De nieuwe financiële architectuur: papier in de tochtgaten?

In amper vijf jaar hadden we splijtende financiële crisissen in Mexico, Oost-Azië, Rusland en Brazilië. De crisis in Azië had het hele financiële systeem onderuit kunnen halen, zeggen experts nu de storm wat is geluwd. In Indonesië is de sociale ravage na de crisis groter dan in Nicaragua dat door een échte orkaan werd getroffen.
In financiële cenakels wordt over de ‘volgende crisis’ gesproken alsof het om een onvermijdelijk maar moeilijk te voorspellen zomeronweer gaat. Wat moeten we dan met ‘modernisering van de financiële architectuur’? Doe je na een overstroming of een aardbeving een beroep op een binnenhuisarchitect ?

Hoe dan ook, de ‘financiële architectuur’ werd een vast agendapunt van internationale topvergaderingen. Elke G-8 bijeenkomst bevestigt het belang van het architectenwerk. De BIS (de Bank voor Internationale Betalingen) komt meer in beeld dan ooit. Toch kijkt men vooral naar het IMF. Na een paar blunders in de aanpak van de crisis in Azië en harde kritiek uit onverdacht conservatieve hoek, leek het Internationaal Muntfonds plots minder ‘onfeilbaar’. Er kwam druk en vraag naar hervorming. Ook het fonds moet nu leren leven met ‘transparantie’ , ‘raadpleging’, ‘publieke rapportering’ en met pottenkijkers die het vroeger liever niet over de vloer kreeg.

Maar, ere wie ere toekomt, het IMF weerde zich als een duivel in een wijwatervat om de controle over de architectuurdiscussie te behouden. Tot nader order is het daar ook in geslaagd.

In wat volgt proberen we aan de hand van teksten van het IMF (1) een duidelijk beeld te geven van wat officieel met versterking van de financiële architectuur wordt bedoeld, en welk soort concrete maatregelen daarbij worden overwogen. Aan het eind wijzen we kort op enkele problemen en leemtes in de nieuwe IMF aanpak.

Een momentopname: de financiële architectuur volgens het IMF

In een verslag van directeur Camdessus aan het Interimcomité van april 99 geeft de IMF staf een systematisch overzicht van de objectieven, de voorstellen, de al genomen en de nog in te voeren maatregelen. Het beslaat vijf grote deelterreinen :

transparantie , internationale normen en toezicht;
versterking van financiële systemen;
geordende integratie en liberalisering van internationale financiële markten;
het betrekken van de privé-sector bij het voorkomen en oplossen van financiële crisissen;
ingrepen in het systeem (vooral institutionele aanpassingen in het IMF zelf);
We vatten de voornaamste punten samen :

Transparantie, internationale normen en toezicht

Transparantie

Meer transparantie in het beleid en de praktijk van de lidstaten en van de internationale instellingen moet de kwaliteit van de besluitvorming en de economische prestaties verbeteren. Volgens het IMF zal een meer open en doorzichtig beleid leiden tot meer betrokkenheid en vertrouwen bij het publiek. Op termijn krijg je dan een beter en een beter aanvaard beleid, en wellicht ook sterkere macro-economische resultaten.

Het IMF zet zijn leden aan tot meer transparantie, maar ook over het eigen beleid van het fonds en over het advies dat aan leden gegeven wordt komt meer openheid. Het fonds formuleert een lijstje concrete voorstellen.

De rapporten die het IMF maakt naar aanleiding van de doorlichting van het beleid van haar leden (de zogenaamde article 4-consultaties) zouden voortaan worden vrijgegeven. De ‘Public Information Notices’ daarover zouden sneller en ook op het internet worden uitgebracht. 70% van de landen gaat daar nu al in mee. In april 99 begon ook een pilootproject voor het vrijgegeven van stafverslagen over de art.4-consultaties.

De toegang tot de archieven van het IMF wordt makkelijker en gaat sneller. Voor documenten van het uitvoerend bestuur wordt de wachttijd zelfs ingekort van 30 naar 5 jaar.

Er komt meer informatie over de aanpassingsprogramma’s die door het IMF worden voorgeschreven. Lidstaten worden aangezet om de twee basisdocumenten publiek te maken waarop de programma’s worden gebaseerd: de Letter of Intent (LOI) en het Policy Framework Paper (PFP). Ook over de besprekingen in de raad van beheer over het gebruik van de IMF-middelen in het betrokken land zou beter worden gerapporteerd. De besluiten van de voorzitter na de discussie worden openbaar gemaakt.

Het IMF zou publiek uitpakken met analyses van diverse beleidsaspecten. Concreet zou men daarvoor ook de formule van de Public Information Notices (PINs) gebruiken en het uitgeven van staff papers. In april 99 was er al een eerste PIN over een algemenere kwestie (de Special Data Dissemination Standard, die o.a. moet toelaten om crises beter te voorzien of sneller te onderkennen). In 99 verschenen ook al staff papers over de IMF-programmma’s in Indonesië , Korea en Thailand. Er worden voor dit publicatiebeleid systematische richtlijnen uitgewerkt

Er is gesleuteld aan het consultatieproces in het kader van het initiatief voor arme landen met hoge schuld (HIPC). Bij de tussentijdse evaluatie van het HIPC-initiatief wordt raadpleging voorzien van lidstaten, NGO’s, andere delen van de civiele maatschappij, academici, ambtenaren en het ruime publiek. Bedoeling is vooral meer werk te maken van de band tussen schuldverlichting, sociaal beleid en armoedebestrijding. IMF- en Wereldbankdocumenten over HIPC komen op de externe website. De consultaties worden voortgezet. Een rapport over mogelijke verbetering van het HIPC wordt in september 99 aan het Interimcomité voorgesteld.

Het IMF ontsluit meer informatie over zijn eigen financiële situatie. De website van het fonds moet een overzicht geven van rekeningen van de leden met het fonds, en over de liquiditeitspositie van het IMF zelf. De website geeft nu al een vrij volledig overzicht van de bijdrage en de quota van leden. In de toekomst zullen nog meer financiële gegevens toegankelijk gemaakt worden.

Beleid en praktijk van het IMF worden verder extern geëvalueerd. De resultaten van de externe evaluatie ESAF (de ‘Enhanced Structural Adjustment Facility’ waaruit de aanpassingsprogramma’s van het IMF worden gefinancierd) werden in juni 98 publiek gemaakt. In de toekomst zullen ook andere activiteiten van het IMF extern worden geëvalueerd (o.a de toezichtprocedures en de economische research).

Privé- instellingen zouden verplicht worden om meer informatie door te geven. Dat zou ook gelden voor offshore centra , andere financiële instellingen dan banken, en voor transacties met HLI’s (Highly Leveraged Institutions die voor het allergrootste deel met andermans middelen werken) zoals hefboomfondsen. De Bank voor Internationale Betalingen houdt nu toezicht op een breder gamma gegevens. Intussen werkt een resem instellingen aan het verfijnen van de informatieplicht voor financiële instellingen uit de privé-sector: het Basle Committee on Banking Supervision (BCBS) , het Committee on the Global Financial System (CGFS), de International Association of Insurance Supervisors (IAIS), International Accounting Standards Committee (IASC) International Organization of Securities Commission (IOSCO) . Het Forum voor Financiële Stabiliteit maakt in de tweede helft van 1999 een rapport over offshore centra.

Informatieplicht en structuren voor toezicht en regulering van HLIs (Speculatiefondsen met Hefboomeffect). Er werden voor de HLIs al (niet-bindende) richtlijnen opgesteld door verschillende instellingen (BCBS, IOSCO, enz.). Het Forum voor Financiële Stabiliteit maakt een rapport voor eind 99. Maar men geeft nu al toe dat controle en toezicht, net als voor offshore centra, veel problemen opleveren.

Internationaal erkende normen

Algemeen wil men internationaal erkende normen ontwikkelen en doen aanvaarden voor economische en financiële activiteiten. Het gaat doorgaans om criteria, ‘beste praktijk’-voorbeelden, gedragscodes of handleidingen. Het IMF moet dit werk doen op de deelterreinen waarvoor het sterke expertise in huis heeft zoals dataverspreiding, budgettair, monetair, financieel beleid, en banktoezicht. Al gebeurt dat laatste samen met anderen. Maar het fonds kan ook daarbuiten activiteiten ontplooien (audit- en boekhoudingsector, regels voor verzekeraars, faillissementsregelingen, bedrijfsbeheer, enz.). Er is een reeks concrete stappen voorzien:

De SDDS (Special Data Dissemination Standard) is wat dit betreft het pronkstuk van het fonds . Deze richtlijn verplicht landen die naar de internationale kapitaalmarkt willen een aantal cijfers te publiceren. De 47 lidstaten die half 99 in dit systeem meedraaien hebben een behoorlijk uitgebreide informatieplicht. Sinds april worden nog hogere eisen gesteld. Hun centrale bank moet meer gedetailleerde gegevens verstrekken over deviezenreserves, elke maand en met niet meer dan één maand vertraging. Er zal voortaan nauwgezet gerapporteerd moeten worden over de buitenlandse schuld. Elk kwartaal moet er een overzicht gegeven worden per sector en looptijd van de betrokken schuld. Het IMF zit trouwens de ‘Inter-Agency Task Force on Finance Statistics’ voor, waar samen met de BIS, de OESO en de Wereldbank aan een duidelijkere en gestandaardiseerde voorstelling van schuldenstatistieken wordt gewerkt. Wie meedoet in de SDDS zou via het internet ook nog een hyperlink moeten maken tussen de nationale site met een overzicht van gegevens en de Dissemination Standard Bulletin Board van het IMF.

Een handboek en een vragenlijst op de IMF-website moeten leden helpen bij het toepassen van de ‘code m.b.t. doorzichtig begrotingsbeleid’ (code of good practices on fiscal transparency – declaration on principles).

In een breed samenwerkingsverband wordt gesleuteld aan een ‘code voor goed gedrag inzake transparant financieel en monetair beleid’. Partners zijn de Bank voor Internationale Betalingen, de Wereldbank, centrale banken en andere toezichthoudende instellingen, de OESO en een aantal academici. Naast het handboek zou er ook een dossier komen met goede praktijkvoorbeelden die andere leden kunnen inspireren.

Een andere werkgroep alweer met mensen van het IMF en de Wereldbank werkt een handboek uit voor banktoezicht en controle op het naleven van de kernprincipes van het Bazel-akkoord (de ‘kernprincipes voor efficiënt banktoezicht’). In de eerste plaats wordt gespeurd naar gaten in het huidige normenstelsel. Maar de bedoeling is dat de principes meer in het beleid en de praktijk van de lidstaten worden ingewerkt.

Het IMF zet leden aan om zelf een goede inschatting te maken van de transparantie van hun begrotingswerk. Waar ondoorzichtigheid het formuleren en het uitvoeren van een nationaal beleid in het gedrang brengt zouden de zwakke punten geïdentificeerd moeten worden. Technische ondersteuning is mogelijk.

Een beetje verrassend vinden we onder deze hoofding (‘normen’) een aanbeveling om een sterker sociaal beleid te voeren. Sociaal beleid is een essentieel onderdeel van de hervorming van het internationaal financieel systeem zegt de IMF-paper. In de praktijk richt het fonds zich vooral op het aanscherpen van de sociale dimensie van de beleidsdialoog die met landen wordt gevoerd en op het weven van sociale vangnetten vooraleer crisissen kunnen toeslaan

Toezicht

Normen worden bijzonder belangrijk in het toezichtbeleid van het IMF. Het fonds moet weten of de lidstaten normen op een hele reeks deelterreinen toepassen of aan hun laars lappen. Alleen op die manier wordt het mogelijk om kwetsbare punten in het systeem snel op te sporen en mogelijke gevolgen van specifieke gebeurtenissen goed in te inschatten.

In 98 werd al een aantal gevallenstudies opgezet. Maar men wil uiteindelijk normen en richtlijnen ontwikkelen voor verzekeraars, voor aandelenmarkten, voor het verspreiden van gegevens, voor boekhouding en audit, voor faillissementsregelingen, voor bedrijfsbeheer, enz. Men denkt er aan om ‘transparantie- rapporten over lidstaten uit te brengen’. Bij wijze van experiment werden, in lijn met wat men van transparantierapporten verwacht, al gevallenstudies gemaakt over Argentinië, Australië, en Groot-Brittannië. Het IMF waagt zich hier op glad ijs. Het zou immers niet alleen informatie vragen m.b.t. het naleven van bepaalde normen, maar de praktijk van de betrokken landen m.b.t. het naleven van de normen ook beoordelen. Het fonds zegt er zelf bij dat deze aanpak de rol van het IMF als ‘vertrouwelijk raadgever’ niet mag ondermijnen.

Volledigere rapportering over het verloop van de kapitaalrekeningen moet een belangrijk instrument worden om kapitaalstromen en kwetsbaarheid voor externe schokken beter in kaart te brengen. Er wordt nu al heel wat meer gerapporteerd over de toestand van kapitaalrekeningen, en er wordt daarbij technische steun gegeven aan leden. Door een beter datasysteem zouden landen het verloop van hun kortetermijnbuitenlandseschuld beter moeten kunnen volgen. Via contacten tussen het IMF en de privé-sector zouden belangrijke trends in kapitaalstromen en marktposities beter in het oog gehouden kunnen worden. Wat dat betreft is er ook samenwerking tussen IMF, Wereldbank, de BIS en de OESO in het IATF (Inter- Agency Task Force on Finance Statistics). Het Forum voor Financiële Stabiliteit komt nog in 99 met een rapport over kortetermijnkapitaalstromen

De omvang van crises kan worden ingeperkt door het opzetten van een snel alarmsysteem. Concreet wil men modellen ontwikkelen en testen die een betalingsbalanscrisis kunnen helpen voorspellen. Het IMF werkt aan een ‘prototype’ , maar bestaande modellen lijken tot nu toe niet te voldoen.

Er zou ook werk gemaakt worden van procedures voor toezicht op het naleven van de normen en van macro-indicatoren die een beeld geven van de gezondheidstoestand van de banksector in de verscheidene landen. In de toekomst zal het IMF die procedures uitwerken. In samenwerking met het BCBS stelt het indicatoren op voor het prudentieel beleid voor de banken

Versterking van financiële systemen

Met systeem bedoelt men hier de aard, de werking en de samenhang van de financiële sector. In de eerste plaats gaat het alweer om het opsporen en bijstellen van zwakke plekken in de financiële sector van lidstaten. Al is het fonds zich ook bewust van de behoefte aan sterkere coördinatie van het internationaal controle- en supervisiewerk.

Het IMF moet kunnen aangeven op welke principes een goed financieel systeem gebouwd wordt, en moet die boodschap ook uitdragen naar de leden. Net zoals voor andere onderdelen van de financiële architectuur zal daarbij vaak gebruik gemaakt worden van na te volgen voorbeelden uit de praktijk van bepaalde leden. Uiteindelijk gaat het alweer om versterking van het toezicht op de financiële sector van lidstaten en het ondersteunen van hervormingen om het financieel systeem van de betrokken landen te versterken. Dat laatste gebeurt in samenwerking met de Wereldbank. Er werden maatregelen genomen op verschillende niveaus:

Nationale instellingen voor toezicht en regulering van de financiële sector worden aangezet om hun procedures te evalueren en aan te passen aan de ‘lessen’ uit de voorbije crises. Bedoeling is dat ze een beter overzicht krijgen van de werking van hun financiële actoren ook van HLI’s (Speculatiefondsen met een hefboomeffect)

Er is het al vernoemde werk van de BCBS die leemtes in de bankregulering opspoort. Het identificeert zwakke banken, gaat na of er opvangnetten zijn voorzien, enz. Een werkgroep van het Bazel-comité brengt ook verslag uit over normen i.v.m. het samenspel tussen banken en speculatiefondsen

Het IASC (Internationaal Comité voor Boekhoudkundige Normen) werkt aan een stel kernnormen voor bedrijven met een notering op verschillende beurzen.

De OESO en de Wereldbank werken aan principes voor goed bedrijfsbeheer

Het Forum voor Financiële Stabiliteit werd opgericht. Dit forum staat onder voogdij van de G-7 en moet op hoog niveau de samenwerking en coördinatie op vlak van financieel toezicht en regulering stimuleren tussen internationale instellingen, autoriteiten en groepen specialisten.

De samenwerking tussen WB en IMF bij het versterken van financiële systemen wordt opgedreven. Het FSLC (Financial Sector Liaison Committee) coördineert het werk van WB en IMF op dit terrein. Ze zijn het in principe eens over gezamenlijk toezicht op de financiële sector en over een programma voor de evaluatie van de gezondheidstoestand van het financieel systeem van de ledenlanden. Het toezicht door het IMF (via de artikel 4 -consultaties) zou zich sterker richten op het financieel systeem van het betrokken land en op de verbindingslijnen tussen het macro- economische beleid en de goede werking van het banksysteem. De Wereldbank zou zich onder andere toeleggen op het uitwerken van richtlijnen voor een bankroetregeling voor ontwikkelingslanden in problemen. Ze krijgt hiervoor hulp van UNCITRAL, de Commissie van de Verenigde Naties voor Internationaal Handelsrecht.

De vrijmaking van het kapitaalverkeer

In de officiële tekst heet dit de ‘geordende integratie van financiële markten’. De doelstelling is landen in staat te stellen om profijt te trekken uit financiële integratie. Bij de integratie hoort de liberalisering van de kapitaalrekening. Het IMF stelt nu wel dat die vrijmaking nauwgezet opgevolgd moet worden om de rampenscenario’s van de voorbije jaren zoveel mogelijk te vermijden. Vrij kapitaalverkeer kan enkel goed lopen binnen een stevig macro-economisch kader en met een consequent monetair beleid.

Het IMF geeft zichzelf hierbij uiteraard een sleutelrol. Het uitgangspunt van het IMF-werk blijft de liberalisering van de kapitaalrekeningen, al is men in theorie dus ‘voorzichtig’ om rampen te vermijden. Algemeen kan je stellen dat ook het IMF kapitaalcontroles niet meer helemaal uitsluit. Het blijft wel absoluut gekant tegen beperkingen op uitgaand kapitaal (bijvoorbeeld pogingen om kapitaalvlucht tegen te gaan). Volgens het fonds is al wat men daar probeert contraproductief. Het IMF ziet wel heil in het aanmoedigen of afschrikken van bepaalde soorten binnenkomend kapitaal. Zo zou een land gunstige voorwaarden kunnen bieden voor langetermijnkapitaal, en hindernissen opwerpen voor zogenaamd ‘flitskapitaal’. Toch is het fonds zeker geen grote voorstander van beperkingen op het kapitaalverkeer. Als landen vrezen dat ze bij toevloed van buitenlands kapitaal hun financiële sector niet meer onder controle kunnen houden, moeten ze hun bankregulering maar versterken, vindt het IMF. Het fonds werkt in de toekomst vooral verder op basis van landenstudies en gedetailleerd onderzoek van specifieke vormen van kapitaalcontrole.

De bedoeling is alweer te komen tot betere verslaggeving en het opstellen van richtlijnen voor goed gedrag. In de toekomst wordt verder nagegaan of de vrijmaking van de kapitaalrekeningen uitdrukkelijk in de statuten van het IMF moet worden opgenomen (n.v.d.r. dit was een bijzonder explosief discussiepunt tijdens de voorbije jaren)

Het inschakelen van de privé-sector in het voorkomen en oplossen van financiële crises

Men wil de privé-sector zijn rol doen spelen in crisispreventie en –oplossing. De bedoeling is vooral ‘moral hazard’ te voorkomen, de discipline in de markt te verhogen en noodzakelijke hervormingen van het systeem ordelijk te laten verlopen

Eigenaardig genoeg begint dit stuk over de rol van de privé-sector toch weer met een opdrachtenlijstje voor de nationale overheden. Zij moeten het regelend kader bieden, een goed macro-economische beleid voeren, zorgen voor adequate deviezenreserves en voor beschikbaarheid van middelen in de banksector. Zij moeten vermijden dat er te veel kortetermijnschuld wordt opgestapeld, voorkomen dat de particuliere sector zich te zwaar in de schulden steekt of zich te ver waagt in de handel van labiele, afgeleide producten, enz.

Toch moet de privé-sector volgens het IMF duidelijk te horen krijgen wat van hen bij het dreigend uitbreken van een crisis (verplicht) wordt verwacht. De privé-bedrijven moeten zich vooraf, vóór het uitbreken van een nieuwe crisis, verbinden tot een aantal maatregelen die de effecten van een crisis kunnen inperken of verzachten. Het gaat grotendeels om initiatieven die de terugbetaling van schulden voor landen in problemen tijdelijk verlichten, en die ervoor zorgen dat er op een of andere manier geld blijft in het betrokken probleemland. Enkele voorbeelden:

Betalingsstop bij schuldproblemen vermijden. Dat kan bijvoorbeeld als er bij het afsluiten van een kredietakkoord tussen privé-crediteuren en -debiteuren meteen contractueel wordt vastgelegd dat er bijkomende (en betaalbare) extra kredietverlening komt indien het schuldenland in betalingsproblemen raakt. Nieuwe kredieten kunnen komen van de schuldeiser zelf of van andere privé-crediteuren met wie een overeenkomst afgesloten werd. Het Fonds moedigt lidstaten aan om over dergelijke ‘private contingent credit lines ‘ te onderhandelen met privé-financiers. Argentinië, Indonesië en Mexico hebben dit soort kredietlijn.

Er kan ook overeengekomen worden dat bij zware betalingsproblemen de terugbetalingsverplichting tijdelijk wordt verlicht.

Een clausule invoegen die mogelijk maakt om obligatiecontracten onder bepaalde omstandigheden te wijzigen. Na onderhandeling zou dan met een gewone meerderheid beslist kunnen worden om de betalingsvoorwaarden te herschikken. Nu kunnen rente- en kapitaalaflossingen enkel worden aangepast indien alle (en het zijn er vaak tienduizenden) obligatiehouders akkoord gaan. Wanneer een land dat obligaties uitschreef nu in betalingsproblemen raakt kan het eigenlijk enkel kiezen tussen het opschorten van betalingen of verder doodbloeden en nog meer van zijn deviezenreserves opgeven. Het invoeren van een ‘wijzigingsclausule heeft mogelijk ook nadelen. De kans is immers groot dat voor dergelijke obligatiecontracten een extra risicopremie wordt aangerekend.

Privé-schuldeisers kunnen zich ertoe verbinden (of ertoe gedwongen worden) om niet meteen hun toevlucht te nemen tot dwangmaatregelen om een land in betalingsproblemen tot betaling te verplichten.

In extreme gevallen, als alle preventieve instrumenten hebben gefaald, zou een land ook tijdelijk kunnen stoppen met betaling voor zijn overheidsobligaties. Dit blijft een moeilijke evenwichtsoefening: enerzijds krijg je wel ademruimte, omdat rente- en aflossingsbetalingen worden uitgesteld; anderzijds krijgt het vertrouwen van de privé-crediteuren een flinke deuk en wordt de kans klein om op middellangetermijn nog kapitaal uit de privé-sector aan te trekken.

Al dat soort regelingen moet in overleg en geval per geval afgesproken worden. Het IMF pleit dan ook voor het instellen van crediteur-debiteurraden. Zelf wil het zijn dialoog met de privé- sector versterken. Ook hier moet men een evenwicht vinden tussen het verzamelen van broodnodige informatie en het risico dat men (onwettelijke) voorkennis gaat verwerven m.b.t. financiële transacties. Het Interimcomité gaf toch mandaat voor effectieve contacten met de privé-sector.

Vermeldenswaard is nog dat het IMF aandringt op een betere behandeling van langetermijnkapitaal. De kapitaalnormen van het Bazel-Comité geven nu in de praktijk een voorkeursbehandeling voor kortetermijninterbankkredieten. Het fonds stelt voor om die ‘afwijking’ ongedaan te maken.

Men zou maatregelen kunnen nemen om grensoverschrijdende kortetermijnkapitaalstromen duurder te maken.

Bij leningen kan een hogere risicovoet aangerekend worden bij interbanktransacties onder het Bazel Kapitaal Akkoord.

Versterking van het IMF

Het IMF stelt alles in het werk om in deze discussie de stuurknuppel in de hand te houden. Het eist een rol op in de verbeterde toezichtprocedures, in de regulering van de sector, en probeert de weg te tonen met praktijkvoorbeelden en gedragscodes.

Het fonds probeert zich daarvoor ook intern te wapenen. Er werd een ‘Global Markets Unit’ opgericht die snelle kapitaalbewegingen en valuta- en obligatiemarkten in de nieuw opkomende landen in het oog moet houden. Het beleid van het fonds zou sneller op gevaarsignalen en crises moeten kunnen reageren. Daarom is men de bevoegdheden van het Interimcomité sterk aan het uitbreiden.

Om zijn leiderspositie te rechtvaardigen moet het IMF ook met geld voor de dag komen. De algemene middelenpot werd daarom stevig aangevuld. Het kapitaal van het fonds werd verhoogd van 200 naar 290 miljard dollar. Indien bij het uitbreken van een crisis een groot deel van dat geld al uitgeleend is, kan het fonds toch nog een beroep doen op twee noodkredietlijnen: 23 miljard dollar van de G-10 (waarin ook België zit) via de algemene ontleningakkoorden, en nog eens 46 miljard dollar van de G-10 en een reeks andere landen via de ‘nieuwe ontleningakkoorden’.

Daarnaast werden nog enkele speciale kredietlijnen voor tussenkomst bij crises in het leven geroepen. De Bijkomende Reservefaciliteit (SRF) moet landen die al in crisis zitten snel aan deviezen helpen. De preventieve ‘Contingent Credit Line’ kan landen helpen die een goed macro-economisch beleid voeren maar die in problemen dreigen te geraken door crises die elders in de wereld zijn ontstaan.

Conclusie: een reuzenstap of een muizensprongetje?

Hoe moet je nu deze lijst maatregelen en goede voornemens inschatten? Vanuit het standpunt van het IMF stap je hier echt wel met zevenmijlslaarzen. Niet vergeten toch dat het Fonds altijd de grote voorvechter was van volledig vrij kapitaalverkeer. Elke vorm van inperking of regulering was uit den boze. Enkel een stel regels voor prudentieel toezicht op banken en andere actoren uit de financiële sector werd geduld om de grootste risico’s te voorkomen. Bij de recente crises schoot het beschikbaar instrumentarium echter gruwelijk tekort. Het IMF trok daaruit zijn lessen en het nieuwe ‘pakket’ biedt zeker meer mogelijkheden voor toezicht en controle. Al is het nog grotendeels ‘in opbouw’, en werden de meeste nieuwe instrumenten nog niet op hun schokbestendigheid getoetst. Ook het Fonds weet dat de ‘Nieuwe Financiële Architectuur’ nog lang niet is afgewerkt.

Kunnen derdewereldlanden in de ‘gevarenzone’ nu stilaan op beide oren slapen? We vrezen van niet. Ook als alle hierboven voorgestelde maatregelen nauwgezet worden uitgevoerd, blijft de wereldkapitaalmarkt voor hen een mijnenveld. Om crisissen echt te voorkomen of in de kiem te smoren is het hierboven beschreven arsenaal ontoereikend. De sterkste vooruitgang werd geboekt in het doorzichtiger maken van transacties en van de situatie van de financiële sector in het algemeen. De normen die het IMF (en andere instellingen) wil opleggen gaan uiteindelijk ook grotendeels over het transparant houden van belangrijke deelterreinen van de financiële activiteit. Daarmee weten actoren in de sector wel beter wat anderen hebben gedaan en kan er beter nagegaan worden hoe het met de gezondheid van de financiële markten is gesteld.

Gelooft het IMF dat betere informatie, grondigere kennis en tijdig signaleren van zwakke punten volstaan om crisissen af te stoppen? Hoopt men dat de grote actoren op de markt nu logisch en volledig in lijn met het algemeen belang zullen handelen? Zal het kuddegedrag hiermee doorbroken worden? Zal deze betere en beter gedeelde kennis minder druk leggen op institutionele beleggers om steeds weer hoge rendementscijfers voor te leggen aan hun achterban? Vermindert daardoor ook de druk om te zoeken naar riskante maar zeer rendabele, speculatieve beleggingen?

Een zwak punt in het IMF-pakket is alleszins dat men niet echt verder gaat dan betere informatie en toezicht. Echt ingrijpen is er nauwelijks bij. Als men de roe al kan bovenhalen is het nog grotendeels tegen de overheid van kleinere in de internationale kapitaalmarkt ingeschakelde landen. De privé-sector wordt tot nader order met fluwelen handschoenen aangepakt. De meest riskante ‘far west’ van de financiële sector, de hefboomfondsen, de offshore centra, de belastingparadijzen enz. blijven buiten schot.

Zolang aan dat probleem geen mouw wordt gepast, blijft de kans op plots uitschietende kapitaalbewegingen met rampzalige gevolgen voor landen én mensen erg reëel.

Het kan ook erger. Het IMF is er nu, vlak na de harde les van de Aziatische crisis, voor gewonnen om de verdere vrijmaking van het kapitaalverkeer ‘voorzichtig’ aan te pakken. Toch blijft de liberalisering van het financieel verkeer duidelijk het streefdoel. Wie garandeert dat de ‘voorzichtigheid’ niet snel vervaagt als een nieuwe grote crisis meer dan pakweg twee of drie jaar uitblijft? Landen worden dan allicht weer onder druk gezet om snel en volledig te liberaliseren. Met open sluizen liggen wachten op de volgende vloedgolf?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift