De verbeelding aan de macht

Als kleine jongen beschilderde hij thuis de traphal, als grote jongen bouwde hij decors. Als prille tiener kroop hij in de huid van Shakespeare’s King Lear, als volwassene is hij gewoon zichzelf op radio en tv.
Bart ‘LaLaLaLive’ Peeters’ leven is één grote Droomfabriek en zijn projecten roepen telkens een verlangen op naar de jaren toen er tussen droom en daad geen praktische bezwaren stonden. In het werkelijke leven echter staan tussen de vraag naar een ontmoeting met Peeters en het feitelijke interview maanden van drukte, drukte, drukte. Maar eenmaal de razende rocker aan tafel zit, is hij één en al de uwe. Bart Peeters opent één van de luikjes van zijn veelzijdige persoonlijkheid en klapt uit zijn boekenkast.

Eén van de opvallendste kenmerken van uw persoon is wel de schijnbaar onuitputtelijke creativiteit. Vanwaar blijft die komen?

‘Ik denk dat het alles te maken heeft met het feit dat ik nooit behoorlijk opgegroeid ben. Dat is geen verwijt aan mijn ouders maar een enorm compliment. Er was thuis altijd plaats voor fantasie. Toen ik elf was, namen mijn ouders mij mee naar het kasteel van de Zonnekoning Lodewijk XIV in Versailles. Ik was daarvan diep onder de indruk. Toen we terug thuiskwamen, vond ik ons huis niet meer leuk want wij hadden geen muurschilderingen en wandtapijten met oorlogstaferelen. De reactie van mijn ouders daarop was typerend voor onze opvoeding. ‘Als je dat echt een probleem vindt’, zei mijn moeder, ‘zal je daar zelf iets aan moeten doen.’ Ik heb dan de traphal beschilderd met een gigantisch oorlogstafereel van de Zonnekoning tegen de Engelsen, een gruwelijke scène met veel doden en gewonden. Zolang wij in dat huis gewoond hebben, is dat tafereel onaangetast gebleven. Nu is het huis verkocht en hebben de nieuwe eigenaars het overschilderd. Die ruimte voor creativiteit heeft een sterke invloed op mij gehad. Ik hou van omstandigheden waarin ideeën mogen gedijen.’

U laat zich daarbij niet afschrikken door de grenzen van het makkelijk haalbare.

‘Soms spelen mijn ideeën me wel eens parten, als ik bijvoorbeeld voor iets zevenentachtig olifanten, een witte kangoeroe, een Balinees dansgezelschap en vierentwintig zwarte negers nodig heb. Of een installatie waarmee we een raket kunnen afvuren. Voor tv wordt het nogal snel geweldig. Soms kan je echter je fantasie botvieren met zeer schaarse middelen. In het radioprogramma Het Leugenpaleis, op Studio Brussel, hebben we enkel een paar steekwoorden en aan de hand daarvan klapt een hele wereld open. Hugo Matthysen en ik worden in dat programma ineens dertig personages. Je verbale fantasie kan je daarin volledig de vrije loop laten en dat vind ik geweldig. In de ongelooflijk vluchtige wereld van de media, is dit programma een uitlaatklep waarin we voluit kunnen gaan, volgens de Vlaamse cabarettraditie. Die is er wel niet echt, maar wij maken daar wel deel van uit.’

Wordt die fantasie ook wel eens aangewakkerd door boeken?

‘Wat mij in de literatuur interesseert, zijn die werken waarin kleine bosbrandjes worden aangericht in de fantasie van de lezer, waarin neuronen op een nooit geziene manier met elkaar gaan botsen tot er vreugdevuren ontstaan. Voor het eerst heb ik dat ervaren als jonge lezer in ‘Alice in Wonderland’ van Lewis Carroll, een Engelse negentiende-eeuwse auteur, en in het vervolg daarop ‘Through the Looking-Glass’. Die man maakt heel grappige associaties. Hij was ook een erg verward persoon en daarin herkende ik iets van mezelf. Op een bepaald moment van mijn leven was ik zo’n fan van hem dat ik al zijn werken wilde lezen. De ramp was echter dat hij een wiskundige was en ik uitkwam bij een werk over de kwadraatsvergelijking. Later, toen ik Germaanse Filologie studeerde, was hij nog steeds een gekoesterd auteur. Ik ben dan ‘The Annotated Alice’ gaan lezen en ontdekte de band die Carroll had met de psychedelische, de hallucinerende cultuur. Elementen uit ‘Alice’ werden vertaald naar psychedelische statements. Zijn boeken waren een soort verdediging van de hippiegeneratie. Ze gaven een hallucinogene benadering van de wereld en ik vond later dat die kijk op de dingen ook een soort handleiding voor je leven kan zijn. Je mag Alice zijn, je mag in een volstrekt waanzinnige, hallucinante wereld rondlopen, zonder te schrikken wanneer je een pratende rups of een zwevende kat tegenkomt.’

Is zo’n levenshouding geen vlucht uit de werkelijkheid?

‘Absoluut niet. Het is mijn werk. De showbusiness, dat stuk realiteit waarmee ik te maken heb, ís Alice in Wonderland. Bij vorige opname van LaLaLaLife repeteerden we in Londen met Mark King, een superster en gewezen lief van prinses Diana. Je kan je op zo’n moment zorgen maken om de vraag of wij, Vlaamse muzikanten, wel zwaar genoeg wegen om met zo iemand op te treden. Je kan echter evengoed zeggen: ‘Het is allemaal Alice in Wonderland. We hebben iets verkeerds gedronken en sindsdien gebeurt dat allemaal.’ Het is een manier om je leven in te richten. Ik voel geen kloof tussen de wereld die wij creëren en de zogenaamde realiteit. De realiteit is, zo je wilt, ook bepaald psychedelisch. Mijn twee kleine kinderen hebben ook mijn genen en mijn DNA-structuur en zijn ontzaglijk fantasierijk. Wanneer de georganiseerde kant van het leven zijn recht opeist, zijn er mijn vrouw en mijn manager. Ik moet ook hard werken, oké. En ik weet ook dat de werkelijkheid best kwaadaardig kan zijn, maar daarvoor moet je perverse structuren opzoeken en dat doe ik nooit. Ik heb geen deel aan die kwaadaardigheid en heb er dan ook geen last van.’

U omschrijft ‘Nonkel Pop’, de muzikale quiz die weldra op Canvas start, als ‘een grappig programma voor grappige mensen’. Wilt u ook iets meer dan amuseren? Een maatschappelijke impact hebben, bijvoorbeeld?

‘Wat we met LaLaLaLive voor ogen hebben, is het echte ‘live’ muziekmaken op tv terug in ere te herstellen met artiesten die van binnenuit kunst maken en we zijn daarin geslaagd. Het programma krijgt navolging bij de andere zenders en dat is leuk. Een andere zaak is of we met onze programma’s ook nog iets fundamenteels te betekenen hebben. Dat zou fantastisch zijn. Spijtig genoeg zijn mensen die voor televisie werken, nooit belangrijke spreekbuizen of orakels. ‘Televisie is het paradijs van de halftalenten’, zei Toon Hermans ooit en dat klopt. Iemand die behoorlijk ‘Goede avond, dames en heren’, kan zeggen en toevallig een goede tandpastasmile heeft, komt al ver. Het lijkt me moeilijk om via de media iets te betekenen. Dan kan je beter boeken schrijven of liedjes maken. Die zijn eeuwig.’

Welk boek heeft voor u zo’n eeuwigheidswaarde?

‘Je hebt natuurlijk de klassieken. Tijdens mijn studies kon ik best onder de indruk raken van Dantes Divina Comedia maar ‘Lazarillo de Tormes’, de schelmenroman roman van Thomas Mann, vond ik veel leuker. En met de romantische verbeeldingskracht van Goethe in ‘Het lijden van de jonge Werther’, voelde ik me als achttien, negentienjarige wel verwant. Een boek lezen was voor mij echter nooit genoeg. Ik maakte er bewerkingen van. Als twaalfjarige speelden we bijvoorbeeld thuis in de garage voorstellingen van Shakespeare. Ik was dan King Lear. ‘Lucifer’ van Vondel speelden we ooit na. Als kind kon ik ook Felix Timmermans best genieten. Mijn ouders waren sterk beïnvloed door de omgeving van Lier en mijn vader was een uitgesproken Timmermansfanaat. Zo maakte ik ooit een bewerking van Timmermans’ werk ‘Pieter Breughel. Zo heb ik u uit uw werken geroken’. Het werd een poppenspel want in het werk traden er te veel personages op om met levende acteurs te spelen. Mijn ouders en mijn broer en zus deden dan mee, maar ook andere mensen die het nu ver gebracht hebben in de theaterwereld, zoals Jos Verbiest, nu beroemd acteur en regisseur, en Christine Arras die momenteel in de Antwerpse stadsschouwburg werkt. De buren kwamen kijken en bijvoorbeeld ook theatergrootheden als Luc Philips en Walter Tillemans, want ze hadden gehoord van een gekke groep kinderen in Boechout die voorstellingen uit de Koninklijke Nederlandse Schouwburg naspeelden. Later maakten we een massaspektakel van ‘De Bende van Jan de Lichte’, van Louis Paul Boon. Ik was een onwaarschijnlijke Louis Paul Boonfan. Boon was een authentieke verteller die ik wilde omzetten in beelden.’


Wat sprak u zo aan in Boon?

‘Dat was iemand die door en door met de Vlaamse klei verbonden was en tegelijk, vanuit een heel nederige positie, een wereldvisie ontwikkelde waarbij je je afvroeg hoe hij dit alles kon weten. Ik vind Freud en Jung niet de geweldigste psychologen. Bij Boon kom je veel meer te weten over de menselijke psyche. Je komt via zijn boeken trouwens bij dezelfde principes terecht als door het lezen van de grote psychoanalisten. Over de band tussen de wereld en seks bijvoorbeeld kom je ook meer te weten in het oeuvre van Prince of van The Rolling Stones dan in de boeken van Freud. Zij hebben het ook over sublimeren, over erotiek en cultuur, maar formuleren het meer to the point. Voor mij zijn dat filosofen van deze tijd. Hun teksten zijn literatuur.’

U stapt zonder moeite over van Boon naar Prince. Uzelf houdt van Timmermans maar repeteert in Londen. Zoekt u ook naar culturele kruisbestuivingen?

‘Je gaat altijd op zoek naar mensen die verstandiger zijn dan jezelf. Ik vind die mensen wel eens onder de Afrikanen. Er is iets onthechts en bijzonder scherpzinnigs en relativerends in die cultuur. Toen we enkele jaren geleden met The Radios in Dakar optraden, heb ik dat ervaren. Vooraf hadden we doodsangst om niet aanvaard te worden door de Senegalezen, maar toen we het succes merkten, zweefden we gewoon. Je voelde temidden van die Afrikanen ook een sfeer van ‘vergeestelijking’ in de muziek. In Senegal heb ik ook Baba Maal leren kennen. Die is daar nog belangrijker dan Youssou N’Dour. Het is de Senegalese Bob Marley. In zijn teksten merk je hoe kunst politieke verschuivingen kan teweegbrengen. De Nieuwe Scène heeft dat in Vlaanderen ook eens gedaan, toen ze in de vroege jaren zeventig Dario Fo’s Mistero Buffo op de planken zetten. Op zo’n momenten voel je dat één artistieke daad een hele maatschappij overhoop kan halen. In het begin van de punkperiode had ik ook even dat gevoel. Die beweging koos bewust voor de chaos. Nu vind ik de neopsychedelica wel interessant. Onlangs viel me op in Londen hoe alle mode weer op India en een meer etherische stijl is geconcentreerd. Het is natuurlijk belachelijk en trendy, maar tegelijk gaat er iets rustgevends van uit dat tot vergeestelijking leidt. Het contesterende karakter is natuurlijk weer onmiddellijk weg, omdat alles wat even echt contesterend is, de volgende dag al hype is. Daardoor verliest het zijn filosofisch karakter. Daar moeten we mee leven.’

Die commerciële culturele hypes trekken ook wel een beangstigend spoor van geestesdodende monocultuur. Uw pleidooi is er echter een van ‘alle macht aan de verbeelding’.

‘Ik heb het gevoel dat die monocultuur bezig is zichzelf te vernietigen. Meer en meer jonge mensen keren zich daarvan af. Ze laten zich niet meer beïnvloeden door de dictatuur van de kijkcijfers of de hitparades, integendeel. Ze staan daar bijzonder kritisch tegenover. Mijn dochtertje valt nog voor één van de jongens van Get Ready. Als de populaire cultuur iets wordt voor kinderen van vier, vind ik dat best grappig. Ooit geloofde ik in de theorie van Jaap Kruithof, die zegt dat ‘als je echt tegen het leger bent of tegen het militarisme in de wereld, moet je soldaat worden, of beter nog, generaal. Want alleen een generaal kan troepen tegenhouden.’ Zo dacht ik ook over commerciële televisie: als je tegen de wetmatigheden van commerciële televisie bent, moet je die zender overnemen en ervoor zorgen dat de weinigen die vechten tegen infantiele quizzen en sensationele talkshows aan bod komen. Nu zie ik dat die theorie niet klopt. We weten nu al hoe het zal aflopen met die commerciële televisie. Wat moet je nog tonen, nu alles al getoond is? De sensatiepers heft zichzelf op en dus vond ik het beter de strijd ter verandering van die media niet meer te voeren. Ik doe wat ik wil brengen, op Canvas en op Avro. Die zenders worden niet boos om wat ik aanricht.’

U hebt het over ‘vergeestelijking’ in de Afrikaanse muziek, in de neopsychedelica. Wat bedoelt u met vergeestelijking?

‘In de periode na de Tweede Wereldoorlog groeide de godsdienst van de ‘objectgelovigheid’. Iedereen wilde een chic huis met een mooie auto, een super hifi-installatie, een quartzhorloge en een vrouw als een fotomodel. Dat is voorbij. Mensen voelen nu dat dit de zin van het leven niet kan zijn. Die objectgelovigheid bereikt een hoogtepunt. Je voelt al heel sterk een verlangen naar vergeestelijking. Ik zie dat vooral sterk aanwezig in de geneeskunde, waarin bijvoorbeeld gewerkt wordt met neuraaltherapie en andere meer geestelijke benaderingen van het lichaam. Van de zomer waren we anderhalve maand in Frankrijk in een huisje temidden van een prachtige natuur, gewoon om het ‘niets’ te vieren. De tijd stond stil en dat was zeer zinvol. Die rust in menselijke processen, wat ook een oosters idee is, houdt me de jongste tijd erg bezig. Ik merk ook dat ik alleen goed kan functioneren met mensen waarmee ik die rust bereikt heb. Dat is ook de reden waarom ik, wanneer we een nieuw project starten, telkens weer terugval op dezelfde mensen: Hugo Matthysen, Jan Leyers, Ronny Mosuse of Geena Lisa. De haastige fase is bij die mensen over. Er is in de loop van de jaren ook een soort natuurlijke band gegroeid. In die omstandigheden kan je ook makkelijker van mening verschillen want de basis wordt nooit geraakt. Dat gevoel van vertrouwen streef ik erg na. Urenlang opgaan in de fantasiewereld van mijn kinderen, dat is voor mij ook een vorm van vergeestelijking. Of de momenten waarop je het gevoel hebt dat het heel goed klikt met iemand. Eergisteren had ik in Amsterdam een ontmoeting met Herman Brood omdat we samen een show maken. Dat is een mens die ook op een heel bepaalde manier functioneert. Er staat maar één luikje van zijn bewustzijn open om mee te communiceren, de rest zit dicht. Achter die andere luikjes zit zijn creatieve component verstopt en daar kom je niet bij. Zelf heb ik ook een behoorlijk aantal luikjes dicht. Bij die man heb ik blijkbaar genoeg aan dat ene luikje, het werkt. Dat is creativiteit.’

Hebt u nu nog tijd om te lezen?

‘Spijtig genoeg veel minder dan vroeger. Ik lees gerichter en vluchtig: Humo, Q-magazine, de kranten. Ik wil weten waar Paul Mennes voor staat, ik wil best de nieuwe Brusselmans of Tom Lanoye leren kennen. Voor echte literatuur speel ik het liefst op veilig: Donna Tart of Milan Kundera. Iedereen valt ervoor, dus moet er wel wat inzitten. Ik heb gewoon geen tijd meer. Wat me op dit ogenblik wel boeit, zijn biografieën, van Charlie Chaplin bijvoorbeeld. Onlangs heb ik in Londen ‘The Beatles day by day’ gekocht. Het is een beetje voyeuristisch kijken hoe die mensen hun leven hebben ingericht en beseffen dat die figuren het ook niet altijd even makkelijk hebben gehad. Op zekere leeftijd word je benieuwd naar het leven van andere mensen. Sterren worden dan de ‘Jommekes’ van de volwassenen.’

Op zekere leeftijd…U nadert de veertig. Hoeveel jaren geeft u uzelf nog in de showbusiness?

‘Ik denk niet zoveel aan de verre toekomst. Ik weet dat ik soms erg onrealistisch ben, maar ik heb het erg moeilijk met plannen. John Lennon, overigens literair gezien ook een belangrijk figuur, zei ooit: ‘Het leven is wat je overkomt, terwijl je ongelooflijk druk doende bent met plannen te maken’. Dat is waar. Als ik je hier een waaier plannen ontvouw, komen die per definitie nooit uit. Mijn ongeloof in planmatigheid is heel sterk. Ik geloof in de chaos. Chaos werkt verfrissend en vruchtbaar. Hij richt de mensheid ten gronde, maar hij is tegelijk de bodem van de creativiteit.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.