De stille zuivering van de Westelijke Jordaanoever

Ver van de camera’s van de internationale media voert Israël ongemerkt een stille zuivering door van bezet grondgebied. Simone Korkus begaf zich voor MO* naar afgelegen en halfverlaten dorpen en sprak met de bewoners en hun verdedigers.
  • Nir Kafri De veertig jaar oude streekschool zou moeten afgebroken worden. Nir Kafri
Um Faqara is de zuidelijkste punt van de Westelijke Jordaanoever. Een handvol primitieve krotten gebouwd op holen in een gortdroog rotslandschap. Het is middag en het dorp lijkt uitgestorven, afgezien van twee geiten die grassprietjes tussen de rotsen proberen los te trekken. Abir, moeder van drie kleuters, zit voor haar grot. Vanochtend is ze gevallen. Haar arm is opgezwollen en paarsblauw verkleurd. Waarschijnlijk is hij gebroken, maar de dichtstbijzijnde kliniek in At Tuwani, twintig kilometer verderop, is alleen op woensdag open. En vandaag is het zondag.
Ze wenkt ons binnen. In de grot is het donker en klam. Een vuurtje zorgt voor verwarming en doet dienst als fornuis. Er is geen elektriciteit, geen waterleiding (eens in de twee weken levert een tankwagen water), en er zijn geen wegen of auto’s.
‘Nog niet zolang geleden’, vertelt Abir, ‘stonden hier huizen, een moskee en twee waterputten. Ons dorp dateert van het begin van de twintigste eeuw en de elf families die er nu wonen, zijn directe nazaten van die eerste Palestijnse bewoners. De mannen zijn herders, we leven van ons land en we hadden nooit problemen.’
Maar dat was vroeger. Sinds tien jaar spelen de Israëlische overheid en het leger een sinister kat-en-muisspel met de bewoners. De mannen waren in de vroege ochtend met hun kuddes vertrokken, de vrouwen waren alleen thuis. Plotseling vielen Israëlische tanks het dorpje binnen en maakten alles met de grond gelijk. De bewoners vluchtten de heuvels in. Volgens Israël hadden ze geen bouwvergunning, maar dat noemt Abir absurd, want de huizen waren er al vóór de Israëlische bezetting.
In 2000 eisten de bewoners bij de Israëlische rechter teruggave van het land en een bouwvergunning. Die zaak is nog steeds in behandeling. Abir: ‘Toen we niets hoorden, besloten we terug te keren en zijn we in deze grotten gaan wonen. Maar nu hebben we zelfs een sloopaanzegging voor de grotten! En onze gloednieuwe moskee –een schuurtje van zes vierkante meter– staat op de lijst om afgebroken te worden.’
De vraag is: welk belang heeft Israël bij de afbraak van krotten in een uitgestorven gebied? En waar moeten de bewoners naartoe?

Pest of cholera


Een kapotgereden toegangsweg –cadeautje van Israël ter gelegenheid van het bezoek van Tony Blair in maart 2009– leidt naar het vijfhonderd jaar oude dorp At Tuwani. Hier moeten volgens Israël het nieuwe ziekenhuis, betaald door de internationale gemeenschap, en de veertig jaar oude streekschool met zijn honderd leerlingen worden afgebroken. De bouwwerken zijn illegaal, zegt Israël.
Psycholoog Alla Awasish, betrokken bij een sociaalpsychologisch project in de gemeente, beschrijft het als volgt: ‘De mensen leven hier onder constante dreiging. Ze zijn bang om hun huis, school en ziekenhuis te verliezen. Ze zijn bang voor de Joodse kolonisten uit de nabijgelegen nederzettingen, die soms het dorp binnenvallen en vernielingen aanrichten. Hun sociaaleconomische omstandigheden zijn erbarmelijk. De meeste gezinnen leven van minder dan vijftig eurocent per dag. Sommige kinderen zijn ondervoed.’
Khaled Ammayreh, Palestijns journalist en medeoprichter van The Palestinian Information Center (PIC), heeft de zaak onderzocht. ‘Afbraak van huizen en ontruiming komt momenteel overal op de Westelijke Jordaanoever voor. Zo’n 140 Palestijnse dorpen in de zogenaamde C-zone (zie kaderstuk) worden met afbraak bedreigd. Israël beschouwt deze zone, die zestig procent van de Westbank beslaat en waar Joodse nederzettingen zijn gebouwd, als Israëlisch gebied.’
Volgens Ammayreh heeft Israël gedurende de bezetting van de Westelijke Jordaanoever onder andere land voor kolonisten verkregen door Palestijnen collectief te verdrijven via ontruimingen en sloop. Officieel argument is dat Palestijnen er illegaal wonen, dat ze weg moeten om veiligheidsredenen of dat het land nodig is voor militaire doeleinden. Huisuitzettingen treffen vooral de zwakste en armste Palestijnse gemeenten, in afgelegen gebied of ingesloten door Joodse nederzettingen of de Muur. De meeste bewoners zijn boeren of herders. Hun land is hun bron van inkomsten, het verlies brengt ze aan de bedelstaf.
Ammayreh: ‘Omdat Israël weigert Palestijnen in de C-zones water en elektriciteit te leveren, scholen te bouwen en infrastructuur aan te leggen, zijn de leefomstandigheden zo onhoudbaar dat vooral de jongere generatie wegtrekt naar de steden.’
Ouderen blijven vaak rondzwerven bij hun vernielde woning, leven in tenten of trekken in bij familie. De jongeren trekken naar de A-zones, zoals Ramallah en Bethlehem; steden die door de Palestijnse Autoriteit worden bestuurd en veiliger zijn, denken ze. Maar ook daar heerst werkeloosheid en overbevolking – vaak zijn ze nog slechter af dan in hun oorspronkelijke woonplaats, weet Ammayreh.

Legale spitsvondigheden


Kunnen de bewoners, als Israël de huizen sloopt omdat ze onwettig zijn, niet gewoon een bouwvergunning aanvragen? Nee, zegt Alon Cohen-Lifshitz, Israëlisch architect en planoloog van Bimkom, een mensenrechtenorganisatie die toeziet op infrastructuur en planologie.
‘De C-zone is al grotendeels verboden terrein voor Palestijnen. In 1967 nam Israël 70.000 hectare “staatsland” over van Jordanië. In de jaren zeventig werden nog eens duizenden hectaren Palestijns privéland via militaire orders geconfisqueerd. Daar werden Joodse nederzettingen gebouwd. Sinds 1979 mag dat niet meer van de Hoge Raad, dus gebruikte Israël een ander middel.’
‘De regering verklaarde nog eens 30 procent van de Westbank tot Israëlisch staatsland, dat Palestijnen niet mogen gebruiken. Tel daarbij op de duizenden hectare die Israël inmiddels tot natuurgebied, inspectiezone en veiligheidsgebied heeft verklaard, en het uitgebreide wegennet dat alleen voor kolonisten toegankelijk is, dan blijft er nog 30 procent van de C-zone over voor Palestijnen. Maar,’ besluit hij, ‘door een zeer restrictief Israëlisch bouwvergunningenbeleid kunnen Palestijnen in werkelijkheid maar op één procent van dat land bouwen.’
In de C-zones hadden inwoners aanvankelijk via lokale plancommissies inspraak in de bestemming van het land en de toekenning van bouwvergunningen. Maar in 1971 vaardigde Israël een militaire order uit –het mocht als bezettende macht geen lokale wetten afschaffen– die lokale plancommissies voor Palestijnen afschafte en het verlenen van bouwvergunningen uitsluitend via de Israëlische civiele administratie liet lopen.
Voor Israëlische inwoners gold deze order niet. De Palestijnen staan dus buitenspel wat wijzigingen of aanvullingen op bestemmingsplannen en de verlening van bouwvergunningen betreft. De civiele administratie gebruikt sterk verouderde Britse bestemmingsplannen uit 1940 om de sloop van woningen en het afwijzen van bouwvergunningen te rechtvaardigen.
Per jaar verstrekt de civiele administratie dertien bouwvergunningen aan Palestijnen, wat bij lange na niet voorziet in de natuurlijke groei van de 150.000 Palestijnen in de C-zone. Dus bouwen ze zonder vergunning, en vaardigt Israël iedere maand vijftig sloopbevelen uit. In 2009 werden die bevelen in totaal 240 keer uitgevoerd. De Joodse kolonisten hebben intussen wel hun eigen planningscommissies en geven zelf vergunningen af.
Bimkom probeert deze ongelijkheid aan de kaak te stellen. Cohen-Lifshitz: ‘We tekenen beroep aan tegen beslissingen van de civiele administratie en begeleiden Palestijnse gemeenten bij het aanvragen van vergunningen. Ons uitgebreide onderzoeksrapport over het beleid in de C-zones is gedeeltelijk door de Verenigde Naties overgenomen.’

Betwist gebied?


Vlak bij At Tuwani ligt de Joodse nederzetting Maon. Achter een ijzeren toegangspoort –Palestijnen worden niet toegelaten– ligt een heerlijke wereld met asfaltwegen, geïrrigeerde grasvelden, een supermarkt en woonblokken. Aan de dorpsrand verrijzen nieuwe wooneenheden. Dertig jaar geleden werden de weidegronden van At Tuwani en andere Palestijnse dorpjes tot militaire zone verklaard en verrees Maon als paramilitaire voorpost. Tegenwoordig is de nederzetting met zestig Joodse families en een melkbedrijf met 400 koeien een van de grootste zuivelproducenten. De woonlasten zijn laag en Israël verleent vestigingssubsidies: een perfecte locatie voor jonge Israëlische boeren.
Volgens de Vierde Geneefse Conventie mag Israël geen eigen burgers naar bezette gebieden verhuizen en geen gebouwen slopen of grond confisqueren of onteigenen die aan Palestijnen toebehoort. Volgens de VN is Israël bovendien verantwoordelijk voor de voorziening in de eerste levensbehoeften van de bezette bevolking en voor hun mensenrechten, waaronder het recht op een woning.
In de praktijk worden volgens Cohen-Lifshitz de eigendomsrechten van Palestijnen consequent geschonden door Joodse kolonies te vestigen, Palestijns land te confisqueren en infrastructuur aan te leggen die alleen voor kolonisten toegankelijk is. Cohen-Lifshitz schat dat het Israëlische beleid de sociaaleconomische rechten van een miljoen Palestijnen schendt: de 150.000 inwoners van het gebied plus Palestijnen die land en bezittingen in de C-zone hebben, maar elders wonen.
Israël bestrijdt dat. Op de Westelijke Jordaanoever hebben eeuwenlang Joden gewoond, waarom zou dat nu niet meer mogen? ‘Als Israëliërs geen huizen op de Westelijke Jordaanoever mogen bouwen, dan moet het ook Palestijnen verboden worden. Dit is betwist gebied’, zei de Israëlische premier Netanyahu onlangs.

Dit is mijn land


‘Kijk, daar ligt ons dorp.’ Burgemeester Achmed van het dorp Susia wijst naar een groep verlaten huizen zo’n halve kilometer verderop. Tijdens opgravingen vond men hier overblijfselen van een synagoge. Enkele maanden geleden laadde het Israëlische leger de bewoners in bussen om ze op dit braakliggende terrein weer uit te spuwen. Susia werd een soort bedevaartsoord voor religieuze kolonisten en iedere Palestijn die in de buurt durft te komen, loopt het risico door soldaten te worden beschoten. Inmiddels is achter het oude dorp een nieuw Susia verrezen: een Joodse nederzetting.
Achmed, pragmatisch: ‘We proberen in dit tentenkamp een nieuw leven op te bouwen. We wekken onze eigen elektriciteit op met zonnepanelen en windmolens. Dankzij internationale en Israëlische hulp is er watervoorziening. Onze kinderen gaan met busjes naar school en onze tenten worden hopelijk vervangen door nieuwe woningen.’ Al zijn optimisme ten spijt werd dit gebied onlangs tot militaire zone verklaard. Wat nu, vraag ik. Achmed haalt zijn schouders op: ‘Ik zie geen oplossing. Als ze nu mijn tent afbreken, dan bouw ik ze gewoon weer op, want dit is mijn land. Hier wil ik wonen.’

Zone C


De Oslo-akkoorden (1993) verdeelden de Westelijke Jordaanoever in drie zones. In zone A (17 procent) is de Palestijnse Autoriteit (PA) verantwoordelijk voor de veiligheid; in zone B (24 procent) heeft de PA de civiele macht maar bestuurt Israël de veiligheid; zone C (59 procent) wordt volledig door Israël bestuurd. Volgens ‘Oslo’ zou Israël het bestuur over zone C geleidelijk aan de Palestijnen overdragen, maar dat is nooit gebeurd.
De organisatie Save The Children onderzocht vorig jaar gedwongen ontheemding in zone C (als gevolg van gedwongen ontruiming, sloop op grond van illegale bouw, gebrek aan voorzieningen en landconfiscatie) in zone C en concludeerde dat:
  • tienduizenden Palestijnse families hun woning dreigen te worden uitgezet; 
  • 49 procent van de Palestijnen sinds 2000 minstens één keer met ontruiming te maken heeft gehad; 
  • slechts 37 procent van de Palestijnen er voldoende te eten heeft; 
  • 92 procent geen toegang heeft tot medische voorzieningen.

Een VN-rapport uit december 2009 stelt dat:
  • Palestijnse bouw in 70 procent van zone C (oftewel 44 procent van de Westelijke Jordaanoever) door Israël verboden is omdat die grond tot staatseigendom is verklaard of tot gesloten militair terrein; 
  • vergaande beperkingen de aanvraag van bouwvergunningen door Palestijnen in de resterende 30 procent van zone C praktisch onmogelijk maken; 
  •  sinds 2000 in zone C 2450 Palestijnse bouwwerken zijn afgebroken wegens het ontbreken van een bouwvergunning.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift