De ware redenen achter de Amerikaanse macho-politiek

De Irak-crisis confronteert de wereld zonder omwegen met de macht van de VS. De regering Bush wil Saddam weg. ‘Omwille van de veiligheid van de wereld’, zo heet het. Of de VS daarmee hun rol van supermacht in de nieuwe wereldorde op een verstandige manier invullen, is zeer de vraag. Maken ze op die manier van de wereld een veiliger en betere plek om te leven? Of is de enig overgebleven supermacht op weg om de hele internationale orde omver te kegelen?
Er is niets nieuws onder de zon. Zolang ze bestaan, hebben staten op gespannen voet met elkaar geleefd. Ze voerden oorlog, kwamen tot machtsevenwichten, of onderwierpen zich aan het goedaardige of tirannieke machtsoverwicht van de sterkste staat. De lange en uitputtende oorlogen bleken soms zelfs tot creatieve ideeën te leiden om de internationale haat en nijd in te tomen.
De ravage van de dertigjarige oorlog leidde in 1648 bijvoorbeeld tot de Vrede van Westfalen. Staten erkenden daarin voor het eerst elkaars onafhankelijkheid, gelijkheid en interne soevereiniteit en legden zo de basis voor het moderne statensysteem. “Westfalen” bewierookte de vrede en erkende dat die maar mogelijk is als alle staten zich kunnen ontwikkelen. De kloof tussen die schitterende idealen en de prozaïsche realiteit van de macht was groot, natuurlijk.
Idem voor de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Charter van de Verenigde Naties, het onbedoelde resultaat van de twee wereldoorlogen van de twintigste eeuw. Het Charter reguleert het geweld tussen staten zeer strak. Al in artikel 2 bevestigt het de Westfaalse principes: ‘De VN zijn gebaseerd op het principe van de soevereine gelijkheid van al zijn leden.’ De Veiligheidsraad kreeg de opdracht om de globale vrede te beschermen, desnoods met geweld. Staten konden enkel nog geweld gebruiken als zelfverdediging tegen een ‘urgente dreiging’ of nadat de Veiligheidsraad zijn toestemming gegeven had.
De mooie woorden verbleekten echter snel onder het schelle licht van de Koude Oorlog. De West-Europese staten waren door de twee wereldbranden geruïneerd, wat ruimte liet voor twee nieuwe grootmachten om het terrein te bezetten en de wereld te regelen naar hun behoeften en verlangens. De VS en de Sovjetunie voerden een beleid van wederzijdse afschrikking en elk conflict werd bekeken door een koudeoorlogsbril. In het eigen kamp gebruikten ze geweld als hen dat uitkwam. De Veiligheidsraad had daarop geen impact want beide grootmachten gebruikten om de haverklap hun veto in die raad.

NV De Nieuwe Wereld


Als rond 1990 de Sovjetunie ineenzakt, blijven de VS als enige supermacht over. Hun overmacht situeert zich vooral op het militaire vlak. Dit jaar besteden ze 400 miljard dollar aan defensie, dat is anderhalve keer de hele waarde van de Belgische economie, evenveel als de 15 staten die na hen komen op de ranglijst van defensie-uitgaven, en 39 maal zoveel als wat de 7 zogenaamde schurkenstaten samen uitgeven aan bewapening. Daarnaast is er het groeiende belang van wat de Amerikaanse politicoloog Joseph Nye soft power noemt, het vermogen anderen te doen willen wat jij wil door middel van verleiding en agendasetting. Het gewicht van de VS op dit vlak wordt niet uitsluitend gemeten in dollars, maar ook in minuten en smaken. Film betekent steeds meer Hollywood, muziek rijmt op MTV, ontspanning kan niet zonder Cola, McDonalds lijkt een patent te hebben op eten.
Toch zijn er grenzen aan de macht. Economisch hebben de VS aan dominantie ingeboet en moeten ze in de EU hun evenknie erkennen. Ook in de internationale instellingen kunnen de VS niet alleen beslissen. In het IMF beschikken ze wel als enige over een veto, maar dat geldt slechts voor een beperkt aantal cruciale beslissingen. Indien enkele EU-staten zich verenigen, beschikken ze er over dezelfde blokkeringsminderheid van 18 procent van de stemmen. In de Wereldhandelsorganisatie geldt het principe van één land, één stem. In de Veiligheidsraad hebben China, Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië net als de VS een veto.
Dat zijn de formele machtsverhoudingen. De praktijk leert dat de VS zich na het einde van de Koude Oorlog veel minder gelegen laten aan de krijtlijnen die door de internationale gemeenschap uitgetekend werden. Voordien gooiden ze ook al wel eens een bom op Tripoli, of verdreven ze een Panamese president zonder dat ze daarvoor een VN-mandaat hadden, maar de jongste jaren ontwikkelt het Amerikaanse beleid concepten die een permanente overtreding van de vroegere afspraken mogelijk moet maken. De tendens was al zichtbaar onder de regering Clinton, die werkte onder het motto ‘multilateraal als het kan, unilateraal als het moet’. Net wat Bush junior zei in de aanloop naar de oorlog in Irak: ‘Met de VN als het kan, zonder als het moet.’ In het pokerspel rond Irak werd de toekomst van de Veiligheidsraad zelf ingezet als drukkingsmiddel. Aangezien de VS hoe dan ook ten oorlog wilden trekken, zou een veto van Frankrijk, Rusland of China de impotentie van de Veiligheidsraad tonen aan de hele wereld. Wat op zijn beurt een negatieve impact zou hebben op de machtspositie van die landen, aangezien die samenhangt met hun vetorecht in de Veiligheidsraad.
11 september was voor de VS-regering het sein om nog een tandje bij te steken. De Nationale Veiligheidsstrategie van Bush stelt dat het begrip ‘urgente dreiging’, dat volgens aloud internationaal recht en ook volgens artikel 51 van het VN-charter recht geeft op eenzijdig geweld als zelfverdediging, ‘moet worden aangepast aan de vijanden van vandaag’. Voortaan moet zo’n geweld kunnen, ook ‘als het onzeker is wanneer en waar de vijand zal toeslaan’. De vijand, dat zijn dan schurkenstaten en terroristen die dreigen met nucleaire, biologische of chemische wapens.
Rik Coolsaet, professor internationale politiek aan de universiteit van Gent, ziet het zo: ‘Clinton legde meer nadruk op wederzijdse afhankelijkheid in de wereld, Bush en de neoconservatieven rond hem vertrekken van de botsing tussen staten.’ Clinton vertrouwde nog op containment  een politiek van beheersing  om Irak te controleren, terwijl Bush de confrontatie predikt. Al mogen we niet vergeten dat er ook onder Clinton voortdurend gebombardeerd werd op Iraaks grondgebied.
De VS zetten echter niet alleen de globale regels inzake het gebruik van geweld onder druk, ze willen liefst aan zoveel mogelijk internationale regels ontsnappen. Bestaande akkoorden zegden ze op, en ze stapten uit heel wat internationale onderhandelingen omtrent globale problemen (zie onder). Volgens Jan Wouters, professor Internationaal Recht aan de KU Leuven, hanteren de VS internationale afspraken zoals het henzelf het beste uitkomt. ‘Tijdens de onderhandelingen over het klimaatverdrag van Kyoto en over het internationaal Strafhof van Den Haag, zorgden ze voor zoveel mogelijk soepelheid in het ontwerpakkoord, om dan uiteindelijk toch niet mee te doen. Fraai is het niet.’
Tenslotte stellen de VS zich op sociaal-economisch gebied allesbehalve gul op: in de Wereldhandelsorganisatie en het Internationaal Monetair Fonds komen ze keihard op voor hun belangen  en die van hun multinationals  terwijl hun ontwikkelingshulp in de jaren negentig daalde tot 0,08 procent van hun inkomen, het laagste cijfer van alle rijke landen.

Voor een hoger doel


Iedereen is gelijk voor de wet, maar de baas is baas. Vanuit die logica verwerpen de VS internationale kaders die hen binden zoals ze andere staten binden. Jean-Pascal Zanders, die op het Zweedse instituut voor vredesonderzoek SIPRI de chemische en biologische bewapening bestudeert, stelt vast dat de VS nu anders aankijken tegen ontwapeningsonderhandelingen. ‘Tijdens de Koude Oorlog leidde elk compromis met die ene tegenstrever tot een vermindering van de dreiging. Nu komt de dreiging van een grote groep staten en niet-statelijke actoren, zoals informele en illegale netwerken. De supermacht heeft daardoor het gevoel dat ze bij elke wapenbeheersingsovereenkomst eenzijdig hun eigen capaciteiten verminderen, zonder dat daar voldoende tegenover staat. Daarom weigerden de VS mee te doen met pogingen om het verdrag over biologische wapens te controleren. De regering Bush gaat echter nog verder: ze is ideologisch gekant tegen multilaterale onderhandelingen over ontwapening, ze steunt liefst opnieuw op eigen militaire middelen om de nationale veiligheid te garanderen. Als je die verschuiving in de geesten niet doorhebt, kan je hen niet begrijpen.’
Zanders ontwaart nog iets anders. ‘De biotechnologie veroorzaakt een groeiende bio-dreiging. Dus gaan staten meer investeren in bio-verdediging. De VS doen dat, maar anderen ook. Als ze dat zelf doen, vinden de VS dat geen probleem, als Iran dat doet, dan is het plots wel problematisch. Dat andere landen misschien ook bang zijn van hún verpletterende overwicht, komt niet bij hen op. Als ik Amerikaanse vertegenwoordigers met die mogelijkheid confronteer, antwoorden ze dat hun land ten dienste van het goede staat. Het meest verontrustende daarin vind ik dat ze dat geregeld verbinden met religie.’
Ook professor internationaal recht Jan Wouters ziet een neiging tot een moreel superioriteitsgevoel: ‘Het VN-charter vertrekt van de soevereine gelijkheid van alle staten. Als één staat zich waagt aan een preventieve oorlog zonder VN-mandaat, kunnen anderen dat ook doen, denk aan India, Pakistan, of Israël. De VS gaan echter uit van hun eigen morele uitzonderlijkheid. Die combinatie van morele superioriteit en politiek unilateralisme is zeer explosief. Je merkt het nu al aan de negatieve gevoelens in alle lagen van de Belgische bevolking: “Wie denken ze wel dat ze zijn?” Als Europeanen dat al zo ervaren, wat moet het dan in de Arabische landen zijn?’

De regering is de burger niet


Denken VS-burgers anders dan Europeanen? Niet echt, zo blijkt. Het grootste opinieonderzoek ooit inzake buitenlands beleid gaf duidelijk aan dat EU- en VS-burgers over veel zaken hetzelfde denken: ze zijn bekommerd om klimaatopwarming en verkiezen optreden in VN-verband boven eenzijdig optreden. Alleen staat het buitenland niet bovenaan de agenda van de gemiddelde Amerikaan. Tussen 1989 en 2000 sneden de Amerikaanse televisieketens tweederde van hun buitenlandse berichtgeving weg. Onderzoek leert dat slechts 29 procent van de Amerikanen zeer geïnteresseerd is in nieuws over andere landen.
Joseph Nye: ‘Het gevaar van die onverschilligheid is dat special interests een meer dan normale invloed krijgen in het bepalen van wat het nationaal belang is. Wat Nye met die special intrests bedoelt, maakt Pieter Weseman van SIPRI duidelijk : ‘Als de VS in juli 2001 afspraken over lichte wapens weigerden, heeft dat ongetwijfeld te maken met de zeer sterke wapenlobby in de VS.’
Sommigen zien de hele regering Bush als een special interest ploeg, die vooral rijdt voor de energie-en wapenlobby’s. Zeker is dat dit de meest rechtse regering sinds vele jaren is, die bovendien zeer nipt verkozen werd: Bush kreeg slechts de stemmen van een goeie twintig procent van de bevolking. De invloed van bedrijfsgeld in de kiescampagne was groter dan ooit, wat uiteraard de democratie uitholt. De huidige VS-regering heeft bovendien nauwe financiële en persoonlijke banden met de oliebranche en de wapenindustrie (kader).

De regering Bush maakte geen geheim van haar prioriteiten: ze gaf meteen aan dat versterking van de militaire capaciteiten en een verhoogde greep op de olierijkdommen in het buitenland prioriteiten waren. De New Energy Policy Development Group, onder leiding van vice-president Dick Cheney, publiceerde al op 21 mei 2001 een onthullende energienota. Daarin werden slechts bescheiden sommen voorzien voor de ontwikkeling van alternatieve energie, terwijl men er anderzijds van uit gaat dat de hoeveelheid ingevoerde olie tegen 2020 met 60 procent stijgt. De ontwikkeling van de olie-invoer moet daarom ‘een prioriteit van het handels- en buitenlandbeleid’ worden. De olierijke Arabische staten moeten buitenlandse investeerders toelaten om de productie op te drijven, en er moet meer belang gehecht worden aan de voorraden in Centraal-Azië en rond de Kaspische Zee.
Michael Klare, professor aan universiteit van Hampshire, zegt dat 11 september op beide Bush-prioriteiten heeft ingewerkt als een turbo. De oorlog in Afghanistan had bijvoorbeeld als “neveneffect” dat de toegang tot energievoorraden in Centraal-Azië werd bevorderd. Het conflict met Irak past perfect in dit verhaal: het is een “schurkenstaat” waartegen de VS preventief willen optreden, ook als er geen urgente dreiging is. Toevallig is Irak na Saoedi-Arabië de olierijkste staat ter wereld.

Niemand kan het alleen


Het eigengereide en eenzijdige optreden van de VS zorgt wereldwijd voor frustraties en woede. Dat schept de omgeving waarin informele, al dan niet legale, netwerken of groeperingen tot geweld kunnen overgaan. Die ongrijpbare acties en actoren zijn overigens de enige vorm van verzet die een kans maakt tegenover de militaire overmacht van de VS.

Amerikaanse onderzoekers, van de linkse Immanuel Wallerstein tot centrumfiguur Joseph Nye, vrezen dat de unilaterale aanpak op termijn slecht zal uitpakken voor de VS. Wallerstein vindt dat de VS niet langer de economische suprematie hebben om hun groeiende militaire pretenties te ondersteunen. In elk geval zullen anderen na een oorlog allicht mee de heropbouw moeten betalen. Nye vreest dat het eenzijdig optreden tegenkrachten zal oproepen, en wijst erop dat de VS samenwerking met andere staten nodig hebben.

Of het nu gaat om de bestrijding van besmettelijke ziektes, het scheppen van financiële stabiliteit of het voorkomen van klimaatverandering, samenwerking is in de geglobaliseerde wereld van vandaag de enige weg vooruit. De dreiging vanwege niet-statelijke actoren kunnen de VS niet zonder medewerking van de andere staten bestrijden. Om die te bekomen moeten ze echter goodwill kweken door zich te gedragen als een verantwoordelijke leider. In een wereld die steeds kleiner wordt, zijn een goed milieu, een internationale rechtsorde die veiligheid onderstut, en een economische orde die alle landen vooruit helpt, van belang voor iedereen. Alle landen kunnen daartoe een steen bijdragen, maar het zijn de VS die macht, aanzien en middelen hebben om de bedding voor zo’n ordening te leggen. Leiderschap dat steunt op globale verantwoordelijkheid, en niet alleen op dwang, is niet goedkoop. Toch kan alleen zo de Pax Americana duurzaam worden. Iemand zou het Witte Huis toch eens moeten vertellen dat vertrouwen en massavernietigingswapens niet samengaan.


HET EINDE VAN DE WERELD

- Maart 2001: Bush verklaart dat de VS het Kyoto-protocol niet zullen ondertekenen
- Mei 2001: de VS weigeren economische spionage en elektronisch afluisteren van telefoongesprekken, faxen en e-mails ter discussie te stellen
- Mei 2001: de VS weigeren in de OESO mee te werken aan de bestrijding van schadelijke vormen van belastingscompetitie, en van witwaspraktijken in offshore centra. Die houding verandert als na 11 september blijkt dat Al-Qaeda via offshore centra gefinancierd wordt.
- juli 2001: de VS stoppen met onderhandelen over verificatiemechanismen over biologische wapens
- juli 2001: de VS zijn als enige tegen een VN-akkoord om de internationale handel in lichte wapens te beperken
- augustus 2001: Bush verwerpt de Clinton-belofte dat de VS het verdrag over anti-persoonsmijnen in 2006 zullen tekenen
- december 2001: de VS stappen uit het Anti Ballistic Missiles Treaty- het Verdrag tegen het ontwikkelen van anti-raketsystemen
- september 2002: de VS beletten sterke engagementen over alternatieve energie op de Aardetop in Johannesburg
- september 2002: het concept van de preventieve oorlog duikt op in de national security strategy van de VS. Meteen wordt het toegepast op Irak.

DE DRUK VANUIT WASHINGTON

Een klein land kan toch een eigen politiek voeren. Dat bewees Louis Michel in het Irak-dossier. Voordat de Navo half februari in crisis ging, kreeg de minister nochtans geen boze telefoontjes omdat hij zo’n onafhankelijke koers voer, zegt een diplomaat. ‘Maar België is ook geen strategische partner en zit ook niet in de Veiligheidsraad.’

Politicoloog Rik Coolsaet meent dat de VS meestal doen alsof we niet bestaan: ‘Iemand negeren is ook een zware vorm van druk natuurlijk.’ Coolsaet gelooft in de rol die persoonlijkheden in dit alles spelen. ‘Topdiplomaten vertellen me hoe doodsbang of dolgelukkig Belgische premiers of ministers vroeger waren als ze bij de Amerikaanse president mochten komen. Dat speelt ook nu weer in het Irakdossier: premiers zijn gevleid als ze een telefoontje van de Amerikaanse president krijgen.’ Het feit dat Michel wel een andere koers vaart, bevestigt een andere stelling van Coolsaet: ‘Uiteindelijk word je maar gerespecteerd als je uitkomt voor je eigen mening. Waarom zou je in de houding moeten springen van zodra het Witte Huis spreekt? Ik begrijp dat niet.’

Een deel van het antwoord ligt natuurlijk in de rauwe macht. Als Frankrijk bijvoorbeeld niet meedoet aan de oorlog in Irak, en de VS gaan alleen door en winnen de oorlog, dan krijgt de Franse invloed op de gigantische Iraakse olievoorraden  en in het Midden-Oosten als geheel  een fameuze deuk. Toch zijn de Europeanen het best geplaatst om de eenzame supermacht die de VS zijn, goede raad te geven: er zijn de historisch-culturele banden, de EU vormt een economisch tegenwicht, en bovendien weten wij dat wereldmacht een eindig gegeven is.

WIE WIL ER OORLOG?

In november 2002 lanceerde een groep van invloedrijke Amerikanen, het zogenaamde Comité voor de Bevrijding van Irak, een campagne om steun te winnen voor een invasie in de Golfstaat. De figuren die dit Comité bevolken zijn geen onbekenden in de Amerikaanse politiek. Wat opvalt, zijn hun nauwe banden met het Pentagon, met defensieminister Donald Rumsfeld en vice-president Cheney.

Voorzitter van het Comité is Bruce P. Jackson. Hij is een gewezen officier bij de militaire inlichtingendienst en was voorzitter van het subcomité voor Nationale Veiligheid en Buitenlandse politiek van de Republikeinen in de verkiezingscampagne met Bush jr in 2000. Jackson is ook vice-president van wapenfabrikant Lockheed Martin. Een andere spilfiguur is Randy Scheunemann, gewezen Republikeins senator en tot voor kort Rumsfelds raadgever inzake Irak. Volgens Scheunemann is het de opdracht van het Comité steun te winnen voor een project van ‘vrede, politieke vrijheid en internationale veiligheid door Saddam uit te schakelen en een nieuwe democratische regering te installeren.’ Het Comité werkt vooral via de media, zowel in Europa als in de VS.

Het is een spin-off van het zogenaamde Project voor een Nieuwe Amerikaanse Eeuw, kortweg PNAC dat in 1997 officieel het licht zag. De lobbygroep is de spreekbuis van een groep neoconservatieve joden, naar fundamentalisme neigende christenen en Republikeinen van de harde lijn die het neo-imperialistische beleid van Bush ondersteunen. Tot de stichtende leden van PNAC behoren toppolitici als Rumsfeld, Cheney, en hun afgevaardigden Paul Wolfowitz en Lewis Libby.Nog vóór George Bush een antwoord klaar had op 11 september, had deze groep al de mond vol over anti-terrorisme en VS-steun aan Israël voor een hardere opstelling tegenover de Palestijnse Autoriteit.

Op de vooravond van Bush’s State of the Union, schreef het PNAC een open brief waarin het een toename van het militaire budget vroeg met 100 miljard dollar voor volgend jaar. Die brief werd ondertekend door gekende figuren uit de vroegere Reagan-administratie en door individuen met banden met Lockheed Martin.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift