De Sint brengt verhalen van verre vrienden

Michaël De Cock en Gerda Dendooven stelden een heel bijzonder verhalenboek voor kinderen samen, waarin ze ruimte maken voor nieuwe pennen en penselen uit het multiculturele Vlaanderen. Een uitstekend geschenk dat de Sint met of zonder helper zou mogen afleveren bij elke schoorsteen of verwarming waar een verwachtingsvol schoentje voor staat. Ter kennismaking publiceert MO* ‘Het bliksemmeisje’ van Abbie Boutkabout en een illustratie van Maria Canfield.

  • Maria Canfield Fuego. Illustratie uit "Verre vrienden" Maria Canfield

Verre Vrienden is uitgegeven door Lannoo. Met verhalen van Michael De Cock, Laïla Koubaa, Orlando Verde, Abbie Boutkabout, Fikry El Azzouzi, Freek Mariën, Gerardo Salinas, Maud Vanhauwaert, Mira Bertels, Annelies Verbeke en Rachida Lambaret. Met beelden van Liene Bouwen, Maria Canfield, Shamisa Debroey, Gerda Dendooven, Brecht Evens, Roman Klochkov, Luba Melanchuk, Brecht Vandenbroucke, Wide Vercnocke, Martha Verschaffel en Sarah Yu Zeebroek. 116 blzn. ISBN 978 90 5908 500 8

 

ABBIE BOUTKABOUT
Het bliksemmeisje

Toen ik acht was, werd ik getroffen door de bliksem. Daar deed ik niets speciaals voor. Ik liep gewoon naar huis. Het was een zomeravond. Het regende, en in de verte hoorde ik gerommel. Toen gebeurde het. Ik werd getroffen door de bliksem. Het ene moment stond ik nog overeind, het volgende moment lag ik versuft op de grond. Er stonden allemaal mensen om me heen die oeioeioei zeiden.

Iemand hielp me recht, maar ik wankelde nog wat op mijn benen. Een lieve vrouw nam me bij de hand en bracht me naar huis. Ze vertelde mijn moeder wat er gebeurd was. Ook mama zei de hele tijd oeioeioei en ging met mij naar de dokter. Die vertelde dat er een wonder was gebeurd en dat ik helemaal in orde was. Toen zei mijn moeder de hele tijd oef en sofietjetoch.

Maar de dokter had niet helemaal gelijk. Want vanaf die dag hoorde ik een stem in mijn hoofd. Ik bedoel, een andere stem dan de mijne. Het was de stem van iemand die oud was. Dat wist ik omdat de stem kraakte en zuchtte. Alsof het heel moeilijk praten was. Het klonk een beetje als de stem van mijn opa. Wat de stem zei, was ook een beetje triest. Ik moest er bijna van huilen.

Ik vertelde dat niet aan de dokter en ook niet aan mijn moeder, omdat ik wel wist wat ze zouden denken. Ze zouden denken dat ik helemaal gek was geworden. Dat ik door de bliksem mijn verstand had verloren. Dus zei ik er maar niets van.

De stem zei allerlei trieste dingen:
Zo gaat dat dan, ik ben helemaal alleen.
Waar heb ik mijn pantoffels toch gelaten?
Ach, Mira, wat mis ik je toch. Ik wou dat je hier was.
Is dit het nu? Zal ik alleen sterven? Niemand bij mij? Echt, helemaal alleen?
Zou ik een wandeling gaan maken? Nee, toch maar niet. Wat is daar buiten nu te zien?
Heb ik vanmiddag al gegeten of niet?

Door al deze dingen wist ik dat de oude man eenzaam moest zijn. Ik vond het erg dat iemand zo triest kon zijn. Ik was zelf ook al eens triest geweest. Alsof ik helemaal alleen op de wereld was. Dus ik dacht: laat ik deze man eens zoeken. Dan kan ik zijn pantoffels voor hem zoeken.

Ik wist natuurlijk niet hoe ik moest beginnen. Wat als de man in een ander dorp woonde? Wat als ik hem nooit zou vinden? Ik besloot om eerst gewoon te luisteren. Dan kon ik horen of de man per ongeluk zou vertellen over de straat waarin hij woonde. Er gingen enkele dagen voorbij en ik hoorde de stem van de man heel vaak in mijn hoofd. Soms werd de stem luider, soms ook stiller. Ik wist eerst niet hoe dat kwam. Ik was eens met mijn vrienden aan het spelen in het park, en toen werd de stem veel stiller. Ik probeerde de hele tijd goed te luisteren, maar ik hoorde hem nauwelijks. Toen ik met mijn mama in de auto zat op weg naar oma, hoorde ik de stem plots heel luid worden. Dat duurde maar eventjes, en toen stierf de stem helemaal weg. Op een nacht wist ik het! De man woonde in mijn dorp! En als ik dichtbij of veraf was, werd de stem ook luider of stiller.
Vanaf die dag ging ik op zoek naar de man met de oude stem. Ik woonde in een klein dorp, dus het was vast niet moeilijk om hem te vinden. Dat dacht ik toch. Ik moest gewoon langs alle huizen gaan en luisteren of de stem luider werd. Als dat gebeurde, dan had ik de man gevonden. Ik maakte er een spelletje van om te antwoorden op elke vraag die ik in mijn hoofd hoorde. Ik wilde de man met de oude stem troosten, want zijn stem klonk steeds triester.

Waarom ben ik nooit aardig geweest voor mijn kinderen? Dan was ik nu niet zo alleen.
‘Uw kinderen weten wel dat u van hen houdt, maakt u zich geen zorgen.’
Ik zou eigenlijk boodschappen moeten gaan doen. De koelkast is bijna leeg.
‘Geen zorgen, ik kom eraan! Dan gaan we samen.’
Wat stom om te kijken of ik post heb. Tuurlijk krijg ik geen post. Niemand weet dat ik besta.
‘Oh, maar ik weet wel dat u bestaat! Uw stem zit in mijn hoofd.’

Op straat keken mensen me raar aan. Ik liep van deur tot deur en luisterde of de stem luider werd. Ik gaf hardop antwoord op de vragen die ik hoorde. Ik kwam een man tegen die me vroeg of alles oké was.
‘Ja hoor, ik ben getroffen door de bliksem’, zei ik. Hij schudde zijn hoofd, alsof hij dacht dat ik helemaal gek was geworden. Hij moest eens weten!

Zo liep ik een paar dagen van deur tot deur. Aan de rand van mijn dorp stond een groot appartementsgebouw. Het gebouw was grijs en lelijk, alsof de architect in een treurige bui was toen hij zijn idee tekende. De mensen die er woonden probeerden het huis op te fleuren door kleurige gordijnen voor hun ramen te hangen. Sommige mensen hadden mooie planten op de vensterbank gezet. Ik tuurde, en tuurde en plots zag ik het! Helemaal links boven was een raam waar geen planten op de vensterbank stonden. De gordijnen waren niet fleurig, maar donkerbruin.

Ik deed heel erg mijn best om te luisteren naar de oude stem. En daar hoorde ik hem, luid en duidelijk. De stem was een liedje aan het neuriën. De oude man was misschien een liedje van vroeger aan het zingen, want ik kende het helemaal niet. Ik was er bijna zeker van dat ik de man van de stem had gevonden. Maar ik moest natuurlijk eerst binnen geraken.

Ik ging het gebouw binnen en drukte op alle bellen die ik zag. Een paar mensen zeiden hallo? door de luidspreker. Ik riep zo hard ik kon:
‘Ik ben op zoek naar de man met de oude stem!’

Sommige mensen vroegen ‘wablief?’. Ik vertelde hen het hele verhaal: hoe ik was getroffen door de bliksem en daardoor een stem in mijn hoofd had. Hoe ik op zoek ging naar de man met de oude stem, en dat ik dacht dat hij misschien wel hier woonde.

Maar niemand wilde luisteren. Ze riepen door elkaar dat ik ze met rust moest laten en dat ze de politie zouden bellen. Dat wilde ik natuurlijk niet. Ik begon te denken dat ik misschien beter naar huis kon gaan, toen een man naar buiten kwam. Ik deed alsof ik op zoek was naar de juiste bel. Toen hij weg was, glipte ik heel snel naar binnen voor de deur opnieuw dichtviel.

Ik nam de lift en ging naar de bovenste verdieping. Er waren acht deuren. Aan zeven van de acht deuren lag een mat met WELKOM erop. De achtste deur had geen mat. Ik liep stilletjes naar de deur van het laatste appartement en legde mijn oor ertegen. Ik schrok van wat ik hoorde. Het was erg luid, dus ik wist dat ik goed zat. Het was de stem van de man. Maar deze keer zei hij niets, en vroeg hij niets. De man was aan het huilen. Zo luid dat ik er ook tranen van in mijn ogen kreeg.

Ik veegde snel mijn tranen weg en klopte op de deur. Het duurde even, maar toen antwoordde er iemand.
‘Wie is daar?’
‘Eh … Mijn naam is Sofie. Maar mama noemt me altijd Sofietje.’
De deur ging heel voorzichtig open en ik zag een oude man met een bril. Hij zag er een beetje sjofel uit. Zijn hemd hing half uit zijn broek. Hij liep op sokken met gaten erin en er groeide haar uit zijn oren.
‘Wat moet je?’ snauwde hij.
Ik schrok, want de stem die ik in mijn hoofd hoorde, was veel zachtaardiger geweest. Ik luisterde weer aandachtig, en toen was de stem er weer:
Wat doet dit kind hier? Zou ze verdwaald zijn? Ik heb liever niet dat iemand me zo ziet. Wat moet ik doen?
‘Ik weet dat het raar zal klinken, maar ik hoor uw gedachten. Ik ben een paar dagen geleden getroffen door de bliksem. Daarna hoorde ik uw stem in mijn hoofd. Ik denk dat u eenzaam bent.’
De oude man keek me verward aan. Natuurlijk geloofde hij me niet.

‘Maak dat je wegkomt’, zei hij bars en hij wilde de deur sluiten.
‘Wie is Mira?’ vroeg ik snel.
De mond van de man viel open.
‘Waar heb je die naam gehoord? Wie ben jij eigenlijk?’
‘Ik zei het al, ik hoor uw stem in mijn hoofd. U mist Mira heel erg, u denkt elke dag aan haar. Dan zegt u dat u graag wou dat ze hier was.’
De mond van de man viel nog verder open. Ik zag dat hij een paar tanden miste. Hij deed de deur nu helemaal open.
‘Kom erin’, zei hij zacht.

Toen vertelde ik hem alles. Ik vertelde over de blikseminslag. De mensen die oeioeioei zeiden. De dokter die mijn moeder vertelde dat alles in orde was. De man die zijn hoofd schudde omdat hij dacht dat ik gek was. Ik vertelde de oude man alles, tot ik op het punt was gekomen dat ik op zijn deur klopte.
‘Dus ik ben hier om uw pantoffels te zoeken, en om een eitje bakken, en om u mee te nemen om boodschappen te doen.’
Hij glimlachte en stak een hand uit.
‘Ik ben Lode’, zei hij.

De dagen daarna gingen we samen naar de markt om gele gordijnen te kopen. We aten boterhammen in het park. Hij ging op bezoek bij zijn kinderen, die hem huilend omarmden. Hij vertelde veel over Mira, zijn vrouw die een paar jaar daarvoor was gestorven. Hij genoot van de zon en van de buitenlucht.

Op het einde van de zomer zaten we te picknicken op een bankje in het park, waar we brood gooiden voor de eendjes. Plots hoorde ik een luide knal, en voor we het wisten begon het te regenen. We liepen snel het park uit, om ergens te kunnen schuilen. Lode kon niet zo snel lopen als ik, en ik stopte even zodat hij me kon bijhouden. Toen ik omkeek, werd hij net getroffen door de bliksem. Hij viel neer en bleef stil liggen. Er was niemand om te helpen, want iedereen was aan het schuilen voor de regen.

Ik liep snel naar hem toe, en hield zijn hoofd vast. Ik wist niet wat ik moest doen, dus ik zei alleen maar oeioeioei. Eindelijk deed hij zijn ogen open.
‘Wat raar’, zei hij zacht. ‘Ik hoor een stem in mijn hoofd.’

Abbie Boutkabout volgde een opleiding tot  reporter en werkt als communicatiemedewerker voor de Zomer van Antwerpen. Ze schrijft blogs voor Gazet van Antwerpenen Schrijverspodium en maakt deel uit van het humoristische collectief De Fatima’s. Met Verbrande aarde werkt ze aan haar eerste theatertekst.

Maria Canfield is Mexicaanse met Schotse roots. Ze kwam op haar twintigste naar Europa om er de renaissance te bestuderen maar volgde schilderkunst in La Cambre en illustratie op Sint­Lucas Gent. Ze maakt politiek geëngageerde tekeningen.

Nu zondag 27 oktober vindt in de Arenbergschouwburg de première plaats van het theaterconcert dat gebaseerd is op het boek ‘Verre Vrienden’.

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift