De privatisering van de oorlog in Irak

De bezetting van Irak sleept zich voort, het gewapende verzet pleegt dag na dag bloedige aanslagen en de nieuwe grondwet verdeelt het land. Intussen wordt er op massale schaal geëxperimenteerd met geprivatiseerde oorlogsvoering. Een exclusieve reportage vanuit de grijze zone in Irak.
Toen Matt Mann gepantserde voertuigen nodig had, belde hij zijn schoonbroer, Ken Rooke. Niet dat Rooke iets af wist van kogelvrije ramen of anti-granaatvloeren, maar hij kende tenminste iets van auto’s. Ooit deed hij de verslaggeving van autoraces voor een lokaal radiostation in North Carolina. Mann, een gepensioneerde U.S. Army Special Operations meester-sergeant, had de voertuigen snel nodig. Hij had ook wapens nodig.
Het was begin vorig jaar en het bedrijf dat hij samen met twee partners oprichtte -Triple Canopy- had net twee overheidscontracten binnengehaald om dertien hoofdkwartieren van de Coalition Provisional Authority in Irak te bewaken. De CPA was toen nog de politieke overheid van de Amerikaanse bezetting en ze zou beveiligd worden door Triple Canopy, niet door het Amerikaanse leger. Terwijl de opstand piekte, werd de taak om te voorkomen dat de gebouwen en terreinen van die voorlopige regering overrompeld zouden worden, geprivatiseerd. De hernieuwbare halfjaarlijkse contracten waren samen 90 miljoen dollar waard. Vandaag heeft het bedrijf contracten met het Amerikaanse ministerie van Defensie en van Buitenlandse Zaken die goed zijn voor een omzet van 250 miljoen dollar.

Ze komen als paddestoelen uit de grond


Toen Triple Canopy ingehuurd werd door de Amerikaanse overheid, bestond het ternauwernood. Mann en zijn oude Special Forces kompaan Tom Katis kwamen op het idee om hun militaire ervaring in te zetten in de strijd tegen het internationale terrorisme toen ze op een oefening in de Centraal-Amerikaanse jungle waren. Het was pas op het moment dat ze hun offerte voor de CPA-beveiligingsopdracht binnendeden, dat Triple Canopy werknemers begon aan te werven, in de wilde hoop dat ze geselecteerd zouden worden.
De meesten zouden, net als Matt Mann, uit de Delta Force komen, de strengst geselecteerde, best getrainde en meest geheime legereenheid. ‘We waren een eekhoorn die een noot probeerde te bemachtigen’, zegt Al Buford, een van de eerste werknemers en een Delta veteraan. De contracten om meer dan de helft van de CPA terreinen in Irak te beveiligen en om de CPA vertegenwoordigers langs Iraks dodelijke wegen te escorteren, beschrijft Buford als ‘een hele vrachtwagenlading noten die naar ons hoofd gegooid werd’.
‘Met de oorlog volop aan de gang’, vertelde Ken Rooke later, ‘waren er nergens gepantserde voertuigen te vinden.’ Hij zocht via internet en kocht uiteindelijk een stel gepantserde Mercedes sedans, die ooit eigendom waren van de sultan van Brunei, voordat ze verhuurd werden aan rappers. Ook voor wapens was het behelpen geblazen. Om wapens vanuit de VS naar Irak te verschepen had Triple Canopy officiële documenten nodig waarop het niet kon wachten. In de plaats daarvan kreeg het bedrijf in Irak de toestemming van het ministerie van Defensie om stapelhuizen met in beslag genomen munitie te bezoeken. Triple Canopy doorzocht stapels AK-47’s en nam alle functionerende exemplaren mee.
Op die manier ontstond een van de grootste privé veiligheidsbedrijven in Irak. Op die manier trok Triple Canopy ten oorlog. En heel wat andere bedrijven deden ongeveer hetzelfde. Die bedrijven stellen in Irak heel veel mensen te werk, maar niemand weet precies hoeveel.
In juni sprak ik in Bagdad met Lawrence Peter. Hij is tegelijk een betaalde lobbyist voor de veiligheidsindustrie én -in wat hij een “publiek-private samenwerking” noemt- raadgever bij het ministerie van Defensie met als opdracht: het uitbesteden van veiligheidsopdrachten. Zijn schatting van het aantal privé-soldaten in Irak was zo’n 25.000, waarmee de firma’s ongeveer 16 procent strijdkrachten zouden toevoegen aan de coalitietroepen. Daarnaast werken er in Irak tussen 50.000 en 70.000 ongewapende burgers voor Amerikaanse belangen, het grootste deel daarvan voor Halliburton en filialen. Zij doen de meest uiteenlopende zaken, van het besturen van voedseltrucks tot het afwassen van bestek.
Triple Canopy heeft nu ongeveer 1000 manschappen in Irak, waarvan 200 uit de VS en de rest meestal uit Chili en Fiji. De concurrentie bestaat uit Britse bedrijven, die rekruteren uit elite-eenheden van het Britse leger, en Zuid-Afrikaanse ondernemingen die gebouwd worden op Apartheidsveteranen. Zowel Australiërs, Roemenen, Oekraïners als Irakezen verdienen hun kost in de sector. De meesten hebben een militaire achtergrond, anderen komen uit de ordehandhaving. En ze zijn niet in Irak voor de cultuur of de mooie vergezichten.
De Amerikanen in de business verdienen gemiddeld tussen 400 en 700 dollar per dag, de niet-westerse privé-soldaten moeten het met heel wat minder stellen. De Chilenen en Fijiërs van Triple Canopy verdienen bijvoorbeeld tussen 40 en 150 dollar per week en slapen in overbevolkte barakken, terwijl de Amerikanen eigen slaapkamers hebben. Het bedrijf verklaart het verschil door te verwijzen naar de superieure militaire achtergrond van de Amerikanen en hun meer risicovolle opdrachten.

Geen militaire rol?


Triple Canopy teams bewaken vandaag de gebouwen van de enorme Amerikaanse bedrijven die werk moeten maken van Iraks heropbouw. Of ze beschermen Amerikaanse overheidsgebouwen tegen aanvallen. Ze brengen Amerikaanse officials van de ene naar de andere vergadering in snelle 4x4’s waar de geweerlopen uitsteken. Ze verdedigen de gebouwen en de mensen die de opstand het liefst zou treffen. Toch is het moeilijk uit te zoeken wie nu juist het bevel gegeven heeft tot deze outsourcing als militair beleid. Er heeft geen open politiek debat over plaatsgevonden en er is geen ministerieel besluit over gepubliceerd. Het is ook niet duidelijk wie al deze gewapende mannen moet controleren. Eén ding is wel zeker: ze zijn onmisbaar voor de oorlog.
De woekerende inschakeling van private soldaten sinds het begin van de bezetting kan ten dele verklaard worden door de subtiele verschuiving in de perceptie, waardoor het oude huurlingenstigma verdween. Een ander deel van de verklaring ligt wellicht in het feit dat het Amerikaanse leger al sinds het begin van de jaren negentig steeds meer taken begon uit te besteden -al waren dat dan vooral logistieke taken, waar geen wapens aan te pas kwamen. Maar de belangrijkste reden voor de explosieve groei is wellicht de loutere kracht van de opstand in Irak en het klaarblijkelijke feit dat er onvoldoende troepen aanwezig waren om het gevecht aan te gaan.
Het ministerie van Defensie reageert terughoudend op vragen over de rol van de veiligheidsbedrijven in Irak of over de redenen waarom hun rol zo groot geworden is. Gedurende weken belde ik het Pentagon, met de vraag of de minister van Defensie of een van zijn ondergeschikten zich gebogen had over de aanwezigheid van zo’n 25.000 gewapende mannen in Irak, en of die aanwezigheid op de een of andere manier bekrachtigd was van bovenuit. Uiteindelijk kreeg ik van de woordvoerders een officieel goedgekeurd standpunt toegestuurd, dat mijn vragen deskundig ontweek maar wel dit lijntje bevatte: ‘Privé veiligheidsbedrijven worden niet gebruikt om inherent militaire functies uit te voeren.’
‘Natuurlijk vervullen ze een militaire rol’, zei ex-generaal Garner over de privé-bedrijven. En dan, omdat hij niet de indruk wilde wekken kritiek te leveren op het ministerie van Defensie, voegde hij eraan toe: ‘Het grondprobleem is dat de troepenmacht’ -van het VS leger- ‘te klein is.’ En soms is het verschil tussen militaire actie of beveiligingstaken louter een kwestie van terminologie. Hoe je Triple Canopy en zijn manschappen of activiteiten ook noemt, als ze aangevallen worden -zoals vorig jaar bij Kut, door de milities van Moqtada al-Sadr- dan is de enige waarheid dat ze op dat moment een oorlog uitvechten.
Het is moeilijk een idee te krijgen van het aantal incidenten waarbij privé-soldaten betrokken zijn of van het aantal doden en gewonden in hun rangen. Tussen januari en augustus 2004, de laatste periode waarvan Triple Canopy cijfers heeft, werden teams van het bedrijf 40 keer aangevallen. En dat getal, vertelde me een van de directeuren, bevat enkel die incidenten waarbij Triple Canopy-manschappen terugschoten. Dat betekent, volgens een woordvoerder, dat het eigenlijke aantal incidenten zes tot acht keer hoger ligt. Er is ook geen reden om aan te nemen dat de zaken er vandaag anders voor staan dan begin 2004. Alleen zijn er minder geregelde aanvallen en meer guerilla-hinderlagen. Wat het aantal slachtoffers betreft, daarover bestaan geen cijfers. Alleen Lawrence Peter doet een schatting: wellicht sneuvelden er tot nu tussen de 160 en 200 privé-soldaten in Irak. Dat is meer dan bij eender welke coalitiepartner van de VS.

Er is geen sheriff


Er is geen effectieve regelgeving in Irak voor het aanwerven van privé-soldaten en er zijn geen echte regels voor hun gedragingen. In oktober 2004 vroeg een parlementair wetsontwerp dat het ministerie van Defensie een plan zou opstellen om de veiligheidsbedrijven beter te beheren, om individuele achtergronden te onderzoeken en om regels voor het werk op het terrein op te leggen en af te dwingen. Er werd een termijn van zes maanden vooropgesteld om dit te realiseren, er zijn intussen negen maanden verstreken en er is nog niets afgeleverd.
Het resultaat is dat je ‘in het beste geval professionele mensen hebt die hun best doen in een chaotische en agressieve omgeving’. De omschrijving komt uit een e-mail die ik in juli kreeg uit Irak, van Lyle Hendrick. Hij heeft zes maanden in Noord-Irak gewerkt voor een privé-bedrijf en werkt nu bij een ander bedrijf in Basra. ‘En in het slechtste geval krijg je cowboys die zonder de minste controle rondlopen en schieten.’
Lyle heft zijn sterke voorarmen op en voert een pantomime uit: hij wast zijn handen en schudt het denkbeeldige water van zijn vingers. Mark is een van de managers van Triple Canopy in Bagdad en demonstreert de houding van het ministerie van Defensie tegenover controle en sturing van de privé-veiligheidsbedrijven. ‘Zij willen er niets mee te maken hebben’, zegt hij. ‘Ze hebber er geen tijd voor. Ze hebben geen gegevens. En ze kunnen de incidenten waarbij wij betrokken zijn niet onderzoeken omdat ze er het personeel niet voor hebben. Qua regulering is er dus alleen de Iraakse wet. Maar ga ik mijn wapen afgeven aan de Iraakse politie? Dat denk ik niet. Het zou me mijn leven kunnen kosten.’
Toen ik een Pentagon-vertegenwoordiger -die niet bij naam genoemd wenste te worden- vroeg wie de nog te verschijnen regels in Irak zou gaan afdwingen, was het antwoord dat de nieuwe soevereiniteit van het land “de context” zou zijn. Het was moeilijk om dat niet te begrijpen als een manier om te zeggen dat de jonge regering in Irak aan haar lot zou worden overgelaten als ze greep zou willen krijgen op de duizenden gewapende mannen die de Amerikaanse invasie op haar grondgebied binnengebracht had. En het was moeilijk niet te denken dat de bedrijven de ruimte kregen om zichzelf in goede banen te leiden.
Daniel Bergner, auteur van In the Land of Magic Soldiers: A Story of White and Black in West Africa, schreef deze reportage oorspronkelijk voor The New York Times.

HUURLINGEN?

Privé-soldaten bevolken de slagvelden al duizenden jaren. P.W. Singer, een onderzoeker die zich specialiseert in geprivatiseerde oorlogsvoering aan het Brookings Instituut, schrijft in zijn boek Corporate Warriors dat ‘huurlingen al dienden in het leger van de koning van Ur, twee millennia voor Christus. De oude Grieken vulden hun legers aan door privé-soldaten aan te trekken als katapultspecialisten en voor de cavalerie. En privé-groepen van Zwitserse piekeniers bleken eind dertiende eeuw de cavalerie te overklassen, waardoor ze gedurende honderden jaren een noodzakelijke uitgavenpost werden voor de oorlogvoerende Europese heersers.

Ze begonnen van de slagvelden te verdwijnen rond de periode van de Verlichting. Dat had te maken met enkele doorbraken op het vlak van de oorlogswetenschap. Met een fatsoenlijk ontworpen musket kon een beetje soldaat al snel naar het front gestuurd worden. Bovenop ontstonden er in de 18de en 19de eeuw nieuwe ideeën over de heiligheid van de natie en de eer van degenen die ervoor gingen vechten. Daardoor geraakte het werk van de huurling steeds meer gemarginaliseerd en geminacht. In de Conventies van Genève uit 1949 werd het uiteindelijk buiten de wet gesteld, tenminste als er sprake was van een oorlog tussen verschillende naties. Toch bleven huurlingen actief, maar dan in de anarchistische en vergeten uithoeken van de wereld. Tijdens de 20ste eeuw zag men ze voortdurend opduiken in Afrikaanse opstanden.

In 1995 zette het optreden van een groep huurlingen in Sierra Leone de hele moraal op zijn kop. Een opstandelingenleger was er bezig met het afbranden van dorpen en het afhakken van de ledematen van onschuldige burgers. De toenmalige president huurde in uiterste wanhoop de diensten in van een Zuid-Afrikaans bedrijf, Executive Outcomes, dat geleid werd door een voormalige apartheidsofficier. Met enkele vliegtuigen en zowat 200 manschappen drong Executive Outcomes de 10.000 rebellen op geen tijd terug naar de rand van het land. Zodra de huurlingen vertrokken, braken de brutaliteiten weer los, maar EO had bewezen dat een klein, goed getrainde privé-groep in staat was ongelooflijk goed te doen voor de bevolking.

In de lente van 2003 nam generaal Jay Garner -toen de feitelijke bestuurder van Irak- een klein contingent Zuid-Afrikanen en Nepalese Gurkhas van het Britse bedrijf Global Risk Strategies in dienst om hemzelf en zijn staf te beschermen. ‘Dat’, vertelde Garner me in augustus 2005, ‘was de genesis’ van de opkomst van de privé veiligheidsbedrijven in Irak. (db)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift