De wetenschappelijke diaspora

De omvang van de braindrain, en meer bepaald de emigratie van ingenieurs en wetenschappelijk personeel, is altijd moeilijk te beoordelen geweest, wegens het gebrek aan precieze cijfers. Enkel voor de Verenigde Staten bestaan er precieze cijfers. Voor een raming op mondiaal niveau mag men deze cijfers verdubbelen, omdat de Verenigde Staten ongeveer de helft van alle studenten uit de ontwikkelingslanden aantrekken.
Uit studies blijkt dat 65 procent van alle buitenlandse wetenschappers en ingenieurs die in de Verenigde Staten aan het werk zijn, hun doctoraatsdiploma in dat land haalden. Slechts de helft van de buitenlanders die een doctoraat halen, keren binnen de twee jaar naar hun land terug. Het onderwijs is dus de facto een migratiekanaal voor wetenschappers en ingenieurs.

Kunnen ontwikkelingslanden voordeel halen uit hun ‘voorraad’ aan intellect die in het buitenland verblijft? Wij willen in dit artikel aantonen dat dit mogelijk is.

DE INTELLECTUELE DIASPORA POSITIEF AANWENDEN: EEN STRATEGIE MET TOEKOMST

Sinds 1960 werd braindrain altijd gedefinieerd als een probleem waartegen beleidsmaatregelen genomen moesten worden. Dertig jaar lang werd de nadruk gelegd op tegenmaatregelen: voorkomen of reguleren van de uitstroom van hooggeschoolden, de negatieve effecten daarvan tegengaan door een belasting op de emigratie te heffen. Dit beleid heeft geen resultaat gehad, vooral niet omdat het op een verkeerd uitgangspunt gebaseerd was. Dit uitgangspunt was de theorie van het ‘menselijk kapitaal’. De hoogopgeleide persoon wordt daarin gezien als een ‘individueel kapitaalgoed’, samengesteld of gevormd door alle vroegere investeringen in opleiding en beroepservaring. In deze visie is het vanzelfsprekend om de migratiestroom te beperken of compensatie via belastingen te zoeken, teneinde het verlies aan menselijk kapitaal te beperken. Maar dit beleid kon niet werken omdat de menselijk kapitaalbenadering maar een deel van de realiteit weergeeft.

De sociologie van wetenschap en technologie heeft nieuwe inzichten ontwikkeld over het proces van het voortbrengen, het overdragen en het toepassen van kennis. De klemtoon ligt nu op het collectief karakter van dit proces. Hiermee zijn de namen verbonden van o.a. Robert Merton, Thomas Kuhn en Bruno Latour. Merton beklemtoonde de rol van ‘gemeenschappen van wetenschappers’. Wat deze gemeenschappen vormt, zijn niet zozeer de institutionele banden als wel de sociale contacten. Thomas Kuhn heeft het in zijn paradigma van de wetenschappelijke revolutie over ‘socio-cognitieve gemeenschappen’. Kennisoverdracht gebeurt onder specifieke voorwaarden, en vereist vele en bijna dagelijkse contacten tussen de wetenschappers. De activiteiten van individuele onderzoekers krijgen volgens Bruno Latour pas hun volledige betekenis, als ze ingebed zijn in een netwerk met andere onderzoekers.

Wat we hieruit kunnen leren, is dat de ‘voorraad aan kennis’ (de stock aan menselijk kapitaal) van een land slechts een productiemiddel naast de andere is. Menselijk kapitaal wordt slechts effectief in combinatie met andere factoren. Het (negatieve) bewijs wordt dikwijls geleverd door talentvolle wetenschappers of ingenieurs waarvan de capaciteiten bij terugkeer naar hun land van oorsprong verkeerd benut of onderbenut worden, omdat ze afgesloten zijn van het milieu waarin ze hun beste prestaties leverden. Dit inzicht moet ons tot een nieuwe benadering brengen waarin verbondenheid met de wetenschappelijke gemeenschap in ruime zin voorop staat. Dat leidt ook tot een andere kijk op braindrain.

We moeten nu sterker de braingain benadrukken, een situatie waarin de geëmigreerde wetenschapper of ingenieur beschouwd wordt als een potentieel menselijk kapitaalgoed voor het land van oorsprong. Omdat deze emigranten in het buitenland getraind worden en onder betere voorwaarden kunnen werken, wordt de voorraad aan menselijk kapitaal van het land van oorsprong vergroot, tenminste indien dat land erin slaagt van dat menselijk kapitaal gebruik te maken. Dit kan op twee manieren gebeuren: door de terugkeer van de emigranten, of door het mobiliseren en betrekken van de emigrant bij de ontwikkelingsinspanningen van het land van oorsprong, d.i. de optie van de diaspora.

TERUGKEER OF DIASPORA?

De terugkeeroptie werd met succes toegepast in enkele opkomende economieën zoals Singapore of Zuid-Korea, of in grote ontwikkelingslanden zoals China en India. Deze landen hebben sinds 1980 met terugkeerprogramma’s gewerkt. De teruggekeerde wetenschappers worden in nationale netwerken geïntegreerd.

Deze optie kan echter slechts slagen onder bepaalde voorwaarden: de landen moeten investeren in onderwijs en in wetenschappelijk onderzoek. Deze voorwaarden zijn in vele ontwikkelingslanden niet aanwezig.

De optie van de diaspora is recenter en volgt een andere weg. Ze gaat ervan uit dat de emigranten niet gemakkelijk zullen terugkeren. Ze hebben zich in het buitenland gevestigd en daar hun professioneel en familiaal leven uitgebouwd. Maar door culturele of familiebanden kunnen zij nog wel belangstelling hebben voor de ontwikkeling van hun land van oorsprong. De bedoeling is dan om kanalen te voorzien waarlangs die belangstelling kan omgezet worden in concrete bijdragen tot de ontwikkeling, maar zonder tijdelijke of definitieve terugkeer. Deze nieuwe vormen van samenwerking zijn nu mogelijk en het bewijs wordt geleverd door internationale onderzoeksprojecten of door de dagelijkse activiteiten van multinationale ondernemingen. De banden tussen emigranten en hun land van oorsprong bestonden ook in het verleden. Maar die sporadische en beperkte relaties kunnen veel systematischer en omvangrijker worden.

Een belangrijk voordeel van de diaspora-optie is dat er geen grote educatieve of andere investeringen nodig zijn, omdat op de bestaande hulpbronnen voortgebouwd wordt. Landen die de sociale, politieke en organisatorische inspanning willen opbrengen, kunnen de diaspora mobiliseren. Daardoor krijgen ze niet alleen toegang tot de individuele capaciteiten van hun emigranten, maar ook tot de netwerken waarvan die deel uitmaken. De optie van de diaspora is dus bij uitstek geschikt voor een tijd waarin kennis en technologische ontwikkeling berusten op samenwerking en op het activeren van relaties.

Wij konden 41 netwerken van expatriates (hooggeschoolden die in andere landen leven en werken) identificeren. Deze netwerken hebben als uitdrukkelijke doelstelling de uitwisseling van kennis en beroepservaring mogelijk te maken. Deze kennisnetwerken overspannen 30 verschillende landen. Sommige landen zijn bij twee of meer netwerken betrokken. Twee netwerken hebben een regionale spreiding: de Arab Scientists and Technologists Abroad (ASTA) en de Latin American Association of Scientists (ALAS). De meeste netwerken ontstonden spontaan in de jaren 1990. Zij verschillen in omvang, doelstellingen, activiteiten en structuren. De meeste netwerken onderhouden weinig of geen contacten met gelijkaardige initiatieven.

EEN TYPOLOGIE VAN DE NETWERKEN VAN DE WETENSCHAPPELIJKE DIASPORA

De netwerken kunnen in vijf groepen onderverdeeld worden:

netwerken van studenten, inclusief doctoraalstudenten;
lokale of regionale verenigingen van hooggeschoolde emigranten;
TOKTEN, het Transfer of Knowledge Through Expatriate Nationals prgramma van de UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties;
goed gestructureerde netwerken van professionals in de diaspora;
beginnende netwerken van professionals.
Netwerken van studenten geven bijstand aan jongeren die in het buitenland studeren, en zijn vooral gericht op het uitwisselen van informatie of op de integratie in de arbeidsmarkt voor hooggeschoolden. Hun activiteiten hebben relatief weinig betekenis voor de landen van herkomst. Dit is ook de enige categorie waarin we ook netwerken uit hoog ontwikkelde landen kennen.

Lokale of regionale verenigingen van hooggeschoolde emigranten hebben zowel professionele als sociale doenstellingen. CESASC uit China organiseert vergaderingen en een jaarlijkse technische conferentie en biedt zijn leden een soort vacaturebank aan. SIPA uit India gaat nog een stap verder: het bevordert niet alleen de samenwerking tussen hooggeschoolde Indische emigranten maar ook tussen de Verenigde Staten en India in de hightechsectoren. Lokale verenigingen vormen soms de kern van grotere verbanden, zoals in het geval van het Colombiaanse Red Caldas, het South African Network of Skills Abroad of het Philippines Brain Gain Network (BGN).

TOKTEN, afkorting van Transfer of Knowledge through Expatriate Nationals, is een initiatief van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP). Het moedigt hooggeschoolde emigranten aan om voor korte perioden naar hun land van herkomst terug te keren. Gedurende drie weken tot drie maanden worden ze dan in ontwikkelingsprojecten of in het universitair onderwijs ingeschakeld. Vele landen doen af en toe beroep op dit programma. Sommige landen zoals Libanon, Pakistan, Palestina en Sri Lanka maken van dit kanaal gebruik om hun menselijk kapitaal in het buitenland op meer systematische wijze in te schakelen. TOKTEN stelt een namenbestand ter beschikking, dat de basis van echte netwerken kan vormen.

Netwerken van professionals in het buitenland hebben als doel de kennis en ervaring van hooggeschoolde emigranten terug te sluizen ten bate van de ontwikkeling in het land van oorsprong. Sommige van deze netwerken begonnen met bescheiden ambities, maar breidden hun activiteiten daarna uit. RBD uit Thailand is hiervan een voorbeeld: het begon als een initiatief om hooggeschoolde Thailanders voor korte tijd naar hun land terug te halen, maar richt zich nu op vormen van permanente samenwerking tussen Thaïse wetenschappers en ingenieurs in eigen land en in de migratie.

Sommige netwerken staan nog in de kinderschoenen. Dat is o.a. het geval voor FORS uit Roemenië, een vereniging die Roemeense wetenschappers die in het buitenland verblijven, wil laten samenwerken met wetenschappers in Roemenië zelf, om bij te dragen tot de economische en sociale hervormingen.

KENMERKEN VAN NETWERKEN UIT DE INTELLECTUEEL-WETENSCHAPPELIJKE DIASPORA

Een goed gestructureerd netwerk vertoont volgende kenmerken:

de meeste leden hebben dezelfde nationaliteit en werken of studeren in het buitenland;
de leden zijn hooggeschoold en werken als professionals of in het wetenschappelijk onderzoek;
het voornaamste doel van het netwerk is de economische en sociale ontwikkeling van het land van oorsprong;
er bestaan gestructureerde relaties tussen de leden van het netwerk onderling en tussen de leden die in het buitenland verblijven en hun collega’s in het land van oorsprong.
De netwerken kunnen beschreven worden op grond van hun organisatie en bestuursvorm, hun lidmaatschapsvereisten en hun doelstellingen en activiteiten.

Wat organisatie en bestuursvorm betreft, zal het niet verwonderen dat het internet het voornaamste middel tot promotie en kennismaking met het netwerk is. Geïnteresseerden vullen een on line-formulier in en worden dan officieel lid; hun namen en beroepskwalificaties worden dan in een bestand opgenomen.

Sommige netwerken zijn totaal onafhankelijk van regeringen of politieke partijen. Dat is o.a. het geval voor IRSA uit Ierland, het Global Korean Network en ANA uit Nigeria. De meeste netwerken hebben evenwel banden met specifieke regeringsdiensten. Voorbeelden hiervan zijn: het Staatscomité voor Wetenschappelijk Onderzoek en het netwerk van Poolse wetenschappers in het buitenland, het Ministerie voor Hoger Onderwijs in Iran, de Adviesraad voor Wetenshap en Technologie in het geval van de Filippijnen. Deze banden zijn nuttig voor de inschakeling van de emigranten in ontwikkelingsprojecten, maar meestal verkiezen de leden van de netwerken toch een zekere graad van zelfstandigheid tegenover hun regeringen te behouden. Die autonomie komt dan tot uitdrukking in het feit dat de netwerken door een raad van geëmigreerde wetenschappers bestuurd worden en dat de werkingskosten uit de lidmaatschapsbijdragen betaald worden. Enkel Tunesië vormt een uitzondering hierop: het Tunesian Scientific Consortium wordt door de overheid gesponsord.

Het lidmaatschap staat open voor studenten, onderzoekers, ondernemers en hogere kaderleden. In sommige gevallen (Ierland, Tunesië, Thailand) kunnen ook organisaties van wetenschappers of ondernemers toetreden, op voorwaarde dat ze gericht zijn op de ontwikkeling van het land van oorsprong. Soms is het lidmaatschap voorbehouden voor onderzoekers en ingenieurs maar andere netwerken staan dan weer open voor hoogopgeleiden uit andere disciplines, bv. management en (overheids)administratie en humane en sociale wetenschappen. BGN uit de Filippijnen is een voorbeeld van een zeer breed netwerk waarvan de helft van de leden een doctorsgraad bezitten. In de meeste gevallen zijn de leden verspreid over de aardbol. Twee voorbeelden: de leden van Red Caldas uit Colombia zitten in dertig landen en die van SANSA uit Zuid-Afrika in 57 landen. Er zijn echter ook netwerken die zich beperken tot één deel van de wereld of tot één land, bv. de netwerken van Thaïse professionals in Europa of Japan.

De meeste netwerken reserveren het lidmaatschap voor emigranten van een bepaald land maar sommige netwerken (Colombia, Filippijnen, Tunesië) staan open voor iedereen die verklaart te willen bijdragen tot de ontwikkeling van het land van oorsprong.

De voornaamste doelstelling van de netwerken blijft uiteraard het bijdragen tot de economische, sociale en politieke ontwikkeling in het land van oorsprong. De concrete activiteiten zijn daarop gericht: het onderhouden van relaties en het bevorderen van communicatie tussen professionals in vele landen; sociale en culturele activiteiten, gaande van conferenties en studiedagen tot weekeindtrips en kerstfeesten. Het Global Korean Network, BGN (Filippijnen) en andere netwerken organiseren jaarlijkse conferenties over thema’s die zowel voor de leden als voor het land van oorsprong belangrijk zijn. Deze thema’s kunnen zeer verscheiden zijn: waterbevoorrading (Arabische landen), ontwikkeling van software en alternatieve energiebronnen (Filippijnen).

Alle netwerken verspreiden een gedrukte of elektronische nieuwsbrief. Het Tunesian Scientific Consortium en ASTA (Arabische landen) publiceren een tijdschrift met artikelen en boekbesprekingen van de leden. Op deze manier dragen de netwerken bij tot de verspreiding van onderzoeksresultaten en technologische kennis. BGN is ook gericht op de oprichting van ondernemingen in de Filippijnen, o.a. door adviezen te leveren aan nationale of multinationale ondernemingen. Red Caldas (Colombia) is actief op het terrein van biotechnologie en robotica. Deze voorbeelden geven aan dat de netwerken bij de overdracht van technologie van hoogontwikkelde landen naar ontwikkelingslanden een rol kunnen spelen.

PERSPECTIEVEN VAN DE WETENSCHAPPELIJKE DIASPORA EN ENKELE OVERWEGINGEN VOOR HET BELEID

Dat in zoveel landen rond dezelfde tijd netwerken met gelijkaardige kenmerken ontstonden, bewijst dat de diaspora een betekenisvolle strategie is. Geen enkel van deze netwerken is verdwenen en de meeste werken nu al een tiental jaren. Niet alle netwerken zijn even dynamisch maar alleen reeds het feit dat zij blijven bestaan, bewijst dat zij een zekere steun genieten.

Het aantal leden varieert van enkele honderden tot meer dan tweeduizend. Red Caldas uit Colombia organiseert de helft van de hoogopgeleiden die buiten het land verblijven, maar meestal is de organisatiegraad veel lager. De netwerken hebben hun potentieel dus zeker nog niet uitgeput. Waarschijnlijk zal ook slechts een deel van de hoogopgeleide emigranten toetreden. Maar in de bestaande netwerken ligt het opleidingsniveau zeer hoog en ontstaat aldus een reserve aan talent en ervaring, waarop de landen van oorsprong beroep kunnen doen.

Het is moeilijk de invloed van de netwerken op het land van herkomst te meten. De verschillende soorten van contacten -wetenschappelijke seminaries, e-mail, informele adviezen- leiden niet altijd tot onmiddellijke resultaten, maar dat betekent nog niet dat de netwerken zonder betekenis zijn. Er ontstaan reële vormen van samenwerking tussen emigranten en hun land van herkomst: gemeenschappelijk onderzoek, overdracht van technologie, uitwisseling van adviezen. Deze projecten zijn tot nu toe niet zeer talrijk maar er zijn wel concrete voorbeelden te geven.

Er zijn twee zaken nodig om tot gemeenschappelijke initiatieven te komen: een informatiesysteem en een systeem van aanmoedigingen of prikkels. Het informatiesysteem moet de mogelijkheden tot samenwerking beschrijven, het aanmoedigingssysteem moet de toegang tot de hulpbronnen (materiële of andere) verzekeren. Naast het netwerk zelf, moet er dus technische en politieke steun zijn. Die steun moet vooral uit het land van herkomst komen, tenminste indien met een effect op de ontwikkeling wil bereiken.

Welke toekomst heeft de optie van de diaspora? Heeft het zin om netwerken te vormen van hoogopgeleiden en wetenschappers die uit hetzelfde land afkomstig zijn, in een wereld waarin kennis en technologie en hun toepassing geglobaliseerd zijn? Het antwoord ligt in de effectiviteit van de netwerken. In de huidige wereld is informatie inderdaad overvloedig beschikbaar. Het probleem is de toegang tot relevante informatie en de omzetting ervan in ontwikkelingsacties. Het is hier dat de netwerken het verschil kunnen maken. Op technisch gebied, door middel van gegevensbestanden en andere informatiesystemen. Op sociaal gebied, omdat de netwerken kunnen leiden tot de vorming van ‘belangengemeenschappen’ en tot de sociale contacten die nodig zijn vooraleer mensen aan een gemeenschappelijk project beginnen. En in de mate dat de netwerken ook een doelstelling van nationaal belang hebben -bijdragen tot de ontwikkeling van het land van herkomst- mogen zij ook steun van de regeringen verwachten, bijvoorbeeld toegang tot de fondsen voor wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling.

Zowel voor de herkomstlanden als voor de vestigingslanden is de optie van de diaspora een strategie met wederzijdse voordelen. Het vestigingsland verliest er niets bij, want de wetenschappers en ingenieurs blijven bijdragen tot de nationale economie. Meer zelfs: de contacten met de herkomstlanden kunnen leiden tot nieuwe projecten en investeringen. Het netwerk is een kanaal dat stabiliteit en duurzaamheid geeft aan nieuwe projecten en investeringen. Dit wordt bevestigd door gemeenschappelijk initiatieven van bijvoorbeeld universiteiten uit Frankrijk en Colombia en van de National Science Foundation uit de Verenigde Staten en homologe structuren in China en India.

UNESCO, de UNDP en de Wereldbank zijn zich bewust geworden van de perspectieven van de wetenschappelijke diaspora. Hun steun kan de doorslag geven om de mogelijkheden van de netwerken in praktische realisaties om te zetten.

Mercy Brown is verbonden aan de universiteit van Kaapstad in Zuid-Afrika. Zij is sociologe en werkt aan de uitbouw van het South African Network of Skills Abroad (SANSA). Jean-Baptiste Meyer is eveneens verbonden aan de universiteit van Kaapstad. Sinds 1990 werkte hij in verschillende landen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika rond het thema van de internationale mobiliteit van studenten en wetenschappelijk personeel.Dit artikel is een bewerking van een paper, die voor het eerst werd voorgesteld op de Wereldconferentie over de Wetenschap, georganiseerd door de UNESCO in Boedapest in juni 1999. Hij werd gepubliceerd als Discussion Paper 41 in de reeks Management of Social Transformation (MOST) van de UNESCO.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift