De snelweg naar een volledig verbod op antipersoonsmijnen

Een volledig verbod op antipersoonsmijnen ligt binnen handbereik. Op nauwelijks vijf jaar tijd groeide wereldwijd een enorme bewustwording van het probleem van landmijnen en van de nood aan een algeheel verbod op het wapen. In dit artikel schetsen we de factoren die geleid hebben tot dit ‘succesverhaal’, alsook de uitdagingen waarmee de internationale gemeenschap de komende decennia m.b.t. de problematiek van de landmijnen geconfronteerd zal worden.
We beginnen ons verhaal bij de conferentie van Brussel, van 24 tot 27 juni 1997. Minister van Buitenlandse Zaken Derijcke benadrukte in zijn openingstoespraak dat er ‘jaarlijks 26.000 slachtoffers vallen, waarvan zo’n 90 % burgers. Antipersoonsmijnen hebben totnogtoe veel meer doden en gewonden gemaakt dan alle massavernietigingswapens samen. Net zoals voor de biologische en chemische wapens is het dus de hoogste tijd om deze tuigen te verbieden.’ Deze internationale conferentie werd een mijlpaal op weg naar een totaal verbod op antipersoonsmijnen. Men maakte een stand van zaken op over de evolutie van wat men ondertussen het ‘proces van Ottawa’ of het ‘fast track proces’ is gaan noemen, namelijk het diplomatiek initiatief dat streeft naar de ondertekening van een verdrag in december 1997 in Ottawa (Canada).

Tijdens de conferentie en de week die daaraan vooraf ging, hebben meer dan 20 nieuwe landen zich aangesloten bij de groep staten die in december het verdrag willen ondertekenen. Een aantal sleutellanden kwamen eindelijk over de brug, zoals Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië, Spanje, Tsjechië, Slovakije en Hongarije. Sommigen zijn belangrijke producenten of exporteurs van antipersoonsmijnen. Ook landen zoals Angola en Bosnië-Herzegovina, die het meest getroffen zijn door het probleem, sloten zich aan. Landen die voorlopig de deadline van december 1997 weigeren te onderschrijven, waaronder de VS, Australië en India, stellen retorisch dat ze een verbod steunen ‘zodra dit mogelijk is’. Andere landen waaronder Rusland, China en Pakistan verzetten zich tegen een verbod in de nabije toekomst.

Op het einde van de conferentie van Brussel ondertekenden een honderdtal landen de politieke verklaring waarin staat dat men vanaf september in Oslo de details van het voorliggende ontwerpverdrag zal onderhandelen en in december in Ottawa het verdrag wil ondertekenen. Het ontwerpverdrag maakt duidelijk dat een nieuwe internationale norm tot stand is gekomen: antipersoonsmijnen zijn illegale wapens en wie ze toch gebruikt wordt met de vinger gewezen.

Welke factoren laten ons toe te stellen dat een verbod op antipersoonsmijnen binnen handbereik ligt? Ten eerste zijn alle eerdere pogingen om het gebruik van antipersoonsmijnen ‘te beperken en te regelen’ mislukt. Ten tweede kwam een geloofwaardiger alternatief onderhandelingsforum tot stand. Ten derde heeft de voorbeeldfunctie en de voortrekkersrol van landen als België constructief gewerkt. Ten vierde nam de druk voor een volledig verbod toe door het groeiend mondiaal bewustzijn over de humanitaire ramp die antipersoonsmijnen veroorzaken en door de alsmaar uitdijende NGO-campagne voor zo’n verbod. We gaan nu nader in op elk van deze vier factoren.

1. De vruchteloze onderhandelingen over de ‘Wapenconventie van 1980’

De Wapenconventie van 1980 en de herziening van de Conventie vormen de belangrijkste poging van de internationale gemeenschap tot nu toe om het gebruik van antipersoonsmijnen te reglementeren. De volledige naam van de Conventie luidt ‘Conventie over bepaalde conventionele wapens waarvan de effecten kunnen worden beschouwd als buitensporig traumatisch of kwetsend zonder onderscheid’. Het tweede protocol bij de Conventie heeft betrekking op mijnen, valstrikken en andere soortgelijke tuigen. De Conventie van 1980 legde beperkingen op voor het gebruik van mijnen. Tien jaar later toonde de omvang van het probleem duidelijk aan dat deze beperkingen onvoldoende waren. In 1993 vroeg Frankrijk de herziening van de Conventie. Er was twee jaar voorbereidend werk nodig vooraleer de herzieningsconferentie kon worden georganiseerd in Wenen in september 1995. In mei 1996 kon de conferentie worden afgerond in Genève.

Het nieuwe protocol II betekende een nieuwe legitimatie van antipersoonsmijnen, in het bijzonder van de zgn. ‘intelligente’ mijnen. De Internationale Campagne voor een Ban op Landmijnen (ICBL), een mondiaal samenwerkingsverband van meer dan 1.000 NGO’s in 50 landen dat campagne voert voor een volledig verbod op antipersoonsmijnen, reageerde bijzonder ontgoocheld. We geven hieronder de belangrijkste elementen van protocol II.

De definitie van een antipersoonsmijn

Er moest een definitie van antipersoonsmijnen ontworpen worden, want de Conventie van 1980 sprak over mijnen in het algemeen, zonder onderscheid te maken tussen antitankmijnen en antipersoonsmijnen. De definitie werd: ‘De antipersoonsmijn is een mijn die in de eerste plaats vervaardigd is om te ontploffen ten gevolge van de aanwezigheid, de nabijheid of het contact van een persoon en bestemd om één of meerdere personen uit te schakelen, te verwonden of te doden.’ De definitie lijkt duidelijk maar er is één grote ontoereikendheid. De bepaling ‘in de eerste plaats’ zorgt voor een zeer sterke beperking van de categorie wapens die men antipersoonsmijnen noemt en die dus moet beantwoorden aan de door de Conventie bepaalde criteria. Als men bijvoorbeeld een antitankmijn uitrust met een antihanteerbaarheidsmechanisme, is het effect precies hetzelfde als bij een antipersoonsmijn. Toch valt zo’n mijn niet onder de Conventie.

De uitbreiding tot interne conflicten

Het nieuwe protocol is ook van toepassing op interne conflicten, wat bijzonder positief is gezien de meeste recente conflicten waarbij gebruik werd gemaakt van mijnen, interne conflicten zijn, zoals in Angola, Rwanda, enz. Jammer genoeg blijft de tekst erg vaag, en blijven verschillende interpretaties mogelijk, zoals blijkt uit het geval Kasjmir. Pakistan beweert dat het in Kasjmir niet om een intern, noch om een internationaal conflict gaat, wel om de onafhankelijkheidsstrijd van het volk van Kasjmir. Pakistan, dat Kasjmir steunt, concludeert bijgevolg dat Kasjmir het recht heeft de Conventie niet na te leven.

Opspoorbaarheid

Alle nieuw gemaakte antipersoonsmijnen moeten opspoorbaar zijn, d.w.z. dat ze 8 gr. metaal moeten bevatten, zodat een signaal kan worden opgewekt met de gewone detectoren die antipersoonsmijnen opsporen. Dit is één van de positieve punten van het nieuwe protocol.

Zelfvernietiging en zelfneutralisering

Een bijzonder discussiepunt betrof het gebruik van mijnen, voorzien van zelfvernietigende of zelfneutraliserende mechanismen. Dit zijn technische verfijningen waardoor de mijnen zichzelf onschadelijk maken na een bepaalde periode. Sommige delegaties beweerden dat deze tuigen ‘veiliger’ zijn doordat ze niet voor ‘eeuwig’ actief blijven. Toch kon men geen consensus bereiken om deze mechanismen in alle gevallen verplicht te maken.

Het nieuwe protocol II maakt het gebruik van zelfvernietigings- en zelfneutraliseringsmechanismen verplicht, wanneer het gaat om mijnen die door een kanon, helikopter of vliegtuig op meer dan 500 m. zijn geplaatst. Dit zijn situaties waarin men een mijnenveld niet nauwkeurig vooraf in kaart kan brengen. In dat geval moeten de mijnen zichzelf binnen de 30 dagen vernietigen, maar men aanvaardt een betrouwbaarheid van slechts 90 %. De zelfneutralisering moet binnen de 120 dagen plaatsvinden. De mijnen moeten uitgerust zijn met de twee mechanismen, die er samen moeten voor zorgen dat na 120 dagen met een waarschijnlijkheid van 99,9 % de mijnen vernietigd of geneutraliseerd zijn. Zoals gezegd geldt deze regel alleen voor mijnen die niet in afgebakende velden zijn geplaatst. Dit houdt in dat men nog altijd mijnen mag plaatsen die zichzelf niet vernietigen in theoretisch afgebakende velden.

Deze regels kregen heel veel kritiek. Het zal uiterst moeilijk zijn om de beperkingen op het gebruik van de met de hand of via voertuigen gelegde mijnen op het terrein door te voeren, omdat ook de andere, gewone exemplaren die niet voorzien zijn van de mechanismen toegelaten blijven. De regels suggereren ook dat mijnen een essentieel verdedigingswapen zijn buiten gemarkeerde mijnenvelden. Juist deze praktijk heeft zo’n dramatische gevolgen voor de burgerbevolking in conflictregio’s. Het treffen, verminken en wegjagen van de bevolking wordt aldus doel van militaire operaties. Het gedeeltelijk verplicht stellen van de mechanismen maakt de regels zo moeilijk toe te passen op het terrein dat de vrees gegrond is dat het wild gebruik van mijnen op geen enkele manier zal stoppen. Velen vrezen dat mèèr mijnen met zelfvernietigingsmechanismen gelegd zullen worden, om hun veronderstelde beperktere werkingsduur te compenseren.

Bovendien kregen de verschillende landen 9 jaar de tijd om de bovenvermelde regels toe te passen. Tijdens deze overgangsperiode kunnen ze als het ware blijven doen wat ze willen.

De controle

Dit is het zwakste punt van de Conventie. Er werd niets beslist over een controlesysteem, noch over sancties.

Door veel landen was voorgesteld om teams naar gebieden te sturen zodra er meldingen binnenkwamen over misbruik met landmijnen. De regeringen zouden verplicht zijn de teams tot het gebied toe te laten, zoals met verdragen over bv. chemische wapens het geval is. Landen als China en India waren radicaal tegen. Zij stelden de nationale soevereiniteit en de niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden absoluut. De West-Europese landen hebben heel wat minder moeite met verificatie, ze hebben bv. in de EU heel wat ervaring met afstand van soevereiniteit en tegelijk behoud van eigen identiteit.

Omdat men tegen verificatie is, kon evenmin gesproken worden over regelgeving op productie van mijnen, omdat regels daarover tot nog meer controle zouden leiden, tot in de bedrijven toe. Bijgevolg kon men niet anders dan hopen op de oprechtheid van de staten om te weten of ze dit nieuwe protocol al dan niet toepassen. Om de vijf jaar is een nieuw herzieningsproces van het protocol voorzien. Het eerstvolgende heeft dus plaats in 2001.

Heel wat landen die aan de onderhandelingen over de herziening van de Conventie van 1980 deelnamen, waren absoluut ontevreden over het resultaat. De technische discussies brachten ook meer en meer militairen tot de conclusie dat het gebruik van mijnen niet te reglementeren is en dat de enig effectieve oplossing een volledig verbod op antipersoonsmijnen is. De oproep van de ICBL voor een verdrag dat productie, gebruik, export, opslag en transfer van deze wapens volledig verbiedt, werd een steeds realistischere optie.

2. Het proces van Ottawa als geloofwaardig alternatief

Daar op de officiële herzieningsconferentie alles met consensus beslist moest worden, zagen veel landen met lede ogen aan hoe alsmaar meer compromissen met de tegenstanders van een verscherping van de regels gesloten moesten worden, om sowieso met enig resultaat naar buiten te kunnen komen. Daarom riep de ICBL nog tijdens de herzieningsconferentie aparte vergaderingen samen met de delegaties van die (beperkte groep) landen die wèl voorstander waren van een volledig verbod. Om te onderzoeken of er een ander spoor ontwikkeld kon worden.

Een nieuwe start in Ottawa

Na de bijzonder teleurstellende afsluiting van de herzieningsconferentie op 3 mei 1996, wilden een aantal landen die reeds tijdens de conferentie apart waren samengekomen een initiatief nemen, onafhankelijk van de Conventie van 1980 en onafhankelijk van de klassieke, op consensus gerichte VN-fora.

Dit mondde uit in een samenkomst in oktober 1996 in Ottawa met vijftig landen als volwaardig deelnemer en een twintigtal waarnemers. Voortaan zou men niet meer spreken over regels inzake beperking van het gebruik van antipersoonsmijnen. De landen die aan de conferentie deelnamen, werden verondersteld achter het volledig verbod te staan. Bijgevolg konden de grote lijnen van de slotverklaring van de eerste conferentie in Ottawa vooraf worden opgesteld. Tot ieders verrassing kondigde de Canadese regering tijdens de slotzitting van de conferentie aan dat ze in december 1997 een nieuwe conferentie zal organiseren waar de verdragstekst ter ondertekening zal voorliggen. De totstandkoming van het internationaal verbod kreeg een tijdslimiet opgelegd. Het ‘Ottawa-proces’ was geboren.

Voordelen van het Ottawa-proces zijn dat alle landen die voorstander zijn van een volledig verbod betrokken zijn bij de totstandkoming van het verdrag en worden uitgenodigd om het verdrag te ondertekenen, ook diegenen die niet deelnemen aan de VN-ontwapeningsconferentie (zie verder). De voorgestelde termijn om een verdrag te realiseren - één jaar - is kort, maar niet onrealistisch. Als 100 landen ondertekenen in december 1997, zal dit het vijfvoud zijn van het aantal landen dat in 1980 de Conventie heeft ondertekend (dat waren er 20). Het belangrijkste voordeel ligt in het feit dat er eindelijk een verdrag op tafel zal liggen dat bewijst dat een grote groep landen antipersoonsmijnen als illegale wapens beschouwt. Wanneer zo’n verdrag bestaat, kan men pogen andere landen te overtuigen om zich bij dit standpunt aan te sluiten, i.p.v. toe te laten dat zij tijdens het onderhandelingsproces de teksten afzwakken. De publieke opinie in de landen die nu nog tegen zijn, hebben een extra argument om hun nationale regering onder druk te zetten alsnog aan te sluiten.

De Ontwapeningsconferentie als kaper op de kust?

Toch wil niet iedereen alle hoop stellen op een diplomatiek proces waar de grootmachten niet bij betrokken zijn en dat zich afspeelt buiten het klassieke diplomatieke ontwapeningsforum: de Ontwapeningsconferentie (OC) in Genève.

Deze permanente conferentie van de Verenigde Naties groepeert 61 landen. De jongste jaren heeft deze conferentie zich voornamelijk beziggehouden met nucleaire ontwapening, met het verdrag over kernproeven en het verbod op chemische wapens. Begin 1997 werd binnen de OC het debat geopend tussen een aantal landen die wilden dat de problematiek van de antipersoonsmijnen door dit forum zou worden behandeld.

De ICBL verzet zich met klem tegen deze optie. Ten eerste is de OC niet universeel, slechts 61 landen kunnen aan de besprekingen deelnemen. Landen als Angola en Cambodja die het zwaarst door de landmijnencrisis worden getroffen, zijn er niet vertegenwoordigd. Ten tweede leren de voorbije onderhandelingsrondes over andere wapensystemen dat onderhandelingen in de OC geen maanden, maar vele jaren, soms decennia aanslepen. Reden is dat alle beslissingen, zoals bij de herziening van de Conventie van 1980, met consensus genomen moeten worden. Dit veroorzaakt niet enkel enorme vertragingen maar ook een bijzonder minimalistisch resultaat. Ten derde vormen landmijnen niet zozeer een militair probleem, maar vooral een humanitair probleem dat dus te maken heeft met gezondheid, mensenrechten, economie, ontwikkeling en milieubescherming. Het is dan ook niet logisch het verbod te behandelen in een forum dat uitsluitend gericht is op het militaire aspect, temeer daar het is samengesteld vanuit de verdeling Oost/West. Vanuit het enorme humanitaire drama dat antipersoonsmijnen dagelijks veroorzaken en de urgentie van een verbod concludeerde de ICBL dat de OC geen goed forum is voor onderhandelingen.

De voorbije maanden had een intens getouwtrek plaats over de vraag: de OC in Genève of het Ottawa-proces, of beide? De VS, die zich nog niet achter een volledig verbod kunnen scharen, stellen zich met kracht op achter de OC in Genève. Voorlopig lijkt het erop dat het Ottawa-proces aan credibiliteit heeft gewonnen, ook ten gevolge van de conferentie in Brussel. Een mogelijk compromis kan inhouden dat men wedt op de complementariteit van beide pistes: de verdragstekst komt eind dit jaar in Ottawa tot stand, de verificatiemechanismen bij het verdrag worden in Genève onderhandeld. De Belgische regering toonde zich reeds voorstander van deze formule.

Een nieuw ontwerpverdrag

De komende maanden zal men onderhandelen over een ontwerpverdrag van Oostenrijk.

De huidige ontwerpdefinitie spreekt over een mijn ‘die is ontworpen om te ontploffen in de aanwezigheid, nabijheid of contact van een persoon’. Men zal aan druk moeten weerstaan om de betwiste bepaling uit de herziene Conventie van 1980 ‘in de eerste plaats’ (zie boven) uit de tekst te laten. Een tweede aandachtspunt betreft de volledigheid van het verbod: niet enkel gebruik, ook ontwikkeling, productie, opslag, enz. moeten verboden worden. Ten derde stelt het ontwerpverdrag dat de stocks antipersoonsmijnen vernietigd moeten worden binnen de drie jaar. Voor mijnen die reeds op het terrein gelegd zijn, neemt men een veel ruimere marge. Mijnen in een afgebakend mijnenveld moeten binnen 10 jaar worden opgeruimd. Mijnen die buiten een afgebakend mijnenveld werden rondgestrooid, moeten ‘zo snel mogelijk’ opgeruimd worden. Dit laatste is enorm voor interpretatie vatbaar. Ten vierde voorziet het ontwerpverdrag mechanismen om met meldingen van mogelijk gebruik van mijnen om te gaan: van een formele vraag om opheldering, over een vergadering van de verdragspartijen tot het sturen van een fact-finding mission. Er komen jaarlijkse overlegvergaderingen en een vijfjaarlijkse herzieningsconferentie bij het verdrag.

De komende maanden zullen verschillende landen nog afzwakkingen naar voren schuiven. De VS oefenen druk uit om een uitzondering te bekomen voor het geval van Zuid-Korea, d.w.z. dat ze zichzelf een verbod op antipersoonsmijnen zouden willen opleggen behalve voor de verdediging van Zuid-Korea. Hoewel het vanuit diplomatiek oogpunt te betreuren zou zijn indien de VS niet tot een verdrag voor een totaal verbod zouden toetreden, zou anderzijds het aanvaarden van dergelijke uitzondering een grote stap terug zijn en de deur openzetten voor vele andere uitzonderingen, bv. vanwege China, Pakistan en Finland. Groot-Brittannië streeft naar een uitzondering voor de mijnen die zijn achtergebleven op de Falklands, na de oorlog om de eilandengroep met Argentinië. Officiële reden is dat de kosten van het ontmijnen niet opwegen tegen de betekenis van dat te ontmijnen gebied.

Deze lawine aan uitzonderingen kan het uiteindelijke verdrag alsnog enorm aan betekenis doen inboeten. Beter is om de aangehaalde probleemgevallen te bespreken op de jaarlijkse overlegvergaderingen i.p.v. in de verdragstekst uitzonderingen te voorzien.

Daarom lanceerde de ICBL op het einde van de conferentie in Brussel een krachtige waarschuwing. Geen uitzonderingen voor specifieke types antipersoonsmijnen. Geen uitzonderingen voor bepaalde geografische gebieden. Geen mogelijkheid voor staten om ‘reserves’ te maken door het verdrag te ondertekenen en naderhand te verklaren dat ze nooit mijnen zullen gebruiken ‘tenzij ze de mijnen echt nodig hebben’. Geen uitholling die de definitie van antipersoonsmijnen wijzigt of aan antipersoonsmijnen een andere naam toekent.

3. De constructieve voortrekkersrol van landen als België

Een derde factor die het internationaal verbod vooruit helpt, is de voortrekkersrol die landen als België gespeeld hebben en nog spelen. De rol van het Belgisch parlement is hierin cruciaal geweest, ook voor de huidige positie van de Belgische diplomatie.

Het parlement schrijft geschiedenis

Na maandenlange debatten keurde de federale Kamer van Volksvertegenwoordigers op 2 maart 1995 unaniem een wet goed die antipersoonsmijnen in België verbiedt. De nieuwe wet rangschikt antipersoonsmijnen, valstrikmijnen en soortgelijke mechanismen onder de verboden wapens, zoals bepaald door artikel 3 van de wet van 1933 die betrekking heeft op vervaardiging, handel en gebruik van wapens door particulieren. Bovendien wordt gesteld dat de Staat of de Openbare Besturen, dus de strijdkrachten, deze tuigen gedurende een periode van vijf jaar niet meer kunnen aankopen, verstrekken of gebruiken. Dit verbod kan verlengd worden voor een zelfde periode via een Koninklijk Besluit. De enige uitzondering die in de wettekst voorzien is, betreft het aankopen en gebruiken van deze wapens met het oog op de opleiding van personen die belast zijn met ontmijningsoperaties.

België is het eerste NAVO-land en zelfs het eerste land ter wereld dat dergelijke strenge wet goedkeurt. Tijdens de debatten in het parlement opperde toenmalig Minister van Defensie Delcroix dat de goedkeuring van een absoluut verbod op het gebruik van antipersoonsmijnen België binnen de NAVO zou isoleren, België zou beletten zijn internationale verplichtingen na te komen en de veiligheid van de troepen in gevaar brengen. De minister diende een amendement in, maar op sterk aandringen van de vredesbeweging stemden de parlementsleden het weg.

De vrees dat België met deze wet geïsoleerd zou worden, is onterecht gebleken. De wet kreeg internationaal enorme weerklank. De afzwakking van de wet zou België internationaal juist naar de zijkant geduwd hebben. Ook meer en meer militaire experts betwisten de noodzaak van antipersoonsmijnen om de veiligheid van troepen te verzekeren.

Huiverig voor de voortrekkersrol

Het parlement gaf een duidelijk signaal. Toch heeft het nog heel wat overtuigingswerk gevraagd vooraleer de Belgische regering op internationaal vlak een voortrekkersrol voor een volledig verbod op zich wou nemen. Buitenlandse Zaken stond lange tijd huiverig tegenover een ondubbelzinnig pleidooi voor een volledig verbod. De reden hiervoor was tweevoudig. Ten eerste wou men de solidariteit met het gemeenschappelijk Europees compromis niet verbreken. Ten tweede maakte men de politieke afweging dat een ondubbelzinnig pleidooi voor een volledig verbod de Belgische kansen op beïnvloeding ‘in de goede richting’ van het herzieningsproces bij het Verdrag van 1980 zouden verminderen. Pas nadat de Senaat het amendement van Delcroix had verworpen en het wetsvoorstel had goedgekeurd, werd het ‘buitenlands standpunt’ van België in overeenstemming gebracht met het ‘binnenlands standpunt’. Vanaf dan nam België deel aan de informele samenkomsten, samengeroepen door de ICBL, van de pro-ban landen tijdens het herzieningsproces bij het Verdrag van 1980. De wet van het parlement en de gewijzigde positie van de regering bleken een uitstekende combinatie te zijn. De voortrekkersrol kreeg gestalte. België zat in juli 1995 de VN-conferentie over ontmijning voor. België was cosponsor van verschillende resoluties in de Algemene vergadering van de VN over landmijnen, en droeg bij tot de oprichting van een VN-ontmijningsfonds.

België bleef niet de enige voortrekker voor een volledig verbod. Naarmate de herziening van het Verdrag van 1980 vastliep, groeide het aantal landen dat zich wou profileren als dé voortrekker van een volledig verbod op antipersoonsmijnen… In de internationale diplomatie pleitten bv. Zweden en Oostenrijk vroeger dan België voor een volledig verbod.

Een Europees exportmoratorium

Ook op Europees niveau werden initiatieven ontwikkeld. Op 3 januari 1995 maakte de Minister van Buitenlandse Zaken een voorstel voor een Europees exportmoratorium op antipersoonsmijnen over aan zijn Europese collega’s. Maar toen de Europese Raad van Ministers op 12 mei 1995 tot een consensus kwam, bleek het gezamenlijk exportmoratorium bijzonder mager uit te vallen. Er werd besloten tot een verbod op de uitvoer van antipersoonsmijnen die niet detecteerbaar zijn of niet voorzien van een zelfvernietigend mechanisme, en dit voor alle bestemmingen. Aanvullend kwam er een exportverbod op alle andere types mijnen naar die staten die de Conventie van 1980 en het Protocol II nog niet hadden geratificeerd. Dit zgn. exportmoratorium leek meer op een zeef waarbij men bepaalde types mijnen tegenhoudt en andere doorlaat. Men kon toen blijkbaar niet verder gaan dan het beperkte exportmoratorium van Groot-Brittannië. Bovendien stemde men zich af op de zwakke regelgeving die in de maak was in het kader van de herzieningsconferentie.

In zijn resolutie van 29 juni 1995, waarin werd opgeroepen tot een volledig wereldwijd verbod op productie, opslag, overdracht, verkoop, uitvoer en gebruik van antipersoonsmijnen, stelde het Europees Parlement dat dit gezamenlijke exportmoratorium minder ver gaat dan de bepalingen die in de meeste bestaande moratoria van individuele lidstaten voorkomen en dat deze bepalingen natuurlijk geen enkele betrekking hebben op productie en opslag van antipersoonsmijnen. Het Parlement vroeg bovendien een Europese ban op productie van antipersoonsmijnen op het EU-grondgebied en door bedrijven die geregistreerd zijn in de Unie, alsook een verbod op het stockeren, vervoeren, verkopen en gebruiken van antipersoonsmijnen, onafhankelijk van het resultaat van de herzieningsconferentie. Het Parlement vroeg de lidstaten het technologisch onderzoek voor de productie en/of perfectionering van landmijnen stop te zetten en de fabrieken waar mijnen worden geproduceerd om te schakelen.

Op 1 oktober 1996, aan de vooravond van de samenkomst in Ottawa, onderneemt de Unie een tweede gemeenschappelijke actie. Daarin staat duidelijk te lezen: ‘De Europese Unie streeft naar een volledige opruiming van de antipersoonsmijnen en zal actief meewerken aan het zo snel mogelijk bereiken van een doeltreffende internationale overeenkomst om deze wapens wereldwijd te verbieden.’ Bovendien wordt de lidstaten gevraagd geen nieuwe licenties af te leveren betreffende de overdracht van technologie voor de productie van antipersoonsmijnen in derde landen.

Een tweede wet

Ook nadat de wet op 2 maart 1995 was goedgekeurd, was niet iedereen in België overtuigd. De Belgische legerleiding gaf een interpretatie aan de wet die het haar mogelijk zou moeten maken antipersoonsmijnen te kunnen blijven gebruiken in situaties die zij als uitzonderlijke noodsituaties omschreef. Daartoe wou de legerleiding verschillende tienduizenden mijnen in voorraad houden. Op de keper beschouwd, bleek de wet van maart 1995 het opslaan van antipersoonsmijnen niet te verbieden. Een nieuwe wet werd goedgekeurd op 24 juni 1996 om dit euvel te verhelpen. Bovendien werd in die nieuwe wet ingeschreven dat het leger verplicht is zijn voorraad binnen de drie jaar te vernietigen. Enkel voor de opleiding van ontmijningsinstructeurs kan men nog enkele duizenden mijnen in voorraad houden. Aldus werden alle betwistingen over interpretaties bij de eerste wet van tafel geveegd. In december 1996 werd een eerste groep van 313.000 antipersoonsmijnen van het leger vernietigd.

We merken nog op dat de wet van 1995 slechts voor een periode van vijf jaar geldt. Een amendement met betrekking tot het afschaffen van deze tijdslimiet werd voorgesteld bij de herziening van de wet in juni 1996, maar jammer genoeg niet weerhouden. Bijgevolg moeten de inspanningen hervat worden om het totale verbod in België ook voor onbepaalde duur in te stellen.

In aanvulling op de discussie over de Belgische wetgeving, benadrukken we dat Defensie een constructieve rol speelt inzake ontmijning. Ontmijningsinstructeurs van het Belgisch leger zijn actief in Cambodja, Laos, Bosnië-Herzegovina en Kroatië. Gezien de omvang van het mijnenprobleem en om het huidig engagement inzake ontmijning te verzekeren, bepleit Pax Christi een meerjarenplanning voor de opleiding van een extra aantal gespecialiseerde instructeurs voor humanitaire ontmijning.

4. De internationale NGO-campagne tegen landmijnen

Een vierde factor die het volledige verbod dichterbij helpt komen, is de inspanning van vele niet-gouvernementele organisaties. De ICBL is ontstaan in 1992 en sindsdien hebben meer dan 1.000 NGO’s, actief op het vlak van ontwikkeling, milieu, vrede en veiligheid, mensenrechten, medische en humanitaire hulp, zich aangesloten. Ook het Internationaal Comité van het Rode Kruis heeft de voorbije jaren, op internationaal vlak en via de nationale afdelingen, heel wat studiewerk gedaan en campagne gevoerd voor het verbod.

De kracht van de ICBL ligt in het benadrukken van de humanitaire gevolgen van het gebruik van antipersoonsmijnen, vooral voor burgers, decennia nadat een conflict is beëindigd. Meer en meer experts sloten zich aan bij de stelling van de ICBL dat het beperkte militaire nut van antipersoonsmijnen niet opweegt tegen de menselijke drama’s die mijnen veroorzaken. Een alsmaar groeiende stroom publicaties in steeds meer talen, talrijke conferenties, hoorzittingen, persmomenten, petities, acties, enz. gaven uitdrukking aan de mondiale beweging die tot stand is gekomen. Onder deze druk bleken meer en meer regeringen het zich niet meer te kunnen veroorloven afwezig te blijven uit de groep landen die een wereldwijd verbod willen. Op de conferentie van Brussel bedankte Minister Derijcke de NGO’s voor het onder druk zetten en houden van de delegaties…

Wat enkele jaren geleden nog een utopie leek, begint nu vaste vorm te krijgen. Aan de vooravond van de conferentie van Brussel hadden meer dan 50 landen de uitvoer van antipersoonsmijnen verboden. 15 landen zijn begonnen met de vernietiging van hun voorraden of hebben deze reeds volledig vernietigd. 30 landen hebben het gebruik van deze wapens verboden of opgeschort en 35 landen hebben aangekondigd dat ze de productie stopzetten. De Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en de organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) hebben elk een resolutie aangenomen die pleit om van het continent een mijnenvrije zone te maken.

Op 10 december 1996 keurt de Algemene Vergadering van de VN met 156 stemmen voor, 0 tegen en 10 onthoudingen een resolutie goed die de lidstaten oproept de internationale vooruitgang die werd geboekt met betrekking tot een verbod op het gebruik, de productie en het transport van antipersoonsmijnen ‘krachtig verder te zetten’ en om de onderhandelingen zo snel mogelijk af te ronden.

Besluit

Vier factoren bouwden de snelweg naar een wereldwijd verbod: het falen van de herziening van het Verdrag van 1980, het Ottawa-proces als geloofwaardig alternatief, een constructieve voortrekkersrol van o.a. België en de volgehouden druk van de NGO’s.

Indien in december 1997 in Ottawa een verdrag tot stand komt dat op correcte wijze, zonder uitzonderingen of afzwakkingen, uitdrukking geeft aan het volledig verbod, start een volgende fase in de internationale campagne: de ondertekening en ratificatie van het verdrag door zoveel mogelijk landen. België kan in bilaterale relaties en in multilateraal verband andere staten aansporen het verdrag zo vlug mogelijk te ratificeren.

Vervolgens zal moeten toegezien worden op de vernietiging van 100 miljoen antipersoonsmijnen in stock over de hele wereld. Het gebruik van antipersoonsmijnen moet geschrapt worden uit de militaire strategie van militaire bondgenootschappen en in de ‘rules of engagement’ van alle internationale militaire operaties. We verwijzen in dit verband naar de resolutie van de parlementaire vergadering van de WEU op 3 juni 1997.

Tot slot moeten de inspanningen inzake ontmijning worden opgevoerd: meer fondsen voor onderzoek naar ontmijningstechnieken, een meerjarenplanning voor de opleiding van een veelvoud aan gespecialiseerde instructeurs voor humanitaire ontmijning en meer assistentie aan mijnenslachtoffers. Met deze maatregelen zal het nog tot ver in de 21ste eeuw duren voor de wereld mijnenvrij is geworden.

Beknopte bibliografie

- DE VRIEZE Franklin, Landmijnen en laserwapens: van het regelen naar het verbieden van het gebruik, In: De gids op maatschappelijk gebied, december 1995, p. 975-990.

- DE VRIEZE Franklin (red.), Het Wapen van de lafaards. Waarom de landmijnen de wereld uit moeten, Uitgave Vlaamse Vredesweek, 1994, 112 p.

- HUMAN RIGHTS WATCH, Landmines. A Deadly Legacy, New York, 1993, 510 p.

- ROBERTS Shawn and WILLIAMS Jody, After the Guns fall silent. The enduring Legacy of Landmines, Washington D.C., Vietnam Veterans of America Foundation, 1995, 554 p. + summary, 58 p.

- STEVENS Bart en DE VRIEZE Franklin, Landmijnen: opruimen en vernietigen. Met suggesties voor een actiever Belgisch beleid, Pax Christi Publicatie, maart 1997, 32 p.

- VERSCHRAEGEN Joeri, Een verkenning van het landmijnendebat met bijzondere aandacht voor de discussie in de Belgische politiek. Scriptie voor het behalen van de graad van licentiaat in de Politieke Wetenschappen, Universiteit Gent, juni 1997, 230 p.

De auteur is stafmedewerker van Pax Christi Vlaanderen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift