De prijs van mijn vrijheid: het verhaal van Musa

Het nieuwe Red Star Line Museum in Antwerpen vertelt het verhaal van migranten vroeger en nu. Een van deze migranten is Musa Gayezada. Hij had in Afghanistan een belangrijke functie, maar moest vluchten voor de Taliban. Hij vertelt over zijn tocht naar het Westen en over de mensensmokkelaars die dat organiseerden.

Musa’s verhaal werd opgetekend door Tine Symoens. In het boek ‘De prijs van mijn vrijheid’ verzamelde ze zeven pakkende migrantenverhalen. Lees ook de verhalen van Emmanuel uit Rwanda en May uit de Filipijnen.

Musa is één van de miljoenen Afghanen die uit hun land zijn weggevlucht. Hij had een belangrijke functie in het gewest Karabach, waar de Hazara’s wonen, een van de etnische groepen in Afghanistan. Hij vertelt over zijn lange weg naar de vrijheid: ‘Ik ben gevlucht dwars door tien landen en over tienduizend kilometer. Ik had nooit kunnen denken dat ik zoveel mensen zou moeten omkopen op mijn vlucht naar het Westen.’

Dwars door Azië: van Afghanistan naar Oekraïne

In de herfst van 1997 vielen de Taliban in de regio van Karabach binnen. Tweeëntwintig dagen werd er fel gevochten, toen namen de Taliban de macht over. ‘Ik wist dat ik gevaar liep, door mijn functie en omdat ik tegen hen had gevochten. Ik moest vluchten.’ Met de hulp van vrienden kon hij een visum voor Iran te pakken krijgen. Zijn visum was één maand geldig; hij is er acht maanden gebleven, zonder papieren, zonder werk, zonder geld, zonder nieuws van zijn gezin.

‘De zwartste periode van mijn leven’, zegt hij. ‘Ik wist dat er via Rusland mensen naar Europa gesmokkeld werden en ik wilde dat ook proberen.’ Hij leende geld voor een Russisch visum van drie maanden. Een vriend vroeg Musa zijn neef, Id-Mahamad, mee te nemen op zijn tocht naar het Westen. Maar dat visum liet zo lang op zich wachten dat Musa bij het vertrek nog drie dagen had om naar Rusland te gaan.

Ze reden de hele nacht naar de stad Mashad, en dan nog een dag tot aan de grenspost, maar die was al dicht. ‘Ik kon de grenswachters bezig zien in de tuin en binnen, maar ze deden of we lucht waren.’ Musa haalt zijn schouders op. ‘Tja, Iraniërs vinden Afghanen derderangsburgers.’

Hij probeerde een gesprek aan te knopen met een van de wachters, maar die stuurde hen terug naar Mashad om te overnachten. ‘Ik lag de hele nacht te piekeren. Mijn Turkmeens visum was maar twee dagen meer geldig. Ik wilde betalen voor hun hulp,’ bekent hij. ‘Het was de eerste keer dat ik iemand zou omkopen, ik voelde me onzeker.’

’s Morgens vroeg stonden ze weer aan de grenspost. ‘Ik vroeg hem onze visa af te stempelen en ik maakte direct duidelijk dat ik mijn dankbaarheid zou tonen. Ik hield 20.000 Tuman klaar en stopte die snel in zijn vestzak.’ Toen zette de wachter de stempel van de vorige dag op hun visa en ze konden de grens over. Musa probeerde onmiddellijk treinkaartjes naar Moskou te kopen. Hij kon er slechts één te pakken krijgen en zette Id-Mahamad op de trein.

‘Mijn visum was verstreken en ik zat illegaal vast in Turkmenistan, met nog 600 dollar verstopt in mijn tube tandpasta. Ik kon in een theehuis contact leggen met mensensmokkelaars die mij naar Moskou wilden sturen op voorwaarde dat ik cash betaalde. Het was een enorm risico,’ geeft hij toe, ‘maar ik had geen andere keuze.’

‘In Moskou kon ik gemakkelijk met mensensmokkelaars in contact komen, omdat veel Afghanen tussenpersoon waren. Zij hielden het geld voor de tocht bij tot ik in het Westen was aangekomen’, legt Musa uit. ‘Zo had ik toch een beetje zekerheid.’ Zo’n smokkelroute bestaat uit een ketting van smokkelaars die in contact staan met de bendeleider. De ‘klanten’ gaan van de ene hand in de andere over en de kwaliteit van het transport hangt af van de eerlijkheid van de medewerkers.

‘Zo werden wij doorgegeven in Kiev en in Mukachevo. Daar werden we op de trein naar de grens gezet. De conducteur verstopte ons in de holle ruimte onder het dak. We moesten blijven liggen tot iemand ons kwam halen. We vergingen van de spanning en de kou, maar we mochten ons niet verroeren. Pas de volgende morgen kwamen ze ons halen en ze brachten ons tot aan de grens. Daar moesten we weer wachten.’ Musa zucht. ‘Vluchten is dikwijls wachten, en je weet niet wanneer ze je komen halen, of wat de volgende stap is. We hebben daar dertig dagen gewacht.’

Op een avond kwamen wel tweehonderd vluchtelingen aan, allemaal Afghanen. Ze werden in auto’s naar de grens gevoerd, een diepe rivier die ze in een kajak moesten oversteken. Het bootje werd met een touw overgetrokken, met telkens twee mensen erin. Het water was donker en ijskoud, de mensen waren bang en in de war. Het duurde urenlang voor iedereen over was.

Een vrachtwagen geladen met frisdrank kwam hen oppikken. Onder de bovenste laag bakken was een ruimte waar ze met zeventig mensen opeengepakt zaten. Ze werden afgezet in Debrecen. ‘Van daaruit waren verschillende routes mogelijk,’ legt Musa uit, ‘maar ik wilde naar West-Europa via Slovenië en Italië, dat was de goedkoopste route.’

Dwars door Europa: van Hongarije naar België

In Slovenië ging het goed mis. De politie stuurde hen twee keer terug naar de Hongaarse grens, ze zaten een tijdje in een gesloten centrum, acht dagen in de cel en dagenlang in het kamp van Ljubljana. Daar kregen ze weer contact met de smokkelaar en hun reis kwam weer op gang: met de bus naar Italië, dan met de trein van Venetië naar Parijs. ‘Ik wist nu dat ik naar België wou. Mijn vriend Ali woonde daar en sprak er vol lof over.’

‘In Brussel kregen we een ticket naar het opvangcentrum in Lanaken. We kwamen daar aan in het donker, het was koud, en we moesten nog een eind stappen door het bos’, vertelt Musa. ‘Veerle was van wacht en ving ons op. Ze riep: ‘Ha, je bent nieuw! Welkom!’ Ik voelde me voor de eerste keer in lange tijd welkom. Mijn nieuwe leven was begonnen.’

‘Nu moest ik wachten op het advies van het Commissariaat-Generaal. Ik werd uitgenodigd voor een interview en ik was er gerust in. Ik had sterke documenten, maar het interesseerde hen niet.’ Sedert de installatie van het nieuwe regime kregen alle Afghanen een negatief advies. Alleen sporen van zweepslagen of martelingen konden nog overtuigen.

Toen werd hij door een Afghaans-Iraanse website geïnterviewd. ‘Kort daarna kreeg ik weer een oproep voor een interview. Ze hadden blijkbaar mijn verhaal gelezen. Waarom had ik niet eerder verteld dat ik zo’n belangrijke functie in Afghanistan had, vroegen ze. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik antwoordde met een Afghaans spreekwoord: “Ik heb spijt van goud te zijn. Maak me alsjeblieft weer van zilver.” Ik wilde geen speciale aandacht, gewoon een verblijfsvergunning.’

Twee weken later werd hij erkend als politiek vluchteling. Hij mocht zijn gezin laten overkomen en na zes jaar kon hij hen eindelijk weer in de armen sluiten. Nu zijn ze allen Belg.

‘Ik ben één van de miljoenen Afghanen die hun land zijn ontvlucht. Ik heb geluk gehad.’ besluit Musa zijn verhaal. ‘Hier is mijn thuis, hier zijn mijn kinderen. Ik ben erg dankbaar voor de kansen die we hier krijgen.’

Uit: De prijs van mijn vrijheid door Tine Symoens, ISBN 9789402108521

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift