De toekomst begon in Miami

Eind november verzamelden de handelsministers van 34 Amerikaanse staten in Miami, Florida. Op het programma: de definitieve onderhandelingen over een vrijhandelszone die van Alaska tot Vuurland moet reiken, een idee dat in 1994 door president Clinton in dezelfde stad gelanceerd werd. De toekomst van 800 miljoen Amerikanen uit Noord en Zuid begon in Miami, maar niemand weet hoe ze er straks zal uitzien.
19 november 2003. Baywatch is paraat op alle stranden van Miami, maar de rode bikini’s vol siliconenborsten hebben plaats geruimd voor gehelmde reuzen in zwarte, kogelvrije harnassen. Zij houden in de gaten of er geen als zonnebaders vermomde terroristen tot bij het Intercontinental Hotel proberen te zwemmen. De krijsende meeuwen worden verdrongen door irritant rondzoemende politiehelikopters. De meeste haltes op de bovengrondse metro van Miami zijn gesloten, alle kruispunten worden bewaakt en elke voetganger is verdacht. ‘De Stad Staat Stil / zo is de stad door / gesneden werden de koorden / en staan alle dansers paf in hun dolle rondedans’, schreef Paul Van Ostaijen. Miami is een Bezette Stad, en om de kosten daarvan te dekken draagt de federale regering in Washington 8,5 miljoen dollar bij, afkomstig uit het pakket van 87 miljard dollar dat kort daarvoor goedgekeurd werd om de bezetting van Irak en Afghanistan te financieren.
In het Intercontinental Hotel vergaderen handelsdelegaties van alle Amerikaanse naties, behalve het niet geïnviteerde Cuba, over wat de Noord-Amerikanen het FTAA noemen, de Zuid-Amerikanen ALCA. Het Free Trade Area of the Americas of Aréa de Libre Comercio de las Américas staat voor wat de grootste vrijhandelszone van de wereld moet worden, met ‘een gecombineerd BNP van 13 biljoen dollar in 34 landen, en zowat 800 miljoen consumenten van Alaska tot in Vuurland’, om het met de woorden van het VS-handelsministerie te zeggen.
Op hetzelfde fact sheet noteert dat ministerie: ‘Bovenop de groeiende mogelijkheden voor VS-arbeiders en -bedrijven, zal de FTAA ook voordelen brengen voor VS-consumenten. We schatten dat elk gemiddeld gezin van vier een inkomensstijging zal kennen (door verhoogde koopkracht en een hoger inkomen) van meer dan 800 dollar per jaar, dankzij de liberalisering van goederen en diensten onder de FTAA.’ Niet iedereen deelt die hoopvolle toekomstverwachting. Terwijl de officiële delegaties achter hun ondoordringbare politiecordon proberen de meningsverschillen te overbruggen, verzamelen duizenden anti-ALCA-burgers uit Noord en Zuid in hotels, kerken en zalen van de binnenstad om ideeën en ervaringen uit te wisselen. En om hun verzet tegen alweer een Grote Sprong Voorwaarts voor het neoliberale Amerika op straat uit te schreeuwen.

Een model met een probleem


‘Een onderhandeling is nooit een neutraal gebeuren’, zegt Leo Sztutman, als econoom verbonden aan het Instituto Brasileiro de Defesa do Consumidor. ‘De ALCA dat hier onderhandeld wordt, is niet gemodelleerd op een gemeenschappelijke markt zoals de EU, maar is duidelijk gebaseerd op het model van NAFTA.’ Het North American Free Trade Agreement dat op 1 januari 1994 de handelsgrenzen tussen Canada, de Verenigde Staten en Mexico verwijderde, duikt in zowat alle discussies over de nieuwe ALCA op.
Timi Gerson van Public Citizen, de grote VS-consumentenorganisatie, is het eens met Sztutman: ‘NAFTA is het model, en het model is het probleem. Dit soort vrijhandelsakkoorden gaat namelijk nauwelijks over handel en al helemaal niet over vrijheid. Ze gaan over de mogelijkheden voor multinationale bedrijven om in alle betrokken landen actief te worden in sectoren als onderwijs, gezondheidszorg en telecommunicatie, ze gaan over het afbouwen van milieubescherming, over de vraag hoe ver het recht op gezond voedsel mag gaan in relatie tot het “recht” van bedrijven op winst.’ Sztutman voegt daar aan toe: ‘NAFTA en ALCA gaan niet over burgers of over het opbouwen van een regionale democratie, maar over het afbouwen van beperkingen voor bedrijven.’
VS-staalarbeiders, Canadese verpleegsters, Mexicaanse boeren en alle andere sprekers en deelnemers van de vele fora en seminaries in Miami bekritiseren juist die liberalisering van de economie en de handel onder NAFTA. Zware kritiek is er telkens voor Chapter 11 van NAFTA: het hoofdstuk dat de belangen van de investeerders in relatie tot de drie ondertekenende staten regelt. In de ALCA-ontwerpteksten komen de NAFTA-paragrafen bijna letterlijk opnieuw voor. Chapter 11 geeft investeerders het recht om schadevergoeding te eisen van overheden als die door wetten, besluiten of handelingen de winstplannen van de bedrijven doorkruisen.
Het Canadese bedrijf Methanex vroeg in 1999 een schadevergoeding van 970 miljoen dollar van de staat Californië, omdat die het gebruik van het methanolbevattende MTBE in brandstof verbiedt. Er is nog geen uitspraak. Het VS-bedrijf Ethyl Corporation kreeg 13 miljoen dollar schadevergoeding van de Canadese staat wegens het verbod op het vervoer van het mangaanhoudende MMT, waardoor het bedrijf zijn mangaan niet meer kon exporteren. Canada paste meteen ook maar zijn milieuwetgeving aan, om vergelijkbare schadeclaims te ontlopen. De VS-firma Metalclad kreeg een schadevergoeding van 16,7 miljoen dollar, onder andere omdat de gouverneur van de deelstaat San Luis Potosi een terrein in Guadalcazar, waar Metalclad aan verwerking van toxische stoffen wou doen, tot speciale ecologische zone uitriep. Er zijn 31 gekende Chapter 11 procedures opgestart de voorbije tien jaar, maar niemand weet of dat alles is. Er is geen plicht van openbaarheid, geen democratische controle en geen duidelijkheid over de gehanteerde normen en regels.

Kunstmatig optimisme


In de dagen vóór de officiële ministeriële top in Miami werd al duidelijk hoe de kaarten lagen. Brazilië had zonder omwegen laten weten dat het geen allesomvattend vrijhandelsakkoord wou, tenzij er een duidelijk engagement van de VS zou komen om zowel hun landbouwsubsidies als hun invoerheffingen op landbouwproducten te verminderen. Washington was vastbesloten daar niet aan toe te geven, maar wou anderzijds een tweede debacle zo kort na de mislukking van de WTO-top in Cancun voorkomen. De hoerakreten waren dus vooraf ingestudeerd, al klonken ze evengoed nogal vals toen de bijeenkomst op 20 november, een dag vroeger dan voorzien, beëindigd werd met de afspraak om een ALCA uit te werken waarin elk land zelf zou kunnen kiezen welke onderdelen het zou aanvaarden en welke het zou verwerpen.
De Braziliaanse handelsminister Celso Amorim vatte de uitkomst zo samen: ‘Dit is niet de garantie op een akkoord, maar het creëert wel de voorwaarden om tot een akkoord te komen.’ Dat klinkt een pak bescheidener dan de openingstoespraak van zijn collega Robert Zoellick daags voordien: ‘Deze inspanning gaat, volgens mij, over het dichten van de kloof tussen Noord en Zuid, waarbij deze hemisfeer, de Nieuwe Wereld, het lichtende voorbeeld wordt van handel en ontwikkeling en democratie en mogelijkheden en hoop.’

Bilateraal bombardement


Robert Zoellick wist natuurlijk op 19 november al dat de VS hun zin niet zouden krijgen in de ALCA-onderhandelingen. Daarom kondigde hij op 18 november alvast plannen aan om aparte vrijhandelsverdragen te onderhandelen met de Andean-landen (Colombia, Peru, Ecuador en Bolivia), Panama, vijf Centraal-Amerikaanse landen (El Salvador, Guatemala, Nicaragua, Costa Rica en Panama) en de Dominicaanse Republiek. Wat dat in regionale machtstermen betekent, wordt duidelijk als Jamie Castillo van ONORCA, een Mexicaanse boerenvakbond, de import- en exportcijfers op tafel legt. ‘De export vanuit de VS naar Centraal-Amerika staat voor 0,6 procent van de totale VS-uitvoer. Omgekeerd is de export vanuit de vijf Centraal-Amerikaanse landen naar de VS goed voor 46 procent van hun totale uitvoer. 60 procent van die export bestaat uit landbouwproducten, voor de rest gaat het vooral over textiel. Het onevenwicht qua import is vergelijkbaar: 1 procent van de VS-import komt uit Centraal-Amerika, omgekeerd gaat het over 20 procent.’
Tijdens een seminarie onder de titel Bombarded by Bilaterals noemt Jennifer Esposito van de VS-vervoerdersvakbond Teamsters dit een strategie van competitieve liberalisering: landen worden tegen elkaar uitgespeeld en moeten, om maximale toegang tot de VS-markt te bekomen, tegen elkaar opbieden. De Venezolaanse vakbondsman Pedro Euce heeft het over een omsingelingsstrategie, waarbij koppige landen als Brazilië, Argentinië en Venezuela geïsoleerd worden, terwijl zwakkere landen gedwongen worden akkoorden te sluiten die veel verder gaan dan wat in de ALCA voorzien was. De Fundacion Solon, een Peruviaanse ngo en partner van Broederlijk Delen, schrijft dan ook de dag na de slotverklaring in Miami dat veel landen zich nu in een meer kwetsbare onderhandelingspositie bevinden.
Walden Bello, de Filipijnse academicus en directeur van de internationale ngo Focus on the Global South, toont zich in een interview met MO* iets optimistischer, al blijft ook hij zeer omzichtig. ‘De strategie om bilaterale akkoorden af te sluiten, geniet zeker niet de voorkeur in Washington. Het is een ingewikkeld proces dat veel tijd en energie opslorpt. In feite hanteren de VS een gelaagde benadering: binnen de Wereldhandelsorganisatie proberen ze hun economische wereldorde tot stand te brengen en willen ze vooral de relatie tot de EU uitklaren, via multilaterale akkoorden zoals de ALCA willen ze hun concurrentiepositie tegenover de EU versterken, terwijl bilaterale akkoorden een terugvalpositie vormen, die vooral dient om hun agenda op de twee vorige niveaus vooruit te duwen.’
Bello pleit voor een volgehouden strategie om zowel WTO als ALCA te ondermijnen. Nogal wat actievoerders in Miami hebben daar nu hun twijfels bij. Gonzalo Berron van de grootste vakbond in Brazilië (CUT) wijst er bijvoorbeeld op dat de “bilaterale strategie” niet alleen moeilijkheden oplevert voor de regeringen van kleinere of zwakkere landen, maar dat het ook voor het maatschappelijk middenveld moeilijker wordt om zich te organiseren en een krachtige tegenstem te laten horen.

Tegenstanders zijn voorstanders


19 november. De First United Methodist Church loopt tegen 20 uur helemaal vol. Vertegenwoordigers van de officiële delegaties uit Brazilië, Argentinië en Venezuela niet toevallig de meest kritische landen komen de posities van hun regeringen uitleggen aan de tegenstanders. De sprekers én het rumoerige publiek worden verwelkomd door John Sweeney, voorzitter van de machtige vakbondscentrale AFL-CIO. ‘Wij zijn vóór handel’, zegt Sweeney. ‘Wij zijn voor handel die meer banen creëert, die de economie duurzamer maakt, die regeringen toelaat het milieu te beschermen, die kleine boeren in staat stelt te blijven produceren, die de armoede vermindert in plaats van vergroot. Dat soort handel vinden we niet in de ALCA.’
De Braziliaanse onderminister voor Agrarische Ontwikkeling, Guilherme Cassel, stelt even later dat de onderhandelingen moeten leiden tot een overeenkomst die ruimte laat voor economische en culturele verschillen. ‘Dit zal geen droomakkoord zijn’, zegt Cassel. ‘Iedereen in deze kerk kan een beter akkoord schrijven. Maar voor het eerst in tien jaar hebben we flexibiliteit bekomen en wordt de soevereiniteit van onze landen ingeschreven. We hebben geen overwinning behaald, maar we hebben wel tijd gewonnen. Daarvan moeten regeringen én solidariteitsbewegingen volop gebruik maken.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2751   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur