De republiek Armenië na een decennium onafhankelijkheid

Elmira Zeynalian is in 1975 geboren in Ararat (Republiek Armenië). Ze woont sinds 1995 in België. Ze studeert Oost-Europese Talen en Culturen aan de Universiteit Gent en werkt aan een scriptie over de Transkaukasische Federatie en de Armeense Republiek (1918-1920).
De republiek Armenië ligt in de zuidwestelijke Kaukasus, omringd door Turkije, Iran, Azerbeidzjan en Georgië. Het is amper een fragment van het historische Armenië, dat nu ook deel uitmaakt van Turkije, Georgië en Azerbeidzjan.

De Armeense demografie kent bijna een mono-etnisch karakter, aangezien ruim 95 procent van de 3,5 miljoen officiële inwoners uit etnische Armeniërs bestaat. Vooral Russen, Jezidi, Grieken, Oekraïners en Georgiërs vormen de etnische minderheden. Tijdens de sovjetperiode waren Azerbeidzjanen de belangrijkste minoriteit, maar het conflict om de enclave Nagorno-Karabagh deed hen vluchten, als ze niet al verdreven waren.

De meeste Armeniërs leven in het buitenland. Een eerste groep bestaat uit nazaten van mensen die begin deze eeuw het Ottomaanse juk zijn ontvlucht. Die ‘spjuurk’ (1) leeft verspreid in de buurlanden (behalve Azerbeidzjan), in het Midden-Oosten en verder weg in Frankrijk, Canada en de Verenigde Staten. De economische emigratie van het voorbije decennium deed een nieuwe diaspora ontstaan langs migratieroutes naar Moskou en West-Europa.

De actuele Armeense politieke geschiedenis gaat terug op de inlijving van Armenië bij het Ottomaanse Rijk in de vijftiende eeuw. Armeniërs hadden de status van ‘millet’. Dat was een eigen status voor niet-islamieten -kristenen en joden dus- die een vrij grote mate van autonomie genoten. Tot het einde van de negentiende eeuw namen de Armeniërs vooraanstaande maatschappelijke posities in. De ontgoochelende Tanzimat-periode bracht immers een anti-Ottomaanse alliantie op de been tussen Armeense nationalisten en het tsaristisch expansionisme. Dit maakte Armeniërs voor de sultan tot een bedreiging voor het pan-Turkisme. Het conflict escaleerde tot in 1915 Ottomaanse en Koerdische troepen honderdduizenden Armeniërs vermoordden of deporteerden naar woestijnen in Irak en Syrië. Daar werden zij die nog niet van ontbering omgekomen waren, massaal afgeslacht (2). Na de val van de Romanovs, het fiasco van de Transkaukasische Federatie en twee jaar onafhankelijkheid brak in 1920 voor Armenië de sovjetheerschappij aan. De Armeense regering gedoogde de oprukkende Bolsjewieken om een capitulatie te voorkomen tegenover Atatürks troepen, die Armenië binnengedrongen waren.

Het postcommunistische zoeken naar democratie en rechtsstaat

De implosie van de Sovjetunie manifesteerde zich via de kwestie Nagorno-Karabagh, de door Armeniërs bevolkte enclave in Azerbeidzjan. De Glasnost onder Gorbatsjov plaatste de Armeense eisen ter zake, voor aanhechting van de enclave bij Armenië, bovenaan de politieke agenda. Daardoor dienden de leiders van de populaire nationalistische beweging zich aan als de nieuwe politieke elite. Het postcommunistische tijdperk ontkiemde in 1989, toen de Armeense Nationale Beweging de absolute communistische meerderheid in het Congres van Volksafgevaardigden brak. Eén jaar later bezegelde de verkiezing van Levon Ter-Petrossian, voorman van de Armeense Nationale Beweging, tot voorzitter van de Armeense Opperste Sovjet de machtsovername.

Armenië kan terugblikken op een geweldloze overgang naar een postcommunistisch regime. Een eerste verklaring daarvoor is de opportunistische transformatie van de communistische nomenklatura tot nationalisten. Bovendien schoof de immense mobilisatiekracht van het nationalisme anticommunistische zuiveringen op de lange baan. Integendeel, oude en nieuwe elites maakten afspraken over de toekomstige machtsdeling. Zo ontvingen communistische coryfeeën economische compensatie voor hun politieke opruststelling terwijl backbenchers op de loonrol van de Armeense Nationale Beweging stonden. Die factoren maakten paleis- of andere revoluties overbodig om de nieuwe elite aan de macht te brengen. Anderzijds werd de nieuwe politieke elite niet onmiddellijk versplinterd door politiek antagonisme. De kristallisering van het nationalisme in irredentisme rond Nagorno-Karabagh leverde een gesloten politiek front op. Het nationalistische elan verdrong trouwens elk debat over economische hervormingen van het politieke forum terwijl de etnische homogeniteit van Armenië geen separatisme deed ontluiken. De integrale afhankelijkheid van Moskou maakte tenslotte elke polemiek over een heroriëntering richting Westen zinloos.

De Armeense Nationale Beweging kon begin jaren negentig politieke macht omzetten in controle over het staatsapparaat. De stroomlijning van de bijstand aan Nagorno-Karabagh werd handig uitgespeeld ter verantwoording voor de machtsconcentratie van enkele ‘gespierde’ ministers. Ten aanzien van de bevolking leed het regime echter aan groeiend legitimiteitverlies. De economische malaise deed de nieuwe elite het staatsapparaat misbruiken via de afwending van overheidsmiddelen en virulente corruptie. Hierbij fungeerden politieke partijen veelal als sinister distributiecenakel ten voordele van een cliëntelistische achterban. In 1995 institutionaliseerde het regime zijn geconsolideerde positie via de goedkeuring bij referendum van een sterk presidentialistische grondwet. Toch zat het regime niet in een hegemonische zetel gezien de stijgende populariteit van de oppositie onder leiding van de Dashnaktsjuniun-partij. Na het staakt-het-vuren in Nagorno-Karabagh kon de oorlogsinspanning overigens niet meer als alibi dienen voor machtsmisbruik en corruptie.

Die context hinderde de overgang naar de democratie: het concept en de procedurele facetten van een democratisch bestel werden wel voorzien maar ze waren ontdaan van hun essentie.

Zo schreef het regime in 1995 parlementsverkiezingen uit maar manipuleerde die door de Dashnaktsjuniun-partij buiten de wet te stellen. In 1996 won zittend president Ter-Petrossian nipt de presidentsverkiezingen die door waarnemers unaniem als frauduleus bestempeld werden.

Het meerpartijenstelsel had vaak geen nut omdat weinig politieke partijen optraden als pleitbezorger van diverse maatschappelijke groepen. Het waren veeleer elitaire ‘fanclubs’ vol vazallen van politieke zwaargewichten. Daarnaast waren veel politici vooral begaan met hun persoonlijke rivaliteiten, wat op termijn leidde tot partijproliferatie. Alleen de historische Dashnaktsjuniun-partij, die uit de diaspora was teruggekeerd, en de Communistische Partij genoten vertrouwen bij de bevolking.

Een stevige civiele maatschappij ontbrak, hoewel zich na 1988 een uitgebreide maatschappelijk-politieke Karabagh-beweging ontpopt had. Na de onafhankelijkheid vermolmde die beweging door infiltraties vanwege cliëntelistische politieke partijen. Onkreukbare organisaties kregen het hard te verduren want nationalisme herkwalificeerde integere kritiek vaak als verraad. Anderzijds ontnam de economische crisis heel wat organisaties hun afdoende werkingsmiddelen. Ook de Armeense Apostolische Kerk speelde geen rol van betekenis als medium tussen samenleving en overheid. De bevolking wantrouwde de kerk omdat die haar macht restaureerde door kritiekloos aan te leunen bij het nieuwe regime. Dit resulteerde in een middenveld gedomineerd door privé-milities die opgericht waren om de Karabagh-Armeniërs bij te staan.

De media konden hun politieke rol niet voluit realiseren wegens een tekort aan persvrijheid plus verregaande overheidscontrole op de audiovisuele media en op belangrijke drukpers- en distributiefaciliteiten. Daarnaast belaagde onrentabiliteit de geschreven pers zodat die overgeleverd was aan de gratie van politieke of economische geldschieters.

Mensenrechten tenslotte werden sterk met voeten getreden: politieke opposanten werden fysiek aangepakt, lastercampagnes en kleinschalige pogroms viseerden religieuze minderheden en dienstplichtigen werden mishandeld door legerofficieren om hun familie zo geld af te persen.

Ondanks het democratische deficit van het Ter-Petrossian tijdperk heerste er politieke stabiliteit, maar die verbrokkelde na 1994 door de onenigheid over het Karabagh-beleid en de rabiate kleptocratie. De repressie van oppositieprotest na de frauduleuze herverkiezing van Ter-Petrossian in 1996 luidde een machtswissel in. De spanning liep zo hoog op dat de president zijn populaire rivaal Robert Kotsjarian moest benoemen tot premier. Hun conflictueuze relatie sluimerde voort tot de regering president Ter-Petrossian begin 1998 tot aftreden dwong omwille van zijn Karabagh-beleid. Kotsjarian won de daaropvolgende presidentsverkiezingen, maar zijn positie echt consolideren kon hij niet. In mei 1999 werden de parlementsverkiezingen immers overtuigend gewonnen door het te duchten Eenheidsblok van de populaire Karen Demirchian en de machtige Vazgen Sarkisjan, die respectievelijk parlementsvoorzitter en premier werden. De politieke chaos steeg ten top toen Sarkisjan, Demirchian en zes andere ministers en parlementairen in oktober 1999 in het parlement door terroristen doodgeschoten werden. Het motief voor de aanslag lijkt nog duister maar de dood van Sarkisjan en Demirchian creëerde een politiek vacuüm ten voordele van president Kotsjarian. Toch is de stabiliteit nog niet teruggekeerd aangezien een nieuw anti-Kotsjarianfront opgericht werd dat de president tracht te breken door delen van de oppositie aan zich te binden. Kortom, Armenië raakte sinds 1995 verstrikt in uitzaaiende politieke instabiliteit, maar anderzijds is de politieke repressie verdwenen.

De kwestie Karabagh

In 1921 stabiliseerde Moskou de relaties met Atatürk via het verdrag van Kars. Dat verdrag stipuleerde de bestuurlijke annexatie van Nakhtsjitsjevan en Karabagh bij Azerbeidzjan. Door die regeling wou Moskou ook het olierijke Azerbeidzjan paaien en het Armeense anti-bolsjewisme sanctioneren.

Vanaf 1988 eisten Armeense nationalisten tevergeefs de aansluiting van Karabagh bij Armenië op beschuldiging van discriminatie vanwege Azerbeidzjanen. Kort daarna laaiden in Azerbeidzjan anti-Armeense pogroms op, wat in Karabagh en Armenië leidde tot represssie tegen etnische Azerbeidzjanen. Als reactie op de onafhankelijkheidsverklaring van Bakoe proclameerde Stepanakert, de hoofdstad van de enclave, in 1991 de Republiek Nagorno-Karabagh. Intussen waren in Karabagh wegblokkades, wraakacties en hinderlagen ontaard in een burgeroorlog. Armeense offensieven profiteerden van de politieke chaos in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe om Karabagh plus aangrenzend gebied in te nemen. Sinds het Protocol van Bisjkek van mei 1994 heerst er een broos staakt-het-vuren.

President Ter-Petrossian wou het conflict inkapselen door directe Armeense militaire betrokkenheid officieel te ontkennen, de annexatie van Karabagh niet als breekpunt te zien en de Republiek Nagorno-Karabagh niet te erkennen. Hij wenste vlug een onderhandelde oplossing omdat het conflict de Armeense economie wurgde. Hij was bereid in te stemmen met een gefaseerd vredesplan van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Dat plan liet de vastlegging van de nieuwe status van Karabagh voorafgaan door de terugtrekking van zijn troepen uit het omliggende gebied. De regeringen in Jerevan en Stepanakert slikten dit niet zodat Ter-Petrossian begin 1998 tot aftreden werd gedwongen.

President Kotsjarian wil een vredesakkoord dat alle facetten van het conflict tegelijk regelt. Zo aanvaardden Armenië en Nagorno-Karabach het recentste OVSE-voorstel, waarbij Karabagh en Azerbeidzjan een ‘common state’ zouden vormen. Bakoe daarentegen, Azerbeidzjan dus, verwerpt dat concept omdat het geen controle waarborgt over Karabagh. De OVSE-top van november 1999 wou wellicht een doorbraak forceren door een akkoord te koppelen aan de economische voordelen van een pijplijntraject tussen Bakoe en Turkije via Armenië. De moord op de Armeense premier en parlementsvoorzitter kort voor de top besliste daar evenwel anders over. Naar eigen zeggen wilden de daders afrekenen met corrupte en apathische politici maar toch lijkt een link met de buitenlandse druk op Jerevan om een compromis over Karabagh te aanvaarden, niet uitgesloten.

Regionale bondgenoten en tegenstanders

Logischerwijze conditioneerde vooral de kwestie Karabagh het Armeense buitenlands beleid.

Na de implosie van de Sovjetunie poogde Turkije de Turkssprekende wereld te betrekken in een eigen invloedssfeer. Onder meer daarom koos Ankara in het conflict om Karabagh de zijde van Azerbeidzjan. President Özal profileerde zich krachtdadig door een economische blokkade tegen Armenië af te kondigen en door te dreigen met militaire interventies. Westerse druk, de te vrezen Russische reactie en president Demirel deden de spanning met Armenië echter afnemen. De Turkse steun aan Azerbeidzjan beperkte zich sindsdien tot het diplomatieke terrein. Zo verbond Ankara het herstel van diplomatieke relaties met Jerevan en de heropening van de Turks-Armeense grens aan een oplossing voor Karabagh. Anderzijds provoceerde de pragmatische Ter-Petrossian Turkije niet door openlijk historisch Armeens gebied of de erkenning van de genocide van 1915 te eisen. De retoriek van president Kotsjarian laat meer nationalistische desiderata zien, maar dat verhindert een diplomatieke dialoog met Ankara niet.

De precaire levensvatbaarheid van Armenië maakte van de Russische Federatie een onmisbare beschermengel. Armenië was sterk afhankelijk van Russische energie, had in Moskou enorme schulden openstaan en in Karabagh bepaalde het Kremlin mee de Armeense krijgskansen. Aan Russische zijde was de positionering niet altijd eenduidig pro-Jerevan. De ‘near abroad’-doctrine definieerde de Kaukasus als een geostrategische buffer tegen Turkse en Westerse invloedsverruiming. Dus toen Armenië in 1991 weigerde in het Gemenebest voor Onafhankelijke Staten (GOS) te stappen, kregen Azerbeidzjaanse troepen in Karabagh directe militaire sovjetsteun. Die druk dwong Armenië aan te sluiten bij het GOS en sindsdien vlotte de Armeens-Russische relatie optimaal. Zo liet Moskou Istanboel tijdens het conflict om Karabagh verstaan dat Turkse militaire agressie een interventie ten voordele van Jerevan zou uitlokken. Toch rest de vraag of Jerevan op absolute Russische steun kan blijven rekenen, als Moskou zijn greep op de Kaukasus kan verbeteren ten koste van Armenië of als Jerevan meer toenadering tot het westen zoekt dan Moskou lief is.

Teheran was altijd beducht voor het overslaan van de Kaukasische conflicten naar Iran en voor een Turkse houdgreep op de nieuwe GOS-staten. Daarom bedeelde Iran zichzelf -met weinig succes- een rol als diplomatiek bemiddelaar toe om het conflict om Karabagh snel te bezweren. Vooral Armenië profiteerde van die interventie omdat Iran een machtig Azerbeidzjan wou vermijden en in Jerevan een bondgenoot zag tegen politiek rivaal Turkije.

De olie- en gasrijke Kaspische Zee was de tweede factor die het Armeense buitenlands beleid bepaalde. Heel wat oliewinning gebeurt in en rond de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe maar Azerbeidzjan heeft geen toegang tot open zee. Pijpleidingen richting Zwarte of Middellandse Zee zijn dus onontbeerlijk maar het eventuele traject ervan vormt de inzet van een regionaal machtsspel. Daarbij profileerden zich een pro-westerse as Ankara (Turkije) –Tbilisi (Georgië) –Bakoe (Azerbeidzjan), die de energie buiten de Russische Federatie om wou exporteren, en een antiwesterse as Moskou-Jerevan (Armenië) –Teheran (Iran) die die export onder Russische en Iraanse controle wou brengen. In dit ‘Great Game’ leek Moskou het conflict om Karabagh als troefkaart achter de hand te houden om pijplijntrajecten richting Middellandse Zee te hypothekeren. Teheran wou westerse controle over de Kaspische bronnen verhinderen door Jerevan te verleiden met economisch manna allerhande. Turkije en de Verenigde Staten daarentegen spoorden Jerevan aan de kwestie Karabagh vlug te regelen omdat dit de weg opent voor de aanleg van een pijplijn doorheen Armenië naar de Turkse haven Ceyhan.

Geblokkeerde economische take off

De sovjeteconomie in ontbinding dwong Armenië zijn regionale en mondiale economische positie te herzien. Pas na de bevriezing van de kwestie Karabagh kon de regering definitief starten met de conversie van de planeconomie in een vrije markt via prijsliberaliseringen, de indamming van hyperinflatie en van overheidstekorten, muntstabilisering, de afschaffing van subsidies en de privatisering van overheidsbedrijven. Die privatisering begon in relatief goede omstandigheden omdat er een uitgebreide informele privé-economie bestond tijdens de sovjetperiode. Zo groeide de landbouwsector na de vlotte landprivatisering in 1991, mede door het gebrek aan importconcurrentie ten gevolge van de economische blokkade. Toch bleven landbouwers kampen met een gebrek aan materiaal en krediet terwijl overheidssubsidies afgeschaft werden. Het heropstarten van de industrie vormde een immens probleem omdat grondstoffen en energie tegen dure wereldmarktprijzen ingevoerd moesten worden. Bovendien was de interne afzetmarkt te klein en alleen textiel- en juweelbedrijven konden producten op de wereldmarkt verkocht krijgen. Bedrijven werden pas na 1994 systematisch geprivatiseerd en nu is het gros van de kleine en middelgrote bedrijven in privé-handen. Voor grote bedrijven verliep alles moeilijker omdat de economische blokkade, de corruptie en de schaarse natuurlijke rijkdommen buitenlandse investeerders afschrikten.

Vandaag toont de economie, sinds 1996, na jarenlange vrije val, stagnatie en zelfs schichtig herstel, maar op een niveau net boven nul en met een precaire inslag omwille van volgende groeibelemmeringen.

De loskoppeling van de sovjeteconomie impliceerde te weinig natuurlijke rijkdommen, ontoereikend investeringskapitaal en een te kleine binnenlandse afzetmarkt. Anderzijds bleef de afhankelijkheid van de zwakke Russische economie te sterk zodat elke Russische crisis de Armeense export aantastte.

Daarenboven verwoestte een zware aardbeving in 1988 drie industriesteden en de enige kerncentrale raakte erdoor buiten gebruik tot in 1995. Het herstel van alle schade vorderde ook de weinige middelen op zodat die niet in de economie konden worden gepompt.

Omwille van het conflict in Karabagh blokkeerden Azerbeidzjan en Turkije alle economisch verkeer van en naar Armenië, waardoor het gebrek aan energie en grondstoffen nog verscherpte. De boycot veroorzaakte de totale ineenstorting van de Armeense industrie en sluit nog steeds de heropbouw en regionale integratie van de economie uit. Vervolgens werden enorme happen Armeens overheidsbudget opgeofferd aan de oorlogsinspanning in Karabagh terwijl Jerevan instond voor de opvang van honderdduizenden Armeense vluchtelingen uit Azerbeidzjan.

Alle exportverlies samen ontwrichtte de handelsbalans gezien de massale import van voeding, energie en consumptiegoederen uit vooral de Russische Federatie en Iran.

Corruptie bracht bepaalde politici en ambtenaren ertoe weelderig fondsen weg te graaien bij privatiseringsoperaties. Anderen verrijkten zich vooral in de handelssector via machtsafwending en bureaucratie. Het resultaat daarvan was de uitwijking van het zakenmilieu naar de Russische Federatie en de emigratie van hooggeschoolden wegens het gebrek aan economische perspectieven.

De Armeense economie bouwde een enorme buitenlandse schuld op waarover met een paar schuldeisers akkoorden gesloten werden om de afbetaling ervan enkel te herschikken.

De economie bleef vooral in leven dankzij gigantische kredieten en ontwikkelingshulp uit de Verenigde Staten, de Europese Unie, de Wereldbank en het Internationaal Munt Fonds. Die financiële input werd vooral afgedwongen via lobbywerk door de Armeense diaspora. Verder was die diaspora verantwoordelijk voor eigen investeringen in Armenië terwijl de recente emigranten geldtransferten naar de achtergebleven familie overmaakten. Toch menen experts dat de Armeense economie op termijn zo niet kan overleven omdat een groot deel van de buitenlandse fondsen aan overlevingsconsumptie en niet aan investeringen besteed worden.

De prille vrije markt vertaalde zich in een bipolaire sociaal-economische stratificatie met bovenaan een minieme groep nieuwe rijken en een precaire middenklasse. De slachtoffers van de overschakeling waren de vele niet meer economisch inpasbare werklozen, personen met vervangingsinkomens en de slecht betaalde ambtenaren. Zij combineerden activiteiten met enige winstmarge om te overleven aangezien ze de vroeger sterk gesubsidieerde levensvoorzieningen nu tegen een reële kostprijs moesten kopen. De opeenvolgende regeringen ondernamen wel pogingen om de grootste noden te lenigen maar vele stedelingen moesten voor hun levensonderhoud familie op het platteland aanspreken.

President Ter-Petrossian zag in een akkoord over Karabagh de oplossing voor de economische malaise omdat het de heropbouw en de regionale integratie van de Armeense economie zou toelaten. Vandaar zijn compromisbereidheid en zijn autoritair optreden tegenover nationalistische opposanten. Huidig president Kotsjarian -hierin gesteund door nationalisten in en buiten Armenië- denkt de economie op te krikken door de aanpak van malafide politici en ambtenaren plus verhoogde financiële injecties vanuit de diaspora.

Welke toekomst?

Het nationalisme genereerde een fors natievormend effect maar op termijn riep het centrifugale politieke krachten op en gijzelde het de economie. Gezien de endemische Armeense ‘bunkermentaliteit’ lijkt alleen de reconversie van dat nefast etnisch nationalisme in productiever economisch nationalisme een oplossing. Dat proces moet leiden tot de mentale verwerking van een vergelijk over Karabagh als conditio sine qua non voor economische ontwikkeling. Die ontwikkeling zal een duidelijke internationale politieke heroriëntering haalbaar maken en zal door de creatie van legale financiële ruiven misschien ook een einde maken aan de kleptocratie .

Primordiaal is de vraag of politiek Armenië in staat is dat reconversiedebat te voeren, gezien het traditioneel hoog gehalte aan geweld in de maatschappij en het misprijzen voor de compromiscultuur. Intussen blijft de beproeving voor het Armeense volk aanslepen.

Noten

1. De term ‘spjuurk’ verwijst naar Armeense gemeenschappen die buiten de Armeense republiek gevestigd zijn.

2. Objectieve bronnen schatten het totaal aantal Armeense slachtoffers tussen minimum 600.000 en maximaal ruim anderhalf miljoen.

Bronnen:

AVES JONATHAN, ‘Politics, Parties and Presidents in Transcaucasia’, in Caucasian Regional Studies, 1, 1996.

BEILOCK RICHARD, ‘What is wrong with Armenia’, in Caucasian Regional Studies, 4, 1999.

BERTSCH GARY, e.a. (eds.), Crossroads and Conflict. Security and Foreign Policy in the Caucasus and Central Asia, New York, Routledge, 2000.

COPPIETERS BRUNO (ed.), Contested Borders in the Caucasus, Brussel, VUB University Press, 1996.

DUDWICK NORA, ‘Political transformations in postcommunist Armenia: images and

Realities’, in DAWISHA KAREN en PARROT BRUCE (eds.), Conflict, Cleavage and Change in Central Asia and the Caucasus, Cambridge, Cambridge University Press, 1996, 69-109.

GALTUNG JOHAN, ‘Some Observations on the Caucasus’, in Caucasian Regional Studies, 2, 1997.

HERZIG EDMUND, ‘Armenia’, in Regional Surveys of the World. Eastern Europe and the Commonwealth of Independent States, London, Europa Publications Limited, 1999, 131-151.

INTERNATIONAL MONETARY FUND, Republic of Armenia: Recent Economic Developments. IMF Staff Country Report no. 98/22, Washington, IMF Publication Services, 1998.

TCHILINGIRIAN HRATCH, ‘Nagorno-Karabagh: Transition and the Elite’, in Central Asian Survey, 18, 1999, 435-461.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift