De omgekeerde logica van de crisis

Welke politiek kan zorgen voor een ander economisch beleid in de EU?

“De lamentabele mislukking van de Europese Muntunie dreigt steeds meer uit te draaien op een formidabele overwinning van haar neoliberale protagonisten op de syndicale beweging en de werknemers,” betoogt Herman Michiel van Ander Europa in een opiniestuk op MO.be.

Nog één zo’n overwinning en ik ben verloren”, zou de Griekse veldheer Pyrrus gezegd hebben toen hij een veldslag tegen de Romeinen weliswaar won, maar ten koste van het gros van zijn troepen. Sindsdien spreken we van een  pyrrusoverwinning: een overwinning die in feite een nederlaag is. Voor het omgekeerde verschijnsel is er nog geen uitdrukking, maar daar zal misschien verandering in komen. De lamentabele mislukking van de Europese Muntunie dreigt steeds meer uit te draaien op een formidabele overwinning van haar neoliberale protagonisten op de syndicale beweging en de werknemers. Wat niet kon onder klaar daglicht, lijkt nu te lukken achter de stofwolken die opstijgen uit de ruïnes van banken, beurzen en nationale economieën: het sociaal-economisch beleid in heel Europa onder het bevel plaatsen van de Europese Commissie, een onverkozen neoliberale bureaucratie met verregaande bevoegdheden.  De gewone arbeider, bediende, ambtenaar, werkloze, gepensioneerde moet het gelag betalen van het neoliberale bacchanaal van de voorbije jaren. Om het cynische daarvan beter in te zien, moeten we eerst terugblikken op de uitgangspunten van de Europese muntunie.

Een muntunie zonder ‘economisch bestuur’ ?

Gewoonlijk is een munt verbonden met een staat, die een bepaalde muntpolitiek voert, om zo de nationale economie enigermate te sturen via de intrestvoet of de wisselkoers. Maar in de Europese Muntunie kan er maar één rentevoet, één wisselkoers, één monetaire politiek gehanteerd worden voor verschillende nationale economieën, met uiteenlopende karakteristieken en conjuncturen.

Nu is ook een nationale economie niet homogeen; er zijn altijd regio’s met sterkere economische ontwikkeling dan andere, en “transfers” via de  overheid zijn de regel. Een sprekend voorbeeld is Duitsland. Door de hereniging 20 jaar geleden, kwam er de facto een muntunie tot stand tussen Oost en West, twee regio’s met zéér uiteenlopende karakteristieken. Deze “muntunie” was niet mogelijk zonder “transferunie”, en inderdaad, jaarlijks vloeien ca. 100 miljard euro van West naar Oost. 

Honderd miljard euro: dat is bijna het hele budget van de Europese Unie… Dat op zich wijst er al op dat de Europese Muntunie een problematische constructie is. Zowel de wil als het budget ontbreekt om te doen wat in elke muntunie nodig is. Daarop heeft bv. de Leuvense (liberale) professor Paul De Grauwe sinds jaren gewezen.  Toch dachten de voortrekkers van de Europese marktintegratie de monetaire kwadratuur van de cirkel gerealiseerd te hebben. Geen transfers, geen onderlinge steun tussen de lidstaten, zelfs geen andere rol voor de Europese Centrale Bank dan het waken over de (door speculanten en financiers zo gehate) inflatie; als er onevenwichten zijn, dan zullen die zich door de vrije en onvervalste concurrentie tussen de nationale economieën uitvlakken. En om regeringen niet in de verleiding te laten komen schulden te maken met een munt die van iedereen is, werd in 1997 het Stabiliteits- en Groeipact gesloten: begrotingstekorten moeten onder de 3 % van het Bruto Binnenlands Product (BBP) blijven, overheidsschulden onder de 60%.

Het ging met deze muntunie zoals met een paraplu met gaten: geen probleem zolang het niet regent. Maar in 2007 begon het in de Verenigde Staten heel sterk te regenen, de rommelhypotheken en giftige bankproducten vielen uit de hemel, sleurden mastodonten als Lehman Brothers en General Motors mee. Al vlug bleek ook het Europese financiële systeem diep in de bodem vergiftigd te zijn door jarenlang risicogedrag van de banken, mogelijk gemaakt door het neoliberale laissez-faire. Het bleef niet bij de banken: lidstaten zelf werden ontwricht, enerzijds door de pogingen “hun” banken te redden, anderzijds door de fragiliteit van een systeem waar belastingen jarenlang geminimaliseerd werden om te concurreren tegen de andere lidstaten, en waar Duitsland door een jarenlange verarmingspolitiek van de werknemers de exporten naar zich toe trok. Ierland, Griekenland, Portugal, (Spanje, Italië, België … ?) de ene domino wankelt na de andere, de ene bevolking na de andere bekoopt de onverantwoorde politiek  van zijn elites met toekomstvooruitzichten in mineur.

Dus toch maar een economisch bestuur…

Zelfs voor deze elites werd het duidelijk dat het zo niet verder kon met de Muntunie, er moest een ‘economisch bestuur’ komen (en inderhaast moesten miljarden bijeengeharkt worden, tot bij het IMF  toe,  om de eerste branden te blussen). Tegen het najaar 2010 lagen drie voorstellen op tafel:

  • De verstrenging van het Stabiliteits- en Groeipact, met fikse boetes voor overtreders;
  • De instelling van een ‘Europees Semester’, waarbij de lidstaten jaarlijks hun begrotingsvoorstellen eerst moeten laten goedkeuren door de Commissie alvorens de nationale parlementen er zich over buigen;ze moeten ook een ‘hervormingsplan’ indienen dat ingaat op de voorstellenvan de Europese Commissie. 
  • de invoering van een macro-economisch toezicht op de nationale economieën, om ‘onevenwichten’ preventief op te sporen en lidstaten eventueel te verplichten – op straffe van zware financiële sancties – hervormingen door te voeren. Onder onevenwicht moet men alles verstaan wat het concurrentievermogen kan hinderen; de loonvorming speelt hierbij een eersterangsrol (collectief loonoverleg, indexering, ambtenarenwedden…) 

Bovendien werd onder Frans-Duitse druk in maart van dit jaar onder 23 van de 27 lidstaten een ‘Pact voor de Euro’ gesloten dat in feite een variant is van de reeds opgesomde initiatieven. Om al deze plannen kracht bij te zetten, werden een aantal bepalingen in wetteksten (verordeningen) gegoten. Het gaat over een pakket van zes teksten, daarom soms ‘sixpack’ genoemd. Op 23 juni keurde het parlement het pakket  goed, maar omdat ook de Raad moet akkoord gaan (‘medebeslissing’), wordt het waarschijnlijk september om de zaak rond te maken.

Beter een rechts dan helemaal geen economisch bestuur?

De EU wil dus via een permanente soberheidspolitiek de bevolking doen opdraaien voor het fatale casinogedrag van financiële instellingen. Maar is er momenteel een alternatief? Rechts heeft de meerderheid in de Europese instellingen, en de zaken op hun beloop laten, banken en staten bankroet laten gaan is toch ook geen keuze, daar zouden opnieuw de bevolkingen het zwaarst onder lijden. Is een rechts economisch bestuur in die omstandigheden niet het geringere kwaad?

Eerder dan verdachte bronnen als vakbonden en linkse critici laten we  opnieuw de liberale professor  Paul De Grauwe aan het woord (De Morgen, 12 februari 2011):

[D]e inhoud van het pact [heeft] nauwelijks iets te maken met de problemen van de eurozone. Neem het voorstel om de pensioenleeftijd op te trekken naar 67 jaar. Ik ben voorstander van zo’n maatregel, maar die staat los van de eurozone. Kortom: hadden we tien jaar geleden de pensioenleeftijd opgetrokken tot 67 jaar, dan nog zouden we de eurocrisis gekend hebben. (…) Hetzelfde met de loonindexering. Je kunt daar voor of tegen zijn, maar dat er loonindexering is in België kan moeilijk als een van de oorzaken van de eurocrisis worden bestempeld.

De arbeidersbeweging wordt door geen enkele politieke kracht – op de kleine fractie van Europees Verenigd Links na – vertegenwoordigd in de Europese instellingen.
Het door de EU geplande economisch bestuur is dus niet alleen asociaal en onrechtvaardig, het is bovendien ondoelmatig. Stelt zich dan de vraag: op welke politieke krachten kan de arbeidersbeweging  rekenen om zich hiertegen te verzetten?

Rechts tegen Links?

Men zou redelijkerwijze kunnen verwachten dat het geplande Europees economisch bestuur door rechtse politieke fracties omarmd, door linkse verafschuwd wordt. En inderdaad, Poul Nyrup Rasmussen , voorzitter van de Europese socialistische partij,  verklaarde op 24 februari dat ze these terrible reforms zouden verwerpen als ze niet dramatisch konden veranderd worden. En op 6 juni 2011, rijkelijk laat weliswaar, lanceerden een aantal prominenten van Europese sociaal-democratische en groene partijen, een petitie onder de titel  ‘Change Europe’, waarin sprake is van het economisch bestuur als “een invraagstelling zonder weerga van de fundamentele waarden en principes van ons gemeenschappelijk streven:solidariteit, sociale rechtvaardigheid, gelijkheid van kansen en duurzame ontwikkeling”.

Op 23 juni 2011 werd het pakket ‘economisch bestuur’ goedgekeurd door het Europees parlement. Onvermijdelijk, zal men zeggen, rechts heeft er de meerderheid. Maar wat blijkt? De sociaal-democraten verwerpen slechts drie van de zes teksten, onthouden zich op één, zijn ongeveer 50/50 verdeeld over een vijfde en keuren een zesde tekst goed. De groenen keuren er drie goed en verwerpen er drie. Alleen de kleine fractie van Europees Unitair Links (GUE) stemden over de hele lijn tegen.

We kunnen op een beperkte ruimte niet de inhoud en de standpunten i.v.m. de zes onderdelen van het ‘sixpack’ bespreken. We kunnen echter wel die ene tekst bekijken die door rechts én door groenen en sociaal-democraten goedgekeurd werd. Het betreft het voorstel voor een verordening betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden waarvan de rapporteur de Portugese sociaal-democrate Elisa Ferreira was. Het gaat hier dus blijkbaar om een voorstel van de Europese Commissie(EC) dat “dramatisch veranderd” werd, zodat het geen terrible reform meer is. En wat is het resultaat?   

De tekst begint met het schetsen van het monetaire credo van de EU: prijsstabiliteit en bewaking van de overheidsfinanciën. Voorts moet er worden uitgegaan van de ‘EU-strategie voor groei en werkgelegenheid’ (referentie naar de grootsprakerige Lissabonstrategie, die van de EU tegen 2010 de “meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld” moest maken), van het reeds vermelde Europees Semester en van het Stabiliteits- en Groeipact. Vervolgens gaat het over de instanties en de middelen voor het macro-economisch toezicht. Alle macht aan de EC:  monitoring, inspectiebezoeken, aanbevelingen en waarschuwingen. Er is verder sprake van een ‘indicatief en transparant scorebord dat onder meer voorziet in indicatieve drempelwaarden’ etc. Onder dit technocratisch jargon zit echter een heel politiek programma verborgen. Zo is uit tal van documenten duidelijk dat de ‘unit labor cost’ een eersterangsrol zal spelen in het ‘scorebord’; en loonkost wordt medebepaald door collectieve arbeidsovereenkomsten, indexeringsmechanismes enz. Noteer dat de parameters voor het scorebord niet vastliggen, de EC kan ze aanpassen zoals gewenst.

Het is zonder meer onthutsend dat het Europees Parlement, groenen en sociaal-democraten incluis,  de EC hierin absoluut vrij spel geeft: de Raad en het Parlement moeten alleen op de hoogte gesteld worden en aanmerkingen kunnen maken, bij wijzigingen moet de  EC de redenen toelichten… Een onverkozen technocratie krijgt werkelijk carte blanche. Zij, en niet het Europees Vakverbond bepaalt wat een  ‘macro-economische onevenwichtigheid’ is …

Sociaal-democraten en Groenen kunnen opwerpen dat,  door hun toedoen, een aantal sociale bekommernissen in de tekst opgenomen zijn. Er wordt inderdaad gesproken over “rekening houden met de economische en sociale gevolgen van deze beleidmaatregelen”, over  het betrekken van de sociale partners enz. Maar ze hebben blijkbaar geen lessen getrokken uit de onbeduidendheid van dergelijke formules, in tegenstelling tot de dwingende aard van de neoliberale Europese orthodoxie. In het Verdrag van Lissabon staat een sociale clausule (art. 9), die men vaak voorhoudt als een garantie tegen asociaal beleid. Dit artikel is volop van toepassing, maar het doet in de praktijk alleen dienst als een schaamlapje voor de ‘linkse’ partijen…

Conclusie

Als we zien hoe het gesteld is met de ‘beste’ van de zes teksten over economisch bestuur is, kunnen we ons voorstellen hoe het met andere gesteld is. De amenderingen hebben van deze ‘terrible reforms’ geen aanvaardbare wetten gemaakt, toch niet voor wie uit arbeid zijn inkomen moet halen. De implicatie is angstaanjagend, maar onontkoombaar: de arbeidersbeweging wordt door geen enkele politieke kracht – op de kleine fractie van Europees Verenigd Links na –  vertegenwoordigd in de Europese instellingen. Dit zou het Europees Vakverbond ertoe moeten aanzetten zich te beraden over zijn strategie, die totnogtoe veel te veel rekende op lobbywerk naar de ‘linkse’ fracties toe. Het zou bv. ook ht ABVV moeten ertoe brengen in verkiezingsperiodes niet langer bevoorrechte tribunes te bieden aan een partij die regelrecht tegen de werkersbelangen ingaat. Voor wat het ACV betreft is de politieke verweesdheid al langer bekend. 

Misschien kunt u zelf een woordje uitleg vragen aan de betrokken sociaal-democratische en groene europarlementsleden die zoveel heil verwachten van een economisch beleid onder leiding van de Europese Commissie? Hier volgen de e-mail adressen:

Herman Michiel (Ander Europa — http://werkplaatsandereuropa.wordpress.com/)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3184   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift