De ongewenste indianen van Chiapas, Mexico

Tien jaar geleden startte het zapatistisch bevrijdingsleger een oorlog tegen het neoliberalisme. Vandaag is het stil geworden rond de zapatisten, al woedt in Chiapas een vuile oorlog die elke vorm van inspraak in de kiem wil smoren.
Het is al donker als ik mijn weg zoek in een uithoek van San Cristóbal, in een buurt waar de koloniale stad overgaat in een uitwas, bevolkt door gemigreerde armenfamilies. Het adres dat men mij heeft opgegeven lijkt te kloppen, maar als ik aanbel blijft het volkomen stil. Ik probeer een tweede keer. De deur draait langzaam op een kier. Ruben verontschuldigt zich. ‘We zijn voorzichtig met onbekenden. Er staat al dagen iemand op de hoek van de straat om elke beweging rond het huis te registreren.’ Dit is het huis van het Netwerk van mensenrechtenverdedigers, dat door de autonome zapatistengemeenschappen in het leven werd geroepen.
Ruben, een jonge twintiger, is één van de juridische medewerkers. Hier kunnen zapatistengemeenschappen terecht om melding te doen van intimidaties en bedreigingen, door het leger, paramilitairen of PRI-gezinde groepen (de PRI, de Institutionele Revolutionaire Partij was in Mexico aan de macht van 1929 tot 2000 en is vooral sterk geworteld in lokale machts- en belangengroepen). ‘Als wij onze rechten verdedigd willen zien, moeten we het zelf doen’, weet Ruben.
In 1998 vielen leger en politie binnen in zijn gemeenschap. ‘Ze gooiden traangasbommen, zaaiden paniek en chaos. Mensen werden geschopt en opgepakt, een groot deel werd op een vrachtwagen meegevoerd, de een bovenop de ander. Ik wilde iets doen maar ik was nog heel jong en voelde me machteloos. Toen heb ik besloten rechten te studeren, om mijn volk te kunnen verdedigen.’ Hij is er trots op dat hij op deze manier meewerkt aan het project van het EZLN, het Zapatistisch Leger voor Nationale Bevrijding. ‘Maar eerlijk gezegd, soms ben ik echt wel bang’, geeft hij toe.

De Blauwe Bergen


De volgende ochtend vertrek ik met een delegatie van het Netwerk naar Montes Azules, de Blauwe Bergen, een natuurreservaat in het Lacandonenwoud, aan de grens met Guatemala. De rit naar Nuevo San Isidro duurt ruim zes uur, over de fonkelnieuwe grensweg, langs kazernes en controleposten en af en toe een dorp.
We rijden het Lacandonenwoud in langs de Meren van Montebello. Panelen met ‘De handel in wilde planten is een misdaad’ of ‘De illegale houtkap is een misdaad’ herinneren ons eraan dat we ons in een waardevol natuurpark bevinden, de long van Mexico, patrimonium van de mensheid. In Ixcán parkeren we de bestelwagen. Een kwartier lopen, doorheen wat struikgewas en weiland, en we staan bij de oever van de Rio Lacantún, een smaragdgroene rivier die in een idyllische rust, tussen palm- en mahoniebomen door het woud stroomt. Tegen de grijsgroene boswand tekenen zich de silhouetten af van enkele jonge meisjes die tot hun middel in het water staan. Kinderen spelen als jonge vissen in de rivier. Iemand geeft een fluitsignaal en twee kano’s komen onze richting uit om ons over te zetten.
Wanneer ik Nuevo San Isidro binnenwandel, kan ik mijn ogen nauwelijks geloven. Een aantal families leeft hier bij elkaar gedreven onder nylon zeilen, met niet meer dan enkele zakken maïs en bonen, een handmolen, wat hangmatten tussen de bomen. Eind vorig jaar liet de regering weten dat een deel van de vijfenveertig gemeenschappen uit het reservaat gezet zou worden, indien nodig manu militari.
Een week geleden had de gemeenschap hulp gevraagd aan het Netwerk. Een veertigtal Lacandon-indianen was hen komen lastig vallen. Ze hadden hen acht dagen de tijd gegeven om het territorium te verlaten. Ze waren gewapend en werden vergezeld door milieu-ambtenaren van twee overheidsinstellingen.
In totaal wonen hier drieëntwintig families, allen Tzotzil-indianen afkomstig uit het noordwesten van Chiapas en op zoek naar grond. Ik vraag of ze zouden ingaan op een aanbod van de regering tot hervestiging, wanneer hun gemeenschap ontruimd wordt. Lorenzo spreekt in naam van de groep: ‘We zijn overeengekomen dat we niet zullen vertrekken. Wij geloven niet in het woord van de regering.’ In december is een andere gemeenschap wel ingegaan op zo’n aanbod. Een half jaar later zitten de families nog steeds in een loods te wachten op een oplossing.
Lorenzo: ‘De regering, Conservation International en het World Wildlife Fund zeggen dat wij moeten vertrekken omdat in dit reservaat planten en dieren beschermd moeten worden. Wij hebben ook respect voor de planten en de dieren. Het enige wat wij vragen, is om, precies zoals de dieren en de regeringsfunctionarissen, ook te mogen eten.’ Lorenzo zwijgt even, om meer kracht te geven aan zijn woorden, al fluistert hij haast: ‘Ze willen gewoon een einde maken aan de indianen. Wij zijn overbodig in het systeem, lastposten.’
Al de hele tijd zit een jongetje, in zijn blootje op de grond, onafgebroken en indringend te huilen. Ik vraag wat ze doen wanneer iemand ziek is. ‘Wij hebben geen dokter of geneeskundige hulp. Wij ontvangen niets van de regering.’ Lorenzo kijkt even weg, en keert zijn hoofd dan weer in mijn richting. ‘Wij zijn immers het volk van Marcos. Wij leven in het verzet.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.