De robin hoods van Afrika

Piraten, smokkelaars en corrupte tycoons

Somalische piraten pompen driemaal meer geld in de lokale economie dan hun eigen regering. Het economische gewicht van “criminele ontwikkeling” is soms belangrijker dan allerhande nationale en internationale ontwikkelingsprogramma’s. Dat stelt het Forum voor Afrikaanse Onderzoeksjournalisten (FAIR), een netwerk van onderzoeksjournalisten in 35 Afrikaanse landen. FAIR voerde een onderzoek naar de impact van de activiteiten van piraten, smokkelaars en rebellen op de lokale samenleving.

Puntland, Somalië. Fatuma Mohamed (24) was best tevreden met haar bestaan als vrouw van een visser. Maar sinds de dag dat haar man en heel wat van zijn collega-vissers piraat zijn geworden om hun brood te verdienen, voelt ze zich “gevangen in een nachtmerrie”. Ze wil niet leven onder crimineel bestuur maar heeft geen keuze: de voorbije jaren hebben de piraten, waaronder dus ook haar man, de streek met ijzeren vuist bestuurd. Hoewel Mohamed erkent dat de piraten bakken geld binnenbrengen, ook in haar eigen huishouden, veroordeelt ze de praktijk. ‘Noch onze godsdienst, noch onze cultuur staan dit toe’, zegt ze. ‘Maar ik kan hier niet weggaan. Mijn man zou me achtervolgen en doden.’

Grootmoeder Zeynab Abdi (58) daarentegen houdt van de piraten. Ze helpen haar, zegt ze, om voor haar vier kleinkinderen te zorgen die wees werden tengevolge van decennia burgeroorlog in Somalië. Abdi: ‘Het leven is beter hier sinds de piraten er zijn. Wanneer ze geld te pakken krijgen, kan ik mijn kleinkinderen te eten geven.’ In de omgeving van Eyl nagaan of er nieuws is over recent gekaapte schepen in de Oost-Afrikaanse wateren behoort tegenwoordig tot Abdi’s morgenroutine na het gebed.

Aan de Westkust van Afrika, in de Beninse haven Porto Novo, heeft de halfgeschoolde electricien Justin Godonou (35) gelijkaardige gevoelens tegenover zijn weldoener, de oliesmokkelaar Joseph Midodjiho. Vanuit de steden aan de grens met het olierijke Nigeria worden de oliebussen met de boten van Midodjiho naar het Beninse strand gebracht en daar draagt Godonou –samen met honderden anderen– de oliebussen naar opslagplaatsen op het strand. Het is vuil werk en de geur van petroleum is zo scherp dat het moeilijk ademhalen is. De gesmokkelde olie die niet door oliestationfilters passeerde, is zwaar vervuilend. Het Beninse milieuministerie berekende dat in de hoofdstad Cotonou alleen al dagelijks 83 ton koolstofdioxide en 36 ton vluchtige waterkoolstoffen uitgestoten worden door het gebruik van de illegale olie.

Godonou is naar eigen zeggen tevreden. ‘Ik verdien 50 CFA (8 eurocent) per bus. Dat maakt soms 3000 CFA (bijna 5 euro) op een nacht.’ Charlotte Medji, die vlakbij woont, voegt eraan toe dat dat een goed inkomen is. ‘Daarmee kan ik mijn gezin voeden. Wanneer mijn kinderen helpen, verdienen we zelfs nog meer.’

In het naburige Nigeria, in de olierijke Nigerdelta, hebben lokale inwoners de rebellen omarmd die olie-installaties aanvallen –omdat ze vinden dat de oliemaatschappijen hen beroven en de centrale regering hen aan hun lot overlaat. ‘Deze gemeenschap leefde vroeger van de landbouw maar nu is de bodem van de provincie ernstig vervuild’, zegt chief Amaka James Ogona (74), hoofd van het kleine Olugbobiri-koninkrijk in de deelstaat Delta. ‘De bedrijven gingen pas akkoord om de gemeenschappen iets terug te geven nadat de rebellen hen begonnen aan te vallen.’ Dankzij de activiteiten van de rebellen is er nu in Olugbobiri een min of meer aanvaardbare weg –aangelegd door rebellen en betaald door de multinationale oliemaatschappij AGIP als vredesaanbod. Bovendien ontvangen de dorpelingen regelmatig schoolgeld voor hun kinderen.

Somalië: internetcafé’s en verse vis

De Somalische winkelier Sugule Dahir is duidelijk over zijn afhankelijkheid van de piraten. ‘Door de piraten zijn er nu veel winkels, internetcafé’s en telefoonshops. De mensen hier zijn gelukkiger nu dan in de tijd voor de piraterij.’ De 26-jarige Anab Farah bereidt drie maaltijden per dag voor gijzelaars en geeft die als meeneemschotels mee aan hun bewakers. Farah: ‘De piraten zijn belangrijk voor mijn werk. Vaak verdien ik driehonderd euro per dag. Binnenkort kan ik een wagen kopen.’ Farah zet een liedje aan dat populair is in Eyl (een havenstad in Puntland met gekaapte boten voor de kust, nvdr): ‘Ya kale, ya kale oo Somalidu dandeeda kafinkara oo aan aheyn burcaat’ (‘Wie anders dan de piraten denkt aan het lot van de Somaliërs?’)

‘We pompen geld in de regionale economie’, zegt de fiere piraat Abdullah Abdi (geen familie van grootmoeder Zeynab Abdi). ‘Wanneer we schepen kapen, kopen we nieuwe voorraden levensmiddelen, geiten voor vlees en qat (een licht verdovend kruid, nvdr) van de inwoners.’ Abdi en zijn collega’s hebben ook geïnvesteerd in huizen en kantoorgebouwen die uit de grond springen langs de kustlijn van Eyl.

Vele van de naar schatting 1500 piraten in de regio zijn voormalige vissers die zich tot de piraterij “bekeerden” nadat internationale commerciële visserij de lokale visvoorraden compleet had uitgeput. Anderen werkten vroeger als lijfwacht of soldaat voor de vele Somalische krijgsheren en politici. Als piraten kaapten ze tientallen schepen en gijzelden ze honderden opvarenden. Dat leverde miljoenen euro’s op aan losgeld.

Hoewel ze met macht regeren en de neiging hebben om met de schoonste –en vaak heel jonge– lokale meisjes te trouwen, waardeert een meerderheid van lokale bewoners hen omdat ze de streek nieuw leven hebben ingeblazen en omdat ze de kustlijn bewaken. Piratenkindbruid Halima Hassan (15): ‘De piraten zijn kustwachters. Buitenlandse schepen hebben al sinds mensenheugnis onze wateren vervuild en onze visstocks uitgeput. Iemand moet hen voor ons bewaken.’ Halima, die beweert gelukkig te zijn met de weelde die ze heeft gevonden bij haar zeventigjarige piratenman, heeft een punt. Na de uitputting van de visvoorraden in Oost-Afrikaanse wateren door buitenlandse schepen, beginnen de vissen nu langzaam aan terug te keren.

Volgens de World Peace Foundation –een internationale denktank die onderzoekers, diplomaten, advocaten, militairen en zeelui samenbrengt– verliest de scheepvaartindustrie meer dan zeventig miljoen euro per jaar door de piraterij. Het losgeld alleen is goed voor de helft van dat bedrag. Lokale bronnen vertelden FAIR dat één piratenbende alleen al in 2009 negen schepen kaapte: het vader- en zoonrijk van Mohamed Hassan “Afweyne” en Abdikadir Abdi, dat werkt vanuit Centraal-Somalië. Volgens de VN-Monitoring Groep inzake Piraterij zijn er op zijn minst zeven van dergelijke syndicaten, wat de mogelijke jaaropbrengsten van piraterij in Somalië dicht bij de 35 miljoen euro zou brengen. Ter vergelijking: in 2009 bedroegen de Britse en Amerikaanse hulpprojecten voor Somalië inzake tewerkstelling, landbouw en veeteelt slechts 3,6 miljoen euro. De volledige begroting van de Puntlandregering was dat jaar 13 miljoen euro.

Piraten zijn zo overduidelijk de machtigere economische speler in de regio dat de regering zelf is beginnen “deelnemen” aan hun opbrengsten. Volgens de VN-Monitoring Groep belandde meer dan een derde van al het losgeld via allerlei vormen van corruptie bij ambtenaren van de Puntlandregering.

Benin: de smokkeleconomie

In Benin schat het ministerie van Handel dat zeventig tot tachtig procent van alle ingevoerde brandstoffen gesmokkeld wordt. Bovendien hangt de informele economie –die goed zou zijn voor zeventig procent van de hele economie– grotendeels van de illegale petroleumhandel af. Smokkelaar Joseph Midodjiho geeft niet enkel werk aan de 600 mensen die betrokken zijn in de petroleumhandel. Hij runt ook een transportonderneming die nog enkele honderden koeriers tewerkstelt, evenals een microkredietonderneming die enkele honderden vrouwen toeliet om een kleine bakkerij te starten.

Claude Allagbe, directeur van het ministerie van Handel in Benin, gaf toe dat de formele economie niet zonder de informele sector kon en dat de regering ervoor had gekozen met de informele sector te werken veeleer dan hem te bestrijden. Toen FAIR Allagbe confronteerde met de vaststelling dat prominente petroleumsmokkelaars schenkingen doen aan de regeringspartij, zei hij dat ook hij vastgesteld had ‘dat regeringsleden aangewezen werden als trafikanten’ op een ontmoeting met smokkelaars op het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Nigeria: gewone man ziet niets van staatsbudget

De geldschenkingen van rebellenleiders “Boyloaf” and “Africa” aan de dorpsbevolking van Olugbobiri bedragen nooit meer dan 18.000 euro –verwaarloosbaar in vergelijking met het jaarbudget van de deelstaat Delta van gemiddeld zeventig miljoen euro. De Nigeriaanse regering had nog veel meer geld kunnen hebben indien de rebellen de olieinstallaties niet hadden gesaboteerd. Een presidentieel comité, belast met het uittekenen van een masterplan voor de Nigerdelta, rapporteerde dat de federale regering alleen al in de eerste zeven maanden van 2009 zo’n vijftien miljard euro aan olie-inkomsten was misgelopen door de activiteiten van de rebellen. De dorpelingen van Olugbobiri hebben evenwel niet geprofiteerd van de grote staatsbudgetten die –op papier– wegen, gezondheid, onderwijs en justitie naar de regio hadden moeten brengen. De regering slaagde er zelfs niet in een waterproject en een kliniek, gebouwd door het oliebedrijf AGIP als vredesdividend aan de rebellen, te onderhouden. ‘De deal was dat AGIP zou bouwen en dat onze regering de follow-up zou verzekeren,’ zegt chief Ogona. ‘Maar dat laatste gebeurde niet.’

Het feit dat veel Afrikaanse staatsapparaten eenvoudig niet in staat lijken hun budgetten te gebruiken om diensten aan te bieden en ontwikkeling te brengen, lijkt in veel gevallen aan de basis te liggen van de “criminele ontwikkeling”. In Nigeria werd een corrupte gouverneur die staatsgelden gebruikte om zijn thuisstad te ontwikkelen hoger ingeschat dan gouverneurs die niet werden beschuldigd van corruptie maar evenmin ontwikkeling hadden gebracht in de steden of streken die zij bestuurden.

Daar staat tegenover dat het banditisme het creëren van staatsstructuren bemoeilijkt. Kenia bijvoorbeeld is ongelukkig over de grote sommen illegaal geld die de piraterij vanuit Somalië het land binnenbracht. Niet enkel de economie van Puntland heeft de geldinjectie ervaren, ook het stadsdeel Eastleigh in Nairobi boomt –nu de thuis van duizenden Somalische vluchtelingen. Die boom creëert werk voor ‘honderden jongeren’, aldus een gelukkige lokale manager, die eraan toevoegde dat dit allemaal “pirateninvesteringen” waren. Ambtenaren schatten dat er tussen 0,88 en de 1,5 miljard euro witgewassen crimineel geld omgaat in de Keniaanse economie. (Welk deel daarvan toe te schrijven is aan piraterij, is niet exact geweten omdat in Kenia ook illegale mensenhandel-, drugs-, en grondstoffensyndicaten opereren).

De Keniaanse regering is bezorgd om de effecten van witwasserij en belastingontwijking, zeker waar het gaat om piratengeld. ‘We vermoeden dat piraten een deel van hun losgeld witwassen door in Kenia gebouwen te kopen’, zegt de Keniaanse regeringswoordvoerder Alfred Mutua. Dat zou mee bijdragen tot de sterke stijging van de vastgoedprijzen in Nairobi. Het is voor Kenianen uit de middeninkomensgroep moeilijk geworden om nog een huis te kopen, of zelfs om hun huis te behouden. In Eastleigh zegt Kamau wa Ngige dat hij zich verplicht zag een bord te plaatsen dat zijn eigendom niét te koop is. ‘Piraten willen alles in deze buurt kopen. Enkele jaren geleden kostte een plot tussen drie en vier miljoen Keniaanse shilling (27.000 en 35.000 euro) maar nu kost het tussen de tien en twaalf miljoen (91.000 en 109.000 euro). Allemaal door het makkelijke geld waarmee de piraten naar hier komen’, zegt Kamau. ‘Ik vraag me af waarom ze nog altijd vrij rondlopen in dit land. Ze horen achter de tralies.’

Maar zelfs in Kenia is een scenario waarin de staat de economische ontwikkeling krachtig in handen neemt en diegenen bestraft die de regels overtreden, nog niet voor morgen. Voor veel Afrikaanse burgers lijkt het erop dat het meer loont om actief tegen de staat en zijn regels in te werken, en hem zelfs te plunderen, dan braaf de regels te volgen.

Dit artikel is geschreven door journalisten van het Forum for African Investigative Reporters (FAIR): Theophilus Abbah (Nigeria), Mohamed Kadir (Kenia, Somalië / Kadir is een pseudoniem, omwille van bedreigingen), Christophe Assogba (Benin), Charles Rukuni (Zuid-Afrika) en Evelyn Groenink (bewerking). Meer info op www.fairreporters.org

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift