De vijf magere jaren van de Grote Meren

Feiten zijn één zaak, emoties een andere. Daartussenin ligt het begrijpen. In dit nummer wilden we daarom ook een antwoord zoeken op de vraag hoe we de turbulenties van de voorbije jaren in het gebied van de Grote Meren moeten begrijpen. We vroegen historicus dr. Zana Aziza Etambala -begin de jaren tachtig nog redacteur geweest voor dit blad- om zijn opinie te geven. Hij antwoordt met zijn eigen emotionele betrokkenheid op onze talrijke vragen. Is het geweld in Centraal-Afrika terug te voeren op etnische conflicten? Is er sprake van economische uitbarstingen of van postkoloniale ziektes? Is het geweld ‘typisch Afrikaans’? Waar ligt de verantwoordelijkheid van Europa, waar deze van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, van de VN? Hoe kijken de gewone burgers, boeren en buitenlui aan tegen de schokgolven die over hen heen gaan?
Het hart van Afrika brandt. Dat hart, dat is Centraal-Afrika. Afrika lijdt aan een ernstige hartziekte en heel wat mensen denken dat alleen een olifantenmiddel zal helpen. We kunnen niet ontkennen dat Afrika in crisis is. En die crisis is diep en zal van lange duur zijn. Daarover moeten we ons geen illusies maken. Toch is dit geen reden om Afro-pessimist te zijn. Afrika in het algemeen en Centraal-Afrika in het bijzonder hebben al meerd crises doorstaan. Denk maar aan de periode van de slavenhandel, aan de beginjaren van de kolonisatie of aan het moeilijke dekolonisatieproces. De overlevingskracht van dit continent mag niet onderschat worden. Trouwens, uit de dood kan nieuw leven ontstaan. En mijn stelling blijft dat Afrika is zoals dat onnoemelijk kleine mosterdzaadje, dat het continent in het volgende millennium tot een reuzenboom zal uitgroeien.

Enkele reisimpressies

In december 1998 verbleef ik gedurende een paar weken in de Democratische Republiek Congo. Ik bezocht niet alleen in Kinshasa, maar riskeerde ook een onbeschrijfelijke tocht naar het Mai-Ndombe-district in de Bandundu. Die streek ligt op zowat 600 km van de hoofdstad. Eén van de belangrijkste indrukken die ik overhield aan mijn verblijf in Congo was dat de kloof tussen de burgers en de politieke nomenclatura bijna onoverbrugbaar geworden lijkt. Het algemene gevoel bij de gewone stervelingen was dat er nauwelijks een onderscheid is tussen de politici van de verschillende strekkingen. Kengo, Tshisekedi, Bololiko, Wamba dia Wamba: de namen verschillen, de inhoud niet. Niemand van hen kan nog bogen op een grote populariteit. Er vallen ook geen jonge, rijzende politieke sterren te bespeuren aan het Congolese firmament.

Een andere opvallende tendens in het huidige Congo is het groeiend belang dat gehecht wordt aan de bantoe-identiteit. In een stad zoals Kinshasa -door Belgen meer dan honderd jaar geleden gecreëerd- waar verschillende etnische groepen in een vreedzame coëxistentie samenwoonden, is de gevoeligheid tegenover de Tutsi’s verbijsterend groot geworden. Bizima Karaha of Bugera, de als arrogant en hoogmoedig ervaren Tutsi-boegbeelden die samen met Laurent Kabila naar de macht marcheerden in 1997, kunnen op geen enkele sympathie rekenen. Van die gevoeligheid heeft president Kabila uiteraard gretig misbruik gemaakt.

Een derde indruk is dat de Zaïrese staat een genadeslag heeft gekregen door de rebellie van 1996-1997, maar de natie-gedachte is nog steeds springlevend. Iedereen pleit weliswaar ten gunste van streekontwikkeling en heeft de mond vol van federalisme. Maar de manier waarop iedereen -zowel in Kinshasa als in Maï-Ndombe, in Kisangani of Kivu- vasthoudt aan de eenheid van het land, blijft verrassen. Niemand verlangt ernaar onder de knoet te komen van de sterke man van Kigali, Paul Kagame, die sedert hij in Rwanda aan de macht is gekomen met geen woord meer rept over verkiezingen en democratische structuren in zijn land.

Een sub-continent in de kering

Afrika woelt en keert zich in zijn ziekbed, zal men zeggen. Neen. Afrika is eerder een continent dat waanzinnig op zoek is naar zichzelf en naar een toekomst. Het is in beweging, maar het lijkt de weg kwijt in de gigantische doolhof van zijn eigen geschiedenis. Zijn problemen hebben alles te maken met het feit dat het een continent in volle verandering is.

Anders dan het Westen, is Afrika bijzonder jong. De mensen zijn er jong. Het is niet voor niets dat de voornaamste problemen er altijd rijmen op kinderen: straatkinderen; kind-soldaten (Ninja’s, Zoeloes, Cobra’s … gemilitariseerde jeugdbendes met Hell’s Angelachtige namen), kinderprostitutie. De instellingen zijn er jong: niet voor niets sprak men tot voor kort over de Belgische moederkerk en de Rwandese en Congolese dochterkerken. En die jonge kerken zeuren niet zozeer over de leer, maar zijn meer begaan met rituelen, zang, dans, lichamelijkheid. Wie jong is, is dynamisch en vitaal, maar heeft soms de neiging om de problemen stormachtig, desnoods gewelddadig op te lossen.

Afrika is eveneens op cultureel vlak in transitie. De kolonizatie heeft de traditionele chefs doodgeknuffeld of politiek geprostitueerd, waardoor ze hun legitimiteit verloren. De eerste Afrikaanse leiders hebben hemel en aarde verzet om zich traditionele chef-allures toe te eigenen. Helaas, hun pogingen verwerden tot autoritaire dictaturen. Sedert een decennium waait er een democratische wind onder de tropenzon, ook al wil het Westen die niet zien. De meeste Centraal-Afrikanen zijn op zoek naar nieuwe ‘verkozen’ leiders, mensen met respect voor het volk. Mensen willen leiders met een nieuwe politieke cultuur waarin plaats is voor machtsdeling en scheiding der machten, noodzakelijke voorwaarden om Afrikaanse modellen van democratie uit te proberen.

Mensen hebben hun lege buiken ook vol van leiders die zich meer als kleptocraten of roofvogels gedragen. Hun hoop is dat de reusachtige rijkdommen van hun land beter beheerd zouden worden en dat er meer rechtvaardige mechanismen voor de herverdeling zouden komen. Zij dromen van staatsleiders die een einde maken aan de zware koloniale erfenis, waarbij de winsten van hun economie blijven wegstromen naar de metropolen of naar aandeelhouders allerlei. Zij weigeren neoliberale herstructureringsplannen omdat die geen ruimte blijken te hebben voor de verbetering van het scholennet, de gezondheidszorg of de wegeninfrastructuur.

De internationale gemeenschap zwijgt

Sedert meer dan tien jaar hebben de gewone mensen het gevoel dat het Westen hen in de steek laat. Bij iedere Afrikaanse hartcrisis, massaslachting of plundering, snellen westerse militairen naar Afrika om het ‘eigen volk’ eerst in veiligheid te brengen. Anderzijds wordt op Europese ministeries de roep om helemaal niet meer uit te rukken bij Afrikaanse crises steeds luider. Sommige westerlingen houden een pleidooi om een muur rond het bastion Europa te metselen, zodat er geen vluchtelingen meer binnen kunnen. Anderen pleiten voor het spannen van een prikkeldraad rond het vechtlustige Afrika. Binnen enkele jaren wil men dan nog wel eens over die draad gaan loeren, om te zien of die vechtersbazen al hebben opgehouden met elkaar de kop in te slaan.

De internationale gemeenschap vertoont nog weinig politieke interesse voor de regio. Het valt op dat alleen groepen die zich ver van het het machtscentrum van de Westerse gemeenschap bevinden nog belangstelling koesteren voor de geteisterde streek. Enerzijds zijn er de humanitaire organisaties die bijna overal tegelijk interveniëren om zieken en gewonden te verzorgen en uitgemergelde kinderen en oude mensen eten te geven. Anderzijds is het een bloeiperiode voor dubieuze kleine en grote ‘ondernemers’ met maffieuze allures die betrokken zijn in goud-, diamant- en koffiehandel. Ook de petroleummaatschappijen beleven een gouden tijd. Het is een publiek geheim dat in Angola de UNITA haar kas kan stijven via de diamantsmokkel, terwijl de MPLA zich kan bewapenen dankzij de petroleumdollars. In Opper-Congo biedt de exploitatie en smokkel van goud een zeer lucratieve bron van inkomsten voor de Ugandese president en zijn kring. Ook Kabila zuigt de diamantmaatschappij MIBA in Oost-Kasaï verder leeg om de oorlogsinspanningen van Zimbabwanen, Tsjadiërs en Namibiërs te betalen.

Men spreekt niet meer over ‘primitief’ Afrika, maar sedert 1994 kleeft aan Afrika een genocidair imago. Sommigen stigmatiseren met een ongekend genoegen alle Hutu’s als massamoordenaars en alle Tutsi’s als imperialisten. Alsof alle Duitsers volkerenmoordenaars zijn en alle Amerikanen imperialisten.

Ongeloofwaardig is het hoe het Westen plots zijn geweten terugvond bij de genocide van 1994. Voordien had het nooit gereageerd op de massaslachtingen van Hutu’s in Burundi. Afrikaanse machtswellustelingen van het genre Mobutu Sese Seko waren welkome gasten in de westerse hoofdsteden. Wanneer zij in de Europese vlieghavens uitstapten met hun valiezen vol dollars en diamant, werden de rode lopers uitgerold tot aan de Europese banken en kluizen. Er was geen vuiltje aan de lucht. Maar wanneer zij uitgespeeld waren en de westerse belangen niet langer konden veilig stellen, kregen zij geen toegang meer tot Europa. Als een Amerikaanse onderdaan de dood vindt bij de een of andere bomexplosie, kunnen uiterst gesofistikeerde bommenwerpers precieze en onprecieze vergeldingsacties ondernemen in Afrika. Over de daders van de moord op wijlen president Habyarimana en over hun opdrachtgevers is men na vier jaar nog in het ongewisse.

De Organisatie van Afrikaanse Eenheid is ook machteloos. Zij is verlamd omdat de meeste leden zelf met zware interne problemen te kampen hebben of omdat ze met elkaar in de clinch liggen. Bovendien is het zo dat tien Afrikaanse landen, zowat één vierde van de Afrikaanse staten, op de een of andere manier bij het Grote Merenconflict betrokken is. Het Westen zou natuurlijk graag zien dat er een Afrikaanse troepenmacht uitgebouwd wordt om aan conflictinterventie te doen. Dat zou het Westen de nachtmerrie besparen van blanke militairen die in bodybags uit de tropen worden overgevlogen.

Het einde is een nieuw begin

De Franse Opération-Turquoise in het Rwanda van de 1994 is wellicht de laatste neokoloniale oorlog geweest die een Europese ‘grootmacht’ in Afrika heeft gevoerd. Betekent dit het einde van het westerse imperium in Afrika? Niet als het aan de VS ligt. De Amerikanen zijn de laatsten die nog imperiale en imperialistische allures aannemen in Afrika. Maar of zij kunnen helpen bij het vinden van oplossingen, daaraan valt sterk te twijfelen. In elk geval, meer dan ooit zijn de Afrikaanse leiders de hoofdrolspelers geworden in hun eigen drama. Zij hebben hun eigen politieke agenda’s. De Afro-Afrikaanse relaties zijn nog nooit zo belangrijk geweest. Vooraleer Congolezen naar Brussel, Parijs, Washington of Londen vliegen, maken zij eerst een tussenlanding in Luanda, Harare, Lusaka, Johannesburg, Kampala of Kigali. Vroeger zochten Europeanen Afrikaanse leiders op die hen gunstig gezind waren en die zij konden beïnvloeden. Nu zoeken Afrikanen de Europese leiders op, in de hoop dat zij hen kunnen overtuigen van hun standpunten en zienswijzen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift