De strijd om het aards paradijs

De bezetting van Irak is deze maand een jaar oud. De oude dictator zit ergens achter tralies, de almachtige partij is van de aardbodem verdwenen en de overwinnaars moeten nog elke dag hun gesneuvelden tellen. Zestig procent van de Iraakse bevolking is sjiiet. Hoe kijken zij aan tegen de bezetting en hoe zien zij hun toekomst? Soaade Messoudi trok voor MO* naar de wieg van de beschaving, samen met fotograaf Karim Abraheem, voor wie dit het eerste bezoek was aan zijn geboorteland sinds 1980.
‘Wij zijn moe. Laat ze weten dat we moe zijn.’ Iman Shia’a Abdellah, onze vijfendertigjarige gastvrouw in Bagdad, valt meteen met de deur in huis. Haar hoop op een betere toekomst is groot, maar heeft de wanhoop van de voorbije jaren duidelijk nog niet kunnen inhalen. Ik besluit mijn klaagzang over de ellendige rit voor mezelf te houden. Wat zijn dertien uren tegenover meer dan twintig jaar onafgebroken miserie? De afmattende autorit van de Jordaanse hoofdstad Aman naar Bagdad bracht ons dwars door de uitgestrekte, kale steenwoestijn van de provincie Anbar. Tot onze grote verbazing kwamen we onderweg geen enkel checkpoint tegen.
Enkele weken later zou ayatollah al-Sistani daarover een woedende uitval tegen de Amerikaanse bezetter doen, na de moordende terroristische aanslagen in Kerballah op het hoogtepunt van het sjiitische feest Ashurah. Zelfs aan de grensovergang was er geen controle van de inzittenden. Het enige wat de Iraakse douanebeambte vroeg, was of we een aids-test konden voorleggen. Dat, zo bleek later, is een codewoord voor ‘baksjisj’. Ahmed, de taxichauffeur, schoof discreet een briefje van tien Jordaanse dinar in onze paspoorten en daarmee was de kous af.

Goodmorning Bagdad!


De eerste kennismaking met Bagdad is vluchtig en vooral mistig. Er hangt een grote bruine smogwolk over de daken. De stad van duizend en een nacht ziet er bij heldere hemel nog somberder uit. De grauwe, grijsbruine gebouwen zijn na jaren oorlog en embargo zwaar verwaarloosd of beschadigd. Elektriciteitsdraden hangen gevaarlijk laag en kriskras over de straten, en voor belangrijke gebouwen liggen zandzakken, prikkeldraad en afval. Vooral veel afval, overal. De brede boulevards, eens de trots van een welvarend land, zijn vuil en stoffig. De kleinere straatjes en steegjes zijn veranderd in grote modderplassen die vaak een ondraaglijke stank verspreiden.
Iad Yassin, onze dertigjarige sjiitische gids, steekt zijn aversie voor de Amerikaanse bezettingstroepen niet onder stoelen of banken. ‘De Amerikanen hebben van de verschillende paleizen van Saddam, eigenlijk eigendom van het volk, hun hoofdkwartier gemaakt. In het grootste paleis zit Paul Bremer en de Coalition Provisional Authority. Ze hebben gewoon de plaats van Saddam ingenomen. We zijn nu al een jaar “bevrijd” maar op sommige vlakken is de toestand zelfs erger geworden.’
Het verkeer zit muurvast, wat Iads frustratie nog vergroot. ‘Waarschijnlijk weer een aanslag, een ontploffing of een belangrijke delegatie die voorbijkomt’, zucht hij. We besluiten de wagen achter te laten en te voet verder te gaan. Onderweg geeft hij er ook de bommenleggers van langs: ‘Moslims die “de grote Satan” willen bestrijden, kunnen dat toch ook in hun eigen land? De Amerikanen zijn daar toch ook? Ik word er niet goed van als ik de discussies over Irak hoor die gevoerd worden op bijvoorbeeld Al Jazeera. Dat station zendt nota bene uit vanuit Qatar, waar de grootste Amerikaanse marinebasis in de Golf gevestigd is.’
Bovendien vallen er bij die zogenaamde terreurdaden opvallend veel Iraakse burgerslachtoffers, vindt Iad Yassin. ‘Daar moet meer achter zitten. Ons land is overspoeld door allerlei duistere geheime diensten: de Mossad, de CIA … Het zou mij niet verbazen als zij daar de hand in hebben. Op deze manier kunnen de westerse mogendheden, die elk een deel van de Iraakse rijkdom opeisen, hun aanwezigheid hier rechtvaardigen.’ Het is een bedenking die ik in Irak nog vaak te horen krijg.

Was je handen!


Anderhalf uur later bevinden we ons in Mutanabi, het intellectuele centrum van Bagdad. Er heerst een gezellige, ingetogen drukte. Soennieten, sjiieten, Koerden, communisten, jong en oud, iedereen schuimt hier de kleurrijke boekenstalletjes en winkels af. Televisies, radio’s, satellietschotels en andere ontvangstapparatuur blijken populair. De informatiehonger van de Irakezen is niet te stillen. Decennia lang waren ze volledig afgesloten van de buitenwereld.
‘Het enige wat we op tv of in de kranten te zien kregen, was Saddam’, vertelt een van de boekhandelaars. ‘Saddam doet dit, Saddam doet dat. Saddam spelde ons altijd de les. Het was doodnormaal dat een voetbalwedstrijd op het spannendste moment onderbroken werd voor Saddams zoveelste belangrijke “boodschap van algemeen nut”. Genre: was altijd je handen voor het eten! Nu kunnen we ermee lachen, maar toen liepen we er de muren van op.’
De bedoeling was duidelijk: Saddam was overal, op tv, in de krant, om de hoek, zelfs in je huis. ‘We leefden met angst in ons hart. Je kon niemand vertrouwen, zelfs je eigen familie niet. Jarenlang had ik stiekem een satellietantenne thuis. Niemand behalve mijn vrouw wist dat, zelfs mijn kinderen niet. Wie betrapt werd, vloog zonder pardon de gevangenis in.’ Voor het boekenwinkeltje staan drie mannen, twee Koerden en een soenniet, geamuseerd mee te luisteren. ‘Een jaar geleden had je inderdaad niet zoveel praat’, grapt een van hen.
De twee Koerden stellen zich voor als journalisten van de Koerdische krant Al Itihad De Bond. Zij vertellen dat de oorzaak van de gigantische verkeersopstopping een demonstratie was. ‘Het volk is op straat gekomen om, in navolging van Ayatollah Sistani, verkiezingen te eisen’, zegt een van de journalisten. Heeft hij het over de sjiieten, vraag ik. Zijn soennitische vriend komt tussen: ‘Nee, niet enkel de sjiieten zijn voor vrije verkiezingen. Ik ben soenniet en ik sta volledig achter de eis van Sistani. De vraag om democratie heeft niets te maken met religieus sektarisme ze raakt alle Iraki’s, ongeacht hun etnische of religieuze identiteit.’ Zijn collega knikt bevestigend en giet de thee uit het glaasje in zijn schoteltje om het op de typisch Iraakse wijze te kunnen drinken. ‘Hoezeer men ook probeert verdeeldheid te zaaien, wij weigeren in die val te trappen. Alle Iraki’s -Koerden, sjiieten en soennieten zijn het slachtoffer geweest van jarenlange dictatuur. Het is nu tijd om de handen in elkaar te slaan voor democratie. En dat is juist wat de Amerikanen en Britten ons niet gunnen.’

De toekomstige tijd van het geloof


Overal in Bagdad zijn de afbeeldingen van Saddam vernietigd of, vaker nog, vervangen door beelden van sjiitische religieuze leiders. En dat zijn er veel. Wie denkt dat de Iraakse sjiieten een homogene groep vormen, heeft het bij het verkeerde eind. We zijn op weg naar Medinat Sadr, voor een bezoek aan sjeik Mohamed Tsjesir. Aan de ingang van de wijk -vroeger Saddam City genoemd- prijken twee immense, ovaalvormige muurschilderingen met sjiitische martelaren. De ene is de vader van de jonge, radicale Muqtada Sadr, de andere was een groot denker en het boegbeeld van de Islamic Da’awa Party, die deel uitmaakt van de Coalition Provisional Authority. Beiden werden door Saddam vermoord. De sjeik ontvangt ons met ongeschonden, Arabische gastvrijheid. Op mijn bord ligt een halve kip gewikkeld in een typisch Iraaks brood, daarnaast rijst, sla en de typische Iraakse mezze.
De macht van de tribale leiders of sjeiks is altijd al afhankelijk geweest van het centrale gezag. Saddam gaf de sjeiks meer macht en mogelijkheden, en speelde ze zo uit tegen de religieuze, sjiitische leiders. Op die manier slaagde Saddam erin de aandacht af te leiden van de religieuze gemeenschappelijkheid tussen de Iraanse en de Iraakse sjiieten, en benadrukte hij de nationale samenhang onder Irakezen.
Sjeik Mohamed Tsjesir is een zwaarlijvige reus. Hij moet zijn volle gewicht in de schaal gooien om ons deze grimmige, verpauperde wijk zonder kleerscheuren in en weer uit te laten komen. Zodra we ons in de hoofdstraat begeven, worden we achternagezeten door een massa joelende kinderen die spontaan anti-Amerikaanse slogans beginnen te roepen. Wanneer ik een foto probeer te nemen van een jong meisje dat in een jerrycan benzine verkoopt, word ik belaagd door mannelijke familieleden. Zodra ze de sjeik opmerken, verontschuldigen ze zich uitvoerig en maken ze rechtsomkeert. Ook al genieten de sjeiks veel aanzien en blijven ze een belangrijke rol spelen in de Iraakse samenleving, toch is het overduidelijk dat, sinds de val van Saddam, de macht onder de sjiieten verschoven is van de sjeiks naar de religieuze leiders.
Mohamed Tsjesir definieert zichzelf als sjiiet én communist. Tot 1978 was hij actief lid van de Iraqi Communist Party (ICP). ‘Het communisme heeft een grote aantrekkingskracht op de sjiieten’, zegt hij, ‘omdat het veel overeenkomsten vertoont met de sjiitische filosofie.’ De zonen van de sjeik en de jongeren van Medinat Sadr voelen zich dan weer sterk aangetrokken door de politieke islam van Muqtada Al Sadr, de jonge radicale leider die teert op de populariteit van zijn vermoorde vader. Overal zie je hem afgebeeld, met zijn vader op de achtergrond en Muqtada zelf in de pose van de toegewijde en respectvol neerkijkende zoon. De jonge generatie is opgegroeid in een klimaat van angst, repressie, opeenvolgende oorlogen en een moordend embargo. Ze hebben verlichting gezocht en gevonden in religie en spiritualiteit. Het gevolg is dat Medinat Sadr vandaag een broeinest is van dynamische en politiek assertieve, jonge clerici.
Enkele dagen later en heel wat kilometers verder, kom ik dezelfde Muqtada opnieuw tegen. We zijn op weg naar El Amara, in het zuiden van Irak, een stad die ook wel het Venetië van het Midden-Oosten wordt genoemd. De reis vanuit Bagdad duurt normaliter vijf uur, maar de hevige regenval heeft de stoffige wegen in diepe modderplassen veranderd. Halfweg zitten we vast in een gigantische file, aan een brug die tijdens de oorlog opgeblazen werd en die tijdelijk vervangen is door een smalle doorgang waar één auto tegelijk door kan. Na bijna twee uur wachten komt er nog steeds geen schot in de zaak. Chaos. Ellende. Politie noch Amerikanen laten zich zien. Mensen stappen uit, er ontstaan hevige discussies, anderen maken ten einde raad rechtsomkeert en komen hopeloos vast te zitten in de diepe modderpoelen langs de weg.
 Uiteindelijk komt de verlossing dan toch. ‘Ya Ali’, hoor ik een chauffeur opgelucht uitroepen. ‘Alhamdullilah -godzijdank- het leger van Mahdi!’ Het zijn de vrijwilligers van Muqtada Sadr. De militie werd, zonder bescheidenheid, genoemd naar de Mahdi of messias van de sjiieten. Geen wonder dat de populariteit van Muqtada blijft stijgen onder de bevolking. ‘Ik moet die man niet’, zegt onze taxichauffeur bedenkelijk. ‘Hij is nog te jong om zo’n leiderschapsrol op zich te nemen en hij moet nog veel leren. Maar overal waar er problemen zijn, komt hij wel vaak als eerste de mensen te hulp.’

De verleden tijd van de Tuin van Eden


‘Hallo, Kadem! Ben jij het? Is dat niet lang geleden!’ Kadem Saleh veert recht en brengt de mechahouf , een kanoachtig bootje waarmee we de Tigris afvaren, gevaarlijk aan het schommelen. Hij tuurt lachend in de verte. Twee vrouwen in een bootje zwaaien hem nog even na en roeien dan rustig verder. In de verte zien we waterbuffels door het diepe, lichtblauwe water van het moeras zwemmen. ‘Het leven komt terug’, lacht Kadem.
‘Alhamdullilah, voor het eerst na jaren is er opnieuw een beetje vis in de Hor.’ Zijn gespierde lichaam, gehuld in een bruingroene camouflagejas, straalt kracht uit. De blik in zijn ogen verraadt echter het verdriet en de wanhoop die onlosmakelijk verbonden zijn met een bewogen rebellenleven. Negenentwintig jaar is Kadem, maar hij lijkt wel tien jaar ouder. Kadem was twaalf toen hij besloot om zich aan te sluiten bij de Badr Brigade, het rebellenleger van Ayatollah Bakr Al Hakim, die in augustus 2003 om het leven kwam bij een aanslag in Najaf.
‘Ik heb die beslissing genomen nadat ons huis in brand werd gestoken door de Baathisten’, vertelt Kadem. Sinds de opstand van de sjiieten in 1991 leefde hij onafgebroken in dit moeras, de Hor Al Sinaf, dat zich uitstrekt langs de grens met buurland Iran. ‘Van hieruit lanceerden wij onze acties tegen het regime van Saddam. Bakr Al Hakim leefde toen in ballingschap in Iran. Wij kregen onze orders rechtstreeks vanuit Teheran. De levenscondities waren hard. Er was een gebrek aan drinkwater en we hebben vaak honger geleden. Ons dieet bestond uit vis, brood en water. We hebben veel steun gekregen van de oorspronkelijke bewoners, maar de moerassen werden daardoor een doelwit voor het regime van Saddam. Veel moeras-Arabieren moesten hun eeuwenoude levenswijze achter zich laten op zoek naar veiliger oorden.’
De moeras-Arabieren leven in het zuidoosten van Irak tussen de steden El Amara, Basra en Nasiriyah, in wat eens het uitgestrekte Mesopotamische moeras was, aan de uitlopers van de Tigris en de Eufraat. Het gebied geldt als een van de belangrijkste natuurgebieden van het Midden-Oosten en is volgens bijbelonderzoekers de plek waar het bijbelse verhaal van het hof van Eden zich afspeelt. De inwoners van deze rietzee zijn de nakomelingen van de Sumeriërs, een vissersvolk dat 6000 jaar geleden in dit gebied leefde. De rijst, die hier rond 1000 voor Christus werd geïntroduceerd, werd beschouwd als een van de fijnste en meest voedzame rijstsoorten in de wereld. Het Aards Paradijs was echter zo bedreigend voor Saddam Hussein dat hij het gebied liet droogleggen. Volgens het milieuprogramma van de VN is het moeras voor 93 procent opgedroogd.
Daags na ons bezoek aan de prachtige Hor Al Sinaf rijden we van El Amara naar Majar Al Kebir, een klein dorpje waar enkele maanden geleden zes Britten zijn omgebracht. Deze regio staat bekend als een bolwerk van aanhangers van Muqtada Al Sadr. Zonder sluier kom ik hier niet ver. Twee lokale sjeiks en hun lijfwachten, gewapend met kalashnikovs, vergezellen ons. Geen leuke bootjes ditmaal: er is in de verste verte geen druppel water te bespeuren. Wat er overblijft van de moerassen zijn uitgedroogde bodems en armtierige lemen huisjes. Het enige riet wordt gebruikt als omheining of ter isolatie op het dak. Armoede en wanhoop doen de criminaliteitscijfers hier uit de pan swingen. Kidnapping en overvallen zijn in deze regio schering en inslag.
‘De weg waarop we rijden is een van de dammen die het water tegenhoudt’, legt sjeik Abdelilah Menchad Khalifa uit. ‘Het water van de Tigris en de Eufraat, die eens in de moerassen uitmondden, vloeit nu in het kanaal dat parallel met de dam loopt. De humanitaire en ecologische kost van deze misdaad is niet te overzien. Deze drooglegging gebeurde na de eerste Golfoorlog, onder het toeziend oog van de internationale gemeenschap. Geen haan heeft er toen naar gekraaid. Overal heeft Saddam mijnen laten plaatsen om zijn dammen te beschermen tegen sabotageacties van de rebellen en van de lokale bevolking die moest toekijken hoe hun enige bron van leven, hun natuurlijke wateromgeving, moedwillig vernietigd werd door een meedogenloze tiran.’

De opstand van 1991


‘En bekamp hen zodat er geen chaos ontstaat!’ Met dat citaat uit de koran (soera 73, El Anfal) begint het pamflet dat Saddam in 1991 liet uitstrooien over het zuiden van Irak, op de vooravond van de gewelddadige onderdrukking van de spontane volksopstand. Wathba, een vijfendertigjarige sjiitische lerares uit El Amara, is die dag nog niet vergeten. ‘Exact drie uur kregen we om het noodzakelijke in te pakken en ons in veiligheid te brengen buiten de stad. Wie bleef, stond er geschreven, was zelf verantwoordelijk voor zijn lot. We zijn toen halsoverkop vertrokken.’
De familie heeft zich dagenlang schuil gehouden op het platteland, onder de beschutting van enkele palmbomen. Na drie dagen was het beetje water dat ze bij zich hadden op en Wathba herinnert zich hoe ze op zoek moest naar drinkwater. ‘Ik volgde een groep vrouwen en vroeg hen waar ze water dachten te vinden, waarop ze naar de kleine plas voor mij wezen. Geschokt keek ik toe hoe ze het water met een glas of blik opschepten en een nylonkous over de emmer of fles trokken om het als zeef te gebruiken. Ik had geen keuze. Het was dit of niets. Toen we na een zware week naar huis terugkeerden, bleken vele jongeren verdwenen of vermoord.’
Wathba, wiens naam “opstand” betekent, staat heel sceptisch tegenover de Britten en Amerikanen, al krijgen de Britten wat meer krediet. Zij zijn tenminste beleefd en vriendelijk. Ze zijn op een positievere manier aanwezig. In El Amara bijvoorbeeld lieten ze werkloze jongeren de straten opkuisen voor 2 dollar per dag. ‘Ik geloof niet dat ze hier zijn voor ons of om democratie een kans te geven in dit land. Kijk naar wat er nu gebeurt. Wij vragen verkiezingen, maar dat zint hen helemaal niet. “Onze bevrijders” wringen zich nu in allerlei bochten om onze democratie uit te stellen of af te wenden.’

Het centrum van de democratie


De navel van de sjiitische islam is de heilige stad Najaf, en meer bepaald de moskee waar Ali, de schoonzoon van de profeet Mohamed, begraven werd. Deze goudgekoepelde gebedsplaats is het vaticaan van de sjiieten. Tijdens Aid el Adha, het grote offerfeest, wordt de stad -voor het eerst sinds jaren- massaal overspoeld door pelgrims uit Libanon, Jemen, Saudi-Arabië, Koeweit en vooral Iran. De straten en pleinen rond de Moskee van Ali zien letterlijk zwart -de kleur van de sjiieten- van het volk.
Huilend, duwend en prevelend banen de gelovigen zich een weg naar de grafsteen van Imam Ali. De poorten, de muren en de grond onder hun voeten worden devoot gekust. De twee andere heilige steden, Kerbala en Kufa, tonen dezelfde beelden. De infrastructuur om die duizenden pelgrims op te vangen, ontbreekt volkomen, maar na jaren van isolatie stroomt het geld opnieuw overvloedig binnen. Niet alleen de bazaari’s van Najaf doen gouden zaken, vooral in de geldkoffers van de religieuze autoriteiten is de nieuwe vrijheid te tellen. Het is immers de religieuze plicht van ieder sjiiet om jaarlijks naast de zakat, die rechtstreeks aan de armen geschonken moet worden, ook nog eens zeven andere bijdragen te leveren aan de mujtahids of beschermers van de heilige plaatsen. Dat verklaart meteen ook de macht en populariteit van de mujtahids en de machtsstrijd die aan de gang is tussen de verschillende sjiitische religieuze leiders. Nochtans hebben de meeste Iraakse ayatollahs tot op de dag van vandaag nog niet echt gebruik gemaakt van hun invloed en lijkt het er ook niet op dat ze staan te trappelen om het voorbeeld van Iran blindelings te volgen.
Een theocratische staat, naar het voorbeeld van de islamitische republiek van ayatollah Khomeini, is alleszins niet wat ayatollah Sistani en de meeste Iraakse sjiieten nastreven. Sistani wil, naar eigen zeggen, religie en politiek gescheiden houden. Zijn eis voor onmiddellijke verkiezingen is een vraag naar democratie voor alle Iraki’s: sjiieten, soennieten, Koerden, Assyriërs, Turkmenen, joden, christenen en orthodoxen. In 1991 beslisten de Verenigde Staten dat de succesvolle sjiitische opstand -14 van de 18 provincies waren al in handen van de opstandelingen- niet in hun kraam paste. Als de bezetters ook vandaag weer hun eigen belangen boven de volkse roep om democratie plaatsen, zou het resultaat wel eens kunnen zijn dat ambitieuze jongeren, zoals de agressieve Muqtada, het voor het zeggen krijgen. De lont hangt al in het kruitvat, misschien is er nog tijd om de ontploffing te voorkomen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2799   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift