De Portugezen van Brussel

In Frankrijk wonen 800.000 Portugese migranten, in bijna perfecte discretie. De 21.000 Portugezen van Brussel zijn minder onzichtbaar: in Elsene en Sint-Gillis tonen ze zich met cafés, clubs en vlaggen. Maar in het politieke debat of bij de verkozenen des volks blijven ze afwezig. Waarom?
  • Jose Fernandes Jose Fernandes
Tussen 1958 en 1974 verlieten anderhalf miljoen Portugezen hun land. ‘Hele dorpen liepen leeg, met treinen vol vertrokken ze’, zegt de Franse historicus en migrantenzoon Victor Pereira. Ze vertrokken niet alleen per trein: velen waren clandestiene vluchtelingen en staken soms te voet delen van de Pyreneeën over. Een klein deel waren politieke vluchtelingen –vooral dienstweigeraars in de koloniale oorlogen vanaf 1961, in Angola en Mozambique– maar het grootste deel bestond uit economische vluchtelingen. ‘Maar wat is het verschil’, vraagt Joachim Galego, die in 1969 naar Brussel vluchtte en sinds kort is teruggekeerd naar zijn geboortedorp Campo Maior. ‘Iedereen die vertrok om economische redenen, vertrok tegelijk om politieke redenen. De geheime politie was overal. Het was geen leven.’
Vele van de politieke vluchtelingen kwamen in Brussel terecht via Parijs. In Frankrijk bestond het vluchtelingenstatuut niet voor Portugezen, in België wel. Brussel werd daardoor in de jaren zestig een centrum van verzet tegen het Salazar-regime. Gevolg was dat ook de Portugese geheime politie actief was in België. Het was van het grootste belang voor het regime dat de meerderheid van economische migranten niet in het ideologische kamp van de politieke vluchtelingen belandde.
De migranten waren, volgens Victor Pereira, als het ware “uitgezonden” naar het buitenland, om daar geld te verdienen en terug te sturen naar Portugal –zelfs als ze het land clandestien verlieten. ‘In Frankrijk,’ zegt Pereira, ‘reden camionnettes van de Portugese banken recht naar de Portugese bidonville van Champigny, om het geld op te halen.’ De verzetsorganisatie LUAR (Liga de Unidade e Acção Revolucionária) viel die geldtransporten nog ooit aan, omdat dat geld de koloniale oorlogen in Angola en Mozambique hielp financieren. Wie het land ontvluchtte, steunde op die manier het regime meer dan wie bleef.

De erfenis van salazar


De huidige Portugese gemeenschap in Brussel komt niet alleen voort uit de eerste migratiegolf van de jaren zestig en zeventig. Er was ook een sterke stijging van de migratie sinds 1990, en de voorbije jaren komen er jaarlijks ongeveer 2000 nieuwe migranten bij. Zo politiek actief als de kleine groep politieke vluchtelingen destijds was, zo politiek afzijdig is de huidige groep economische migranten.
Aan politiek doen in Portugal ten tijde van Salazar was levensgevaarlijk en absoluut te vermijden, een gewoonte die zich voortzette in de diaspora, aldus migratiesocioloog Albano Cordeiro. ‘Het enorme politieke je m’en foutisme van de Portugezen is de erfenis van Salazar. Een meerderheid van de Portugese migranten in Frankrijk kwam uit kleine dorpjes, met een hoge graad van ongeletterdheid. Ze hadden hoogstens enkele jaren lagere school gevolgd.’
Hun voornaamste bezigheid de voorbij decennia was zich in stilte opwerken uit de armoede. Portugezen zijn vaak tweeverdieners, die werken in de bouw of als conciërge, en die een huis bezitten in België en één in Portugal.
Naast hun werk bouwde de Portugese gemeenschap in Brussel een uitgebreid eigen gemeenschapsleven op –eerst in Elsene, later ook in Sint-Gillis. In hun eigen clubs, bars en restaurants, tussen wanden bezet met azulejo’s, aten ze bacalhau of cabrito en verlangden ze naar Portugal. Vandaag willen jongeren losbreken uit dit namaak-Portugal. Brusselaar Pedro Rupio (26), een door de Portugezen van Brussel verkozen raadsman van het adviserend overheidsorgaan CCP (Conselho das Comunidades Portuguesas), zou willen dat de Portugese gemeenschap ophoudt zichzelf wijs te maken dat ze hun geboortedorp nooit verlaten hebben: ‘De Portugese diaspora vandaag is meer een natie op zichzelf, een soort van archipel van oude dorpsculturen onder een glazen stolp.’ Rupio onderneemt sensibiliseringsacties om de Portugezen tot stemmen aan te zetten: ‘Het is tijd om te breken met de traditie van onzichtbaarheid. De Portugese gemeenschap heeft haar rol te spelen in de samenleving.’
De jongere generatie willen niet per se méér Belg worden, maar streven wel betere relaties met de andere gemeenschappen in Brussel na. Francisco Monho, voorzitter van APEB (Associação dos Portugueses Emigrados na Bélgica) wil in eerste instantie de organisatie openbreken naar andere Portugeestaligen in Brussel: Brazilianen, Angolezen, Kaapverdiërs. Volgende stap: betere relaties met de Marokkanen van Sint-Gillis. ‘Tenslotte delen we acht eeuwen geschiedenis’, zegt ook Pedro Rupio.
Dit is Brussel, een stad waar volgens recente cijfers van socioloog Jan Hertogen nog 32 procent van de bevolking van Belgo-Belgische origine is; een hoofdstad bovendien die nauwelijks nog wordt geacht een nationale identiteit uit te dragen en te reproduceren. Wie zich vandaag wil integreren in Brussel, moet daarbij zelf ook meteen zijn eigen integratieconcept bedenken. En dat doen de jongere Portugezen.

Het nieuwe en het oude Portugal


Kritiek op de geslotenheid van de eerste- en tweedegeneratie migranten komt er niet alleen vanwege de jongeren. Ook de groep Portugese euroambtenaren en sommige meer recente Portugese migranten distantiëren zich van hen en van het beeld van Portugal dat ze verspreiden. ‘Zodra er gesproken wordt over de Portugese gemeenschap van Brussel, gaat het over folklore’, klaagt Joaquim Pinto da Silva, Europees ambtenaar en eigenaar van boekhandel en cultureel centrum Orfeu.
‘Terwijl we ook wetenschappers, romanciers en dichters hebben.’ Ook Patricia Marques, die werkt voor de toeristische dienst, wil met haar wijndegustatiebar Sol Ar een ‘modern, geavanceerd en internationaal georiënteerd’ beeld van het hedendaagse Portugal verspreiden: ‘Wij zijn een levendige en internationale gemeenschap, die kwaliteit brengt én ambitie heeft. De nieuwe Portugezen van Brussel zijn niet gesloten. Integendeel, wij mengen ons graag met andere culturen. De meeste Portugezen kwamen hier voor politieke of economische redenen. Ik kwam hier voor mijn persoonlijke ontwikkeling.’
Het “nieuwe” versus het “oude” Portugal; het is een hele discussie, ook in Portugal zelf, waar bijvoorbeeld romancier Antonio Lobo Antunes het als zijn plicht beschouwt om steeds weer het mes in de wonde te zetten, en te weigeren te vergeten. Volgens literatuurcriticus Peter Conrad walgt Antunes ‘van het recente laagje vernis van welvaart en spilziek hedonisme’, dat ligt over een land ‘even overdekt met wonden en ontstoken zweren als een overvolle ziekenhuisvleugel’.
Zoals Antunes, maar dan ongewild, lijkt het de rol van de diaspora om Portugal te herinneren aan zijn pijnlijke verleden. Dat bleek in augustus 2009 bijvoorbeeld uit een controversiële column door de conservatieve columnist Henrique Raposo in de Portugese krant Expresso. Hij schreef dat de jaarlijkse invasie van migranten (lees: de terugkeer voor de zomervakantie) hem, en vele andere Portugezen, danig hinderde, omdat ze ‘in hun koffer, tussen hun minis en hun bifana het oude Portugal meebrengen’.
De migranten, aldus nog Raposo, drukken de andere Portugezen met hun neus op de feiten: de migratie naar de steden, in de rest van Europa begonnen in de negentiende eeuw, begon in Portugal pas in het midden van de twintigste eeuw. In vele Europese landen was er leerplicht in de negentiende eeuw, terwijl de huidige generatie van hogeropgeleide Portugezen de kleinkinderen van ongeletterden zijn. Kortom, besloot Raposo, de ‘nieuwgevonden Europese sofisticatie’ heeft voeten van klei, en dat maken de migranten bij hun terugkeer pijnlijk duidelijk.
Victor Pereira ziet vooral ook een klassendimensie in het hekelen van de migranten in Portugal: ‘Het bekritiseren van de smaak van de migranten, of hun verondersteld gebrek daaraan, is werkelijk de tarte à la creme in Portugal. Maar wie is het, die kritiseert? De midden- en hogere klasse, en zeker de oude grootgrondbezitters. Voordien moesten ze maar naar de lokale markt gaan en hun dagloners kiezen uit een horde slaven. Het feit dat die later migreerden, illegaal bovendien, en dan terugkeren met een auto, en een huis kopen in Portugal, dat zet kwaad bloed bij de oude heersers.’
Dit artikel kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek en de Koning Boudewijnstichting, en past in een breder project dat focust op Brussel als stad in transitie. Info: www.officeforurbanreporting.eu

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift