maar misschien zit er wel iets in één van de conclusies die uit het colloquium Glokale Kunst kwam: ‘Het is belangrijk om met multiculturele en multidisciplinaire teams te werken, waarbij de inbreng van de diversiteit de organisatie beter aan haar doelstellingen doet beantwoorden.’ Met andere woorden: als we willen vermijden dat de aandacht voor muziek uit alle windstreken een aangelegenheid wordt van blanken die gefascineerd worden door het exotische, maar er niet echt mee in relatie en in dialoog willen treden, dan moeten we wellicht meer niet-blanken betrekken bij het opzetten en uitwerken van de festivals. En, neen, alle pita-tenten, Indiase kledingwinkeltjes en Caraïbische cocktails verhelpen dit euvel niet. Integendeel.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur