De onzichtbare stad

Een brand in een huizenblok vol illegalen in Parijs. Wanhopige Afrikanen die over de zwaar bewaakte hekken van Melilla klauteren. Een illegale bouwvakker die halfdood op een landweg wordt gedumpt… Af en toe vangen we een gewelddadige glimp op van de onzichtbare wereld waarin mensen verdwijnen die geen wettige verblijfspapieren hebben. Die "verdwenen" mensen wonen naast ons op dure vierkante meters van huisjesmelkers, ze poetsen onze huizen, stukadoren onze muren, plukken onze tomaten en wassen onze borden af. Allemaal in het zwart. Politiek Vlaanderen spreekt harde taal, maar knijpt op het terrein een oogje dicht voor dit leger van goedkope en flexibele werkkrachten. Sara Frederix spendeerde de voorbije maanden talloze uren in de onzichtbare stad. Dat zorgt voor een onthullende blik op de realiteit.
Naima is 16 jaar. Ze komt uit Somalië en dat zie je. Ze woont al negen jaar in België en dat zie je. Ze verblijft hier illegaal, maar dat zie je niet. Naima is een doorsnee puber van zestien: ze spaart haar zakgeld voor een nieuwe outfit of oorbellen uit de H&M, gaat graag naar de film met vriendinnen, belt uren met haar vriendje, zingt bij een rap-groepje en vindt wiskunde alleen goed om calorieën te tellen. En… ze wil vóór het einde van dit jaar trouwen. Met een Somalische jongen van 21 die is opgegroeid in Frankrijk én wettige verblijfspapieren heeft. Zes maanden geleden hebben ze elkaar ontmoet in een huiswerk-chatbox. Ze zijn voor elkaar gemaakt, want ze houden allebei van gele M&M’s. Fier toont Naima haar gouden verlovingsketting. ‘Als ik met hem trouw, is alles opgelost voor mij. Dan ben ik niet meer illegaal.’
Vier maanden vroeger ontmoette ik Naima en haar moeder Fozia voor het eerst. De twee mooie, trotse vrouwen doen hun verhaal: over Fozia’s oppositie-activiteiten nadat haar invloedrijke man, schoonfamilie en eigen familie haar hadden verstoten. Ze vroeg asiel in België, maar na een paar jaren was ze uitgeprocedeerd. Terugkeren naar Somalië wilde en kon ze niet. ‘Wat moet een alleenstaande vrouw in Somalië met een puberdochter die in België is opgegroeid?’ Fozia gebruikt haar losse hoofddoek om haar tranen van verdriet en schaamte te verbergen. Naima vertaalt. ‘Ik zou bij niemand terecht kunnen, geen werk vinden, en ik zou niet willen dat Naima ook besneden wordt.’ Dus bleven Fozia en Naima in Antwerpen. Illegaal. ‘Hoe moeilijk het ook is, alles is beter dan teruggaan naar Somalië.’

Door de achterdeur


Naima en Fozia zijn twee van de 150.000 illegalen in België en 3 miljoen in Europa. Die cijfers zijn natuurlijk natte-vinger-werk, want wie hier niet officieel is, wordt ook niet geteld. Sommige cijfers geven toch een idee van de omvang van het probleem. Sommige scholen in “Antwerpen-2060” tellen 40 procent kinderen van illegalen. 35 procent van de patiënten van Artsen Zonder Grenzen en 70 procent van de niet-Belgische slachtoffers van huisjesmelkers zijn mensen zonder wettig verblijf. Alle hulporganisaties zien hun cliëntenbestand zodanig aangroeien dat ze soms koudweg de deur moeten sluiten voor een rij wachtenden - ook al komt naar schatting amper twintig procent om hulp vragen.
Volgens onderzoekers is momenteel tien procent van iedereen die België binnenkomt clandestien en deze groep wordt steeds groter en groter. ‘Als je de mogelijkheden om Europa binnen te raken -asielprocedure, familiehereniging en toeristisch visum- steeds beperkter maakt, is de enige manier die overblijft illegale grensovergang’, legt Johan Wets van het Hoger Instituut voor Arbeid (KULeuven) uit. ‘Hoe strenger je de toegang regelt aan de voorkant, hoe meer mensen langs de achterdeur illegaal binnenkomen.’ Godfried Engbersen van de Vrije Universiteit Rotterdam berekende dat 1 tot 2 procent van de bevolking in West-Europa illegaal is. In grote steden is dat zelfs 5 tot 10 procent. Zijn cijfers zijn gebaseerd op het aantal mensen zonder wettig verblijf dat door de politie opgepakt wordt voor illegale arbeid of criminaliteit. Engbersen verwacht ook niet dat het aantal illegalen in de toekomst zal dalen: ‘Met de vergrijzing zal ook de vraag naar goedkope arbeid voor ouderenzorg, huishoudelijke zorg en kinderopvang stijgen. Neem het van mij aan: illegalen zijn niet meer weg te denken uit onze maatschappij van vandaag en morgen.’

Naar de haaien


‘Onze toekomst ligt in België. Legaal of illegaal, wij blijven hier.’ Harun woont al 16 jaar illegaal in België. Zijn vrouw Safia besloot vier jaar geleden -na jaren heen en weer pendelen tussen Marokko en België met de twee kinderen- om hier te blijven. ‘Na de aanslagen op de Twin Towers werd het moeilijker om met een toeristenvisum mijn man te bezoeken. Ik had schrik dat als ik terug naar Marokko ging, ik nooit meer naar België zou kunnen komen. Dus toen mijn toeristenvisum verliep, ben ik hier gebleven.’ Harun schenkt thee in. Hij kwam naar Europa om te studeren in Parijs. Maar toen de combinatie studeren-werken te zwaar werd, besloot hij het zonder een legaal statuut verder te proberen. ‘Wij hebben nooit asiel aangevraagd omdat we weten dat Marokkanen toch niet in aanmerking komen. Wij worden niet politiek vervolgd, alleen economisch’, grapt hij. ‘Ik heb een Marokkaans diploma, maar er is gewoon geen werk. Mieux un roquin qu’un Marrocain. Je kan je beter voor de haaien gooien dan in Marokko blijven.’
Mukhtar snijdt nog een plak huisgemaakte cake af. Wat hij voor werk doet? ‘Ik ben handig. Vroeger werkte ik in Marokkaanse reisbureaus, nu schilder ik voor 5 tot 10 euro per uur, of soms een hele dag voor maar 25 euro. Soms word ik zelfs niet betaald. Ik heb al voor alle nationaliteiten gewerkt, maar voor Marokkanen werk ik niet meer. Ze profiteren té veel van me, dat is pure uitbuiting. Al dat werk is in ‘t zwart natuurlijk, want als illegaal mag je eigenlijk niet werken. Het is niet makkelijk om voortdurend werk te vinden, zeker in de zomervakantie. Soms verdien ik op een maand maar 200 euro, soms ook 500 euro. Soms werk ik voor de huisbaas in ruil voor een deel van de huur.’

‘Ik ben een vechter’


Frank Hosteaux van de vzw Rot-Op-Huisjesmelkers zet zich al jaren in voor Antwerpse krotbewoners -ongeacht of ze papieren hebben of niet. Van op een terrasje op het Sint-Jansplein wijst Hosteaux met één wiekende arm de naburige straten aan waar veel illegalen wonen. ‘Mijn dilemma is dat we niet veel kunnen doen voor illegalen in krotten. Het huis onbewoonbaar verklaren, heeft geen zin want dan staan ze op straat of moeten ze weer een ander krot op de privé-markt zoeken -wat niet gemakkelijk is. Als ik ze naar een open asielcentrum stuur, riskeren ze gerepatrieerd te worden. En de weinige transitwoningen van de stad zijn niet bedoeld voor illegalen. Echt, ik zie geen oplossing.’
Safia en Harun betalen 250 euro aan hun Marokkaanse huisbaas, voor twee schurftige kamertjes waar ze met vier kleine kinderen op elkaars schoot en lip zitten. Eten en kleren krijgen ze van Bond Zonder Naam die hen ook elke maand 75 euro toesteekt. In het eerste kamertje van het “appartement” ligt een stapel matrassen klaar voor vanavond. Het tweede kamertje, tot het plafond volgestouwd, doet dienst als keuken en eetruimte. Achter een deur zit nog een douche verstopt. De barsten in de ramen zijn opgelapt met brede plakband. Verwarming is er niet echt, vocht en kakkerlakken wel. ‘In de winter warmen we water op om de kinderen te wassen en kruipen we onder de dekens dicht tegen elkaar.’ De kinderen springen van de schouw op de matrassen, kruipen onder de tafel, jengelen om te veel aandacht in een te kleine ruimte. De ogen en kaken van Safia en Harun staan gespannen. Af en toe zwaait een bezwerende hand door de lucht. ‘Ik zal blij zijn als de vakantie voorbij is en ze weer naar school kunnen’, kreunt Safia. ‘Soms wenen ze als ik ze ophaal aan de schoolpoort. Weer naar hun kleine huis zonder speelgoed. Ze worden hier ziek van de stress en het slaaptekort.’ Harun zwaait vrolijk met een doosje zetpillen. ‘Onze redding.’
‘Het eerste jaar dat ik hier was,’ vertelt Safia, ‘durfde ik ze niet naar school brengen, uit schrik opgepakt te worden. Maar nu voel ik me in de hemel als ik zie wat ze allemaal leren op school. Dat is de enige moment dat ik voel dat ik leef. In Marokko slaan de leraars de kinderen, maken ze geen uitstappen, leren ze niets. Hoe moeilijk het ook is, ik blijf hier om mijn kinderen een fatsoenlijke opleiding te geven. Er is geen toekomst in Marokko.’ Maar als zij honger lijden, geen geld hebben voor kleren, speelgoed of schoolgerief… heeft ze dan nooit spijt van haar beslissing? Is dit illegale, armoedige bestaan dan niet slechter dan haar vroegere leven in Marokko? Een vastberaden Safia: ‘Hier heb ik niets en in Marokko heb ik niets. Maar als je vecht, kan je hier wel iets vinden. Ik ben een vechter, maar in Marokko kan je heel je leven vechten, zonder resultaat.’

Een doolhof om in te verdwalen


Wie geen wettige verblijfspapieren heeft en toch ziek wordt, heeft dankzij het Koninklijk Besluit van 1996 recht op dringende medische hulp. In tegenstelling tot wat de term doet vermoeden, gaat dat niet alleen over spoedgevallen maar ook over kinesitherapie, tandartsen, logopedisten, revalidatiecentra, rusthuizen… De dokter bepaalt of iemand “dringende medische hulp” nodig heeft, met dat papier ga je naar het OCMW dat de factuur terugbetaalt aan de zorgverstrekker in kwestie. Als je medicijnen bij de apotheker nodig hebt, moet je nog eens hetzelfde parcours afleggen.
Antonian uit Armenië die zijn bejaarde moeder met suikerziekte heeft laten overkomen, Sara uit Iran die soms niet meer kan poetsen of afwassen door verkalkte ellebogen, Fozia uit Somalië die met een schildklier van acht centimer sukkelt, Germai uit Ethiopië die een rist medicamenten moet slikken om de psychische druk en aanverwante kwalen te onderdrukken… Ze malen er niet om om dit ingewikkeld parcours af te leggen. Ze zijn al blij dat het bestaat. En anders zoeken ze een menslievende dokter die al eens iets voor niets doet en geeft, of ze betalen de volle pot, of lenen een sis-kaart van iemand.
‘Men heeft er bewust een doolhof van gemaakt om mensen te ontraden’, zegt Gert De Volder van Artsen Zonder Grenzen over het huidig systeem van gratis gezondheidszorg. ‘Dokters en ziekenhuizen moeten ook veel te lang -tot een jaar- wachten op hun terugbetaling en alleen de OCMW-ziekenhuizen krijgen hun factuur terugbetaald. Bovendien vult elk OCMW vrij het Koninklijk Besluit op dringende medische hulp in. Door de dreigende aanwezigheid van het Vlaams Belang, leidt dat er in Antwerpen toe dat alles verdoken moet gebeuren. Het resultaat is dat dokters en ziekenhuizen minder en minder bereid zijn om illegalen te verzorgen.’

Laatste strohalm


Bij de eerste ontmoeting met Fozia en Naima ging het -alles in acht genomen- goed met hen. Van de Bond Zonder Naam kregen ze een appartementje en eten, van het OCMW een bestaansminimum, medicijnen en medische zorg. Een “geluk” bij een ongeluk: Fozia had namelijk problemen met haar schildklier gekregen die niet in Somalië te behandelen zijn. Op basis van “buitengewone omstandigheden”, zoals dat in artikel 9.3 van de vreemdelingenwet staat, kreeg Fozia een medische witte kaart voor één jaar waarmee ze recht kreeg op OCMW-steun. Dat beruchte artikel 9.3 is zowat de laatste strohalm voor uitgeprocedeerden en illegalen. De wet preciseert deze “buitengewone omstandigheden” niet, maar ernstig zieken, slachtoffers van mensenhandel of mensen die al heel lang in België verblijven, hebben een waterkans om via dit artikel 9.3 geregulariseerd te worden. Zo lang je aanvraag voor artikel 9.3 loopt, word je officieus gedoogd en loop je minder kans gerepatrieerd te worden. Safia en Harun dienen telkens opnieuw zo’n aanvraag in, goed wetende dat ze geen kans maken en dat ze geen nieuwe elementen hebben voor hun dossier. Ze denken zo minder gemakkelijk gerepatrieerd te worden.
Een maand later spreek ik nog eens af met Fozia en Naima. Van de twee vrouwen die met het nodige sarcasme hun verhaal deden, schiet nog maar een schaduw over. Fozia ligt heel de tijd met haar hoofd op de tafel en is enorm vermagerd. Ze kan zelfs in de jas van haar dochter, vier confectiematen magerder. Fozia klaagt over hoofdpijn, hartkloppingen, haaruitval en ze heeft zelfs te weinig energie om tot bij een dokter te geraken. Naima heeft bulten over haar hele lijf, buikloop en slaapproblemen van de stress. ‘We zijn nog nooit zo diep gezakt.’ De medische witte kaart is niet verlengd. Administratieve traagheid of onwil, dat is niet duidelijk, maar de Dienst Vreemdelingenzaken laat in elk geval niets van zich horen. Ondertussen kan het OCMW geen geld meer uitkeren. ‘Het enige wat ik nog eet, zijn mijn medicamenten die ik gratis krijg.’ Naima heeft haar gsm al verkocht voor 25 euro om eten voor één week voor haar moeder te kopen. Ongeluk bij een ongeluk: ze moesten ook uit hun appartement omdat het hele gebouw van de Bond Zonder Naam dringend gerenoveerd moest worden.
Fozia woont tijdelijk in een “studio” van haar ex-vriend. Naima is in een opvangtehuis voor minderjarigen gaat wonen. Dan krijgt ze tenminste drie keer per dag te eten. Op haar schoolwerk kan ze zich moeilijk concentreren, vandaag is ze zelfs niet naar school gegaan. Ze zoekt een baantje om eten te kopen voor haar moeder, maar in elke bakker of café vragen ze haar identiteitskaart. Op school weet niemand van haar vriendinnen of leerkrachten iets af van haar situatie. ‘De schijn ophouden is belangrijk voor ons. Als we buitenkomen zetten we ons glimlachend masker op.’ In de instelling mist Naima haar moeder heel erg. ‘Ik voel me heel schuldig. Ik krijg pudding als dessert, terwijl mijn moeder honger lijdt.’ Naima ziet één lichtpuntje: van alle buikloop en stress vermagert ze. De weegschaal in de gaten houden terwijl je moeder géén eten heeft. Ironisch of puberaal normaal?
Naima is ondertussen weg uit de instelling en woont weer bij haar moeder. ‘Ik miste haar te veel.’ En vanuit de instelling kon ze haar moeder niet helpen met eten, medicamenten en dokters. Over twee jaar is ze meerderjarig. Voor studeren heeft ze geen geld, werken mag ze niet. ‘Ik droom ervan psychiater of zangeres te worden, met een huisje, een puppy en een kindje. Eentje, want ik heb schrik gekregen door al die bevallingsprogramma’s op tv. Maar ik moet realistisch zijn. Ik ga proberen in het zwart te werken en een reispas te zoeken om naar Londen of Amerika te gaan. Ik wil ergens wonen waar ik een leven heb.’

Odysseus


‘Iedereen die in illegaliteit leeft, heeft na twee jaar zware psychische problemen’, zegt Saren Swinnen, psycholoog bij Artsen Zonder Grenzen, waar veel illegalen voor een gratis consultatie komen. ‘Mensen hebben geen veiligheid, geen vaste plek, weinig zingeving of toekomstperspectief, leven in angst en isolement… De klachten zijn hoofdpijn, maagproblemen, slaapproblemen, psychische en fysieke uitputting. Dit zogenaamde Odysseus Syndroom is typisch voor vluchtelingen en lijkt op een depressie zonder zelfmoordneiging.’ Maar psychische hulp valt niet onder de dringende medische hulp waar mensen zonder wettig verblijf recht op hebben.
Iedereen die ik de afgelopen maanden heb ontmoet, vertoont inderdaad zware stresssymptomen. Sara, bijvoorbeeld. Sara kwam zes jaar geleden van Iran naar Europa om de boete bijeen te werken voor haar man die in de gevangenis vloog voor drugshandel. Ze hoopt op een positief antwoord op haar aanvraag voor artikel 9.3 omdat ze hier al zo lang verblijft en goed ingeburgerd is. Ondertussen poetst ze elke maand 300 zwarte euro’s bij elkaar en krijgt ze 97 euro van twee Antwerpse organisaties, de rest haalt ze bij voedsel- en kledingbanken. Door haar verkalkte ellebogen kan ze soms niet poetsen of afwassen. Ze krijgt een acupunctuurbehandeling, maar eigenlijk zou ze geopereerd moeten worden met vier maand platte rust voor haar ellebogen. Vier maanden zonder inkomen - dat gaat niet.
Ze heeft nachtmerries over Iran en haar schoonfamilie. Ze ligt uren naar het plafond staren. Als tolk en econoom van opleiding stort ze zich gemotiveerd en getalenteerd op haar tolkenexamen Nederlands-Farsi, maar ze slaagt er niet in zich te concentreren. Ze heeft rode jeukende plekken van de stress, ze sukkelt met een hoge cholesterol. ‘Ik ben zo moe, zo moe. Ik heb geen energie meer en voel de vermoeidheid altijd maar groter worden. Ik voel me als een band die plat gaat. Ik roep voor het minste tegen mijn kinderen, mijn kwaadheid moet langs ergens naar buiten. De relaxatielessen die de organisatie de Mutsaert organiseert, helpen maar heel tijdelijk. Ik voel me een slechte moeder.’

Connecties in de jungle


Om te overleven in de illegaliteit zijn netwerken van levensbelang. Zonder red je ‘t niet. Hoe meer familie, landgenoten, contacten, organisaties, hulpverleners, kerken, advocaten, bezorgde leerkrachten of apothekers je kent, hoe langer je het uithoudt. Je hebt contacten nodig om klusjes of een kamer te vinden, te weten bij welke organisatie je voedsel, kleren, geld, waarborg voor je appartement, informatie over je rechten of een pro deo advocaat kan krijgen.
en Harun kunnen rekenen op familie in Limburg en Nederland mét papieren. Van Safia’s zus, die met een Belg is getrouwd, en naast de deur woont, kunnen ze elektriciteit aftappen. Een jong Marokkaans meisje geeft hen dekens, eten en brengt hen in contact met hulporganisaties. Via hun Marokkaanse huisbaas vindt Harun klusjes. Safia’s advocaat geeft haar man een donderpreek als ze weer vol blauwe plekken staat. Maar zonder haar man maakt ze nog minder kans boven water te blijven.
Als Fozia weer in het ziekenhuis belandt, krijgt ze voortdurend bezoek van Somaliërs die ze zelfs niet kent en haar -zoals de traditie het voorschrijft- drinken brengen. ‘Wij kennen veel mensen en zijn absoluut niet eenzaam.’ Van een zuster krijgen ze eten, cadeautjes, paaseieren en af en toe 50 euro. Een ouder koppel in de straat steekt hen ook zo nu en dan iets toe. Toen Sara haar huur niet op tijd kon betalen, leende ze 50 euro van enkele medestudenten in haar tolkenklas. Een hulpverlener tekende haar huurcontract en stelde de huisbaas gerust. Maria krijgt af en toe enkele euro’s van andere Angolezen of Congolezen uit de Kimbanguistische kerk, waar ze elke zondag naar toe gaat. De school van haar kinderen zoekt mee naar een nieuwe woonst. De huisbaas van Germai koopt meubels voor hem op een veiling en Germais broer in Groot-Brittannië stuurt af en toe geld. Antonian leent geld bij een Armeense organisatie. In Brussel zouden zelfs heuse spaarsystemen bestaan en de Brusselse parochie Saint Jésu des Travailleurs, het epicentrum voor de Brazilianen, levert zelfs een soort identiteitskaart af.
In Brussel, Luik, Charleroi, Verviers, Gent en sinds kort ook Antwerpen bestaat een prille zelforganisatie voor mensen zonder papieren, de UDEP (Union pour la Défense des sans-Papiers). Van, voor en door mensen zonder wettig verblijf. Woordvoerders Claude en Dieudonné beweren dat ze al 3000 leden hebben. ‘In deze jungle moet je branché zijn, connecties hebben. Wij proberen onze mensen te informeren over de huis-aan-huiscontroles in Antwerpen of de nieuwe asielprocedure. We hebben in elke stad een lokaaltje en telefonische permanentie voor vragen. We willen mensen zonder wettig verblijf een stem geven, zichtbaar maken. We willen ook het aanspreekpunt zijn voor zowel het stadsbestuur als de vakbonden, we maken afspraken met de politie dat ze niemand oppakken voor de deur van hulporganisaties, we organiseren betogingen, hebben een voetbalploeg en poetsen de straten om een positief imago bij de publieke opinie te creëren.’

Rosa, rosam, rosae


Sara vraagt of ik blijf eten. Haar zoontje Amin demonstreert de kunstjes van een zesjarige: scheten laten met zijn handen onder zijn oksel en gekauwde koek in zijn opengesperde mond tentoonspreiden. Haar oudste dochter Soheila ratelt honderduit over haar school: over de bosklasse, over de twaalf woordjes Latijn en de naamvallen die ze elke dag moet blokken, dat ze advocaat wil worden om haar moeder te verdedigen.
Amin wil om dezelfde reden politieagent worden. Soheila en Amins Nederlands is accentloos na zes jaar in België. Met hun moeder praten ze een mengeling van Nederlands en Farsi. Sara lacht met hun raar accent in het Farsi of als ze een woord niet begrijpen. Sara klaagt over de dure schoolboeken, schooluitstapjes, middageten, toezicht… ‘De directeur begrijpt onze moeilijke situatie, maar op de school zijn te veel mensen met dezelfde problemen, zodat hij niet iedereen financieel kan helpen. Ik ben op, maar mijn kinderen moeten een goede opleiding krijgen. Ik koop niks voor mezelf, alles is voor mijn kinderen.’
Onderwijs is voor veel mensen een belangrijke reden om in België te blijven. De omzendbrieven van het ministerie van Onderwijs van 1999 en 2003 leggen er nog eens de nadruk op dat scholen kinderen van ouders zonder verblijfsstatuut niet mogen weigeren. Een illegaal kind krijgt een diploma, is verzekerd en mag stage doen, maar mag niet betaald worden. Scholen mogen de kinderen en ouders ook niet aangeven aan de politie of dienst vreemdelingzaken. In principe mag de politie ook niet onaangekondigd de school binnenkomen of mensen in de buurt van de schoolpoort oppakken.
Maar Jos Geudens, tot voor kort leraar in de 2060-school Omnimundi en drijvende kracht achter vzw’s zoals Kinderen zonder Papieren, dist vlot enkele tegenvoorbeelden op: een moeder die op weg van school naar huis werd opgepakt, kinderen die uit de klas worden geplukt door de politie om gerepatrieerd te worden, leerkrachten die een hele dag een leerling verstoppen voor de politie.
Geudens denkt dat er scholen zijn waar 30 tot 40 procent van kinderen “illegaal” zijn. Wat als deze duizenden kinderen binnenkort meederjarig worden? Ze spreken beter Nederlands dan hun moedertaal, hebben langer in België gewoond dan in hun geboorteland of zijn zelfs in België geboren. Met hun ouders vechten ze een cultuur- en opvoedingsclash uit. Soheila en Amin leven in een wereld die bestaat uit H&M, Spring! en Tom Boonen. Ze zijn onzichtbaar, maar kunnen nergens heen.
meeste namen van de mensen zonder wettig verblijf zijn fictief.
Met steun van Fonds Pascal De Croos en Dexia/JAM.
Reageer op deze reportage.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift