De wilde wateren van de wereldeconomie

Ford Genk heeft Vlaanderen nog eens met de neus op de feiten gedrukt: onze welvaartboot is een kwetsbaar scheepje op de oceaan van de wereldeconomie. Als het stormt, is de schade al snel onoverzichtelijk groot. Een weerbericht over economie, democratie en duurzame ontwikkeling.

  • Dimi15 Een mars voor het behoud van jobs in Ford Genk, 18 oktober 2003. Dimi15

Ford blijft wagens produceren in Genk, dat is een opluchting, tenminste als de autogigant zijn beloftes deze keer wél nakomt. Dankzij de schriftelijke garanties van de Europese directie zou de schade “beperkt” blijven tot een verlies van 3000 banen bij Ford zelf en nog een pak bij de toeleveraars. Een volledige sluiting zou veel meer jobs hebben gekost, volgens het Belang van Limburg zelfs één op zeven in Limburg.

Politici van bijna alle kleuren van de regenboog gaven toe dat ze ten gronde niets kunnen doen tegen collectieve ontslagen of bedrijfssluitingen. Die gelatenheid was een blijk van coherentie. Dit soort economische schokken is immers een logisch bijproduct van de neoliberale economische globalisering waardoor kapitaal, goederen en diensten zich steeds vrijer over de planeet mogen bewegen. Tot nader order staan zowat al onze politieke partijen min of meer achter die globalisering. Omdat ze vermoeden dat België er uiteindelijk meer voordelen dan nadelen uit haalt. Omdat ze geloven dat de internationale arbeidsherverdeling die ermee samenhangt - industrie naar lageloonlanden - voor iedereen het beste is. En omdat het kleine België moeilijk in zijn eentje tegen kan zijn, toch?

Kiezen voor die globalisering betekent aanvaarden dat onze toekomst afhankelijk is van de wereldeconomie. Of juister: van het fundamentele sturingsmechanisme van die wereldeconomie. Het zijn private investeerders die beslissen waar welke dingen worden geproduceerd. Ze baseren hun beslissingen op een beperkte invulling van het begrip efficiëntie: welke regio levert de goederen of diensten voor de laagste prijs, welke lokatie biedt het beste perspectief op een groot marktaandeel en meer winst voor de aandeelhouders? Vanuit die logica schuiven reusachtige ondernemingen, die honderdduizenden mensen tewerkstellen, met productie over de planeet zoals schaakspelers met pionnen en lopers over het schaakbord. 

De mensen van Steve

Staten, steden, regio’s, kmo’s en uiteindelijk ook die multinationals zelf varen op de wilde stroom van de wereldeconomie. Ze moeten de stroom, en zichzelf, juist inschatten om niet kopje onder te gaan. Dat is wellicht altijd zo geweest - tenzij in autarkische tijden, toen de economie op stilstaand water leek en de dingen roerloos op hun plaats bleven liggen. Vandaag lijkt verankering van activiteiten op een bepaalde plaats een illusie. Activiteiten komen en gaan, al decennia lang. Steenkool in Limburg? Die rust in vrede, diep onder de grond. Schoenindustrie in Izegem? Een herinnering, goed voor een zin in een rapsong en een museum.

De stroom van de wereldeconomie is de voorbije twintig jaar nerveuzer geworden en gemeenschappen kwetsbaarder. Tussen 1945 en 1965 controleerden de staten het kapitaalverkeer. Ze beslisten hoeveel geld het land uit kon. Het “nationale” spaargeld, dat gevangen zat binnen nationale grenzen, werd geïnvesteerd in een nationale economie die min of meer gestuurd werd door de overheid. Die tekende immers een industrieel beleid uit, bepaalde de sleutelsectoren en investeerde daar ook zelf in. 

Geleidelijk aan, en de voorbije vijfentwintig jaar in versneld tempo, werd het idee van de overheid als sturende kracht overboord gegooid. Regeringen beslisten de nationale sluizen open te zetten voor elkaars geld, goederen en diensten. Ze bouwden de bescherming van hun markten af en maakten hun producenten kwetsbaar voor buitenlandse concurrentie. De technologie - transport en communicatie op kop - werkte daarop in als een turbo: nooit voorheen kon de productie zo mondiaal worden georganiseerd. Een blik tomatensoep met balletjes bevat tegenwoordig makkelijk producten uit twintig landen. 

Burgers hebben niet om die verandering gevraagd. Het waren veeleer de grote bedrijven die in de globale markten een nieuw en aantrekkelijk project zagen. Politici hebben dat project mee vormgegeven via afspraken in internationale organisaties zoals de Wereldhandelsorganisatie (WTO) of de Europese Unie. ‘De mensen zijn niet bezig met Cancun’, zegt Steve Stevaert in verband met de jongste WTO-top in Mexico. Hij vergeet dan dat zijn mensen wél bezig zijn met de gevolgen van de WTO-afspraken. Want de sluizen naar de wereldeconomie verder openen, betekent meer competitie: de snelheid waarmee nieuwe concurrenten opdagen in deze gene of gene sector neemt toe, en dus ook het aantal schokken à la Ford. En beweren dat de mensen niet bezig zijn met Ford, tja… De grote politieke pedagoog, die de moeilijkste problemen in een fijne oneliner weet te vatten, faalt hier jammerlijk.

Wie ‘vooruit’ wil raken op de zee van de wereldeconomie moet behendig zijn. Bedrijven moeten de juiste keuzes maken. Regio’s moeten investeerders zien aan te trekken, al verschilt hun startpositie zeer sterk. De overheid speelt een eerder passieve rol: ze mag het bedje spreiden voor investeerders. Niet zelf beslissen wat er wordt geproduceerd, dat doet de private sector wel. Zeker, de burger spreekt een woordje mee want hij of zij moet de producten en diensten wel kopen natuurlijk. Of iets al dan niet verkoopt, hangt vandaag af van de wisselwerking tussen de publiciteit van reuzenbedrijven en individuele consumenten. Zo stuwt de wereldeconomie zich voort in een complex spel van grote bedrijven, gedienstige overheden en koopkrachtige consumenten. De grote meerderheid van de wereldburgers heeft echter te weinig koopkracht om in dit verhaal een rol te spelen. Bovendien zijn er signalen dat dit gewoon niet de snelste weg is om tot duurzame ontwikkeling. Een ontwikkeling dus die vanuit sociaal en ecologisch oogpunt aanvaardbaar is. 

Macht en verantwoordelijkheid

Neem nu dit verhaal. Jaren geleden vroeg Greenpeace aan consultant KPMG wat er nodig was om van zonne-energie een rendabele energiebron te maken. Het antwoord luidde: een zeer grote fabriek bouwen zodat de schaalvoordelen de prijs van de zonnecellen drukken. Zeggen de energiereuzen: zo’n grote investering kunnen we niet doen als de markt er nog niet rijp voor is. Overheden kunnen zoiets wel, maar dat hoort dus niet meer. Vlaanderen doen dromen van de Olympische Spelen, jazeker, maar Vlaanderen sturen in de richting duurzame energievoorziening, ho maar. De EU heeft wel de omvang en het gewicht om zulke keuzes te maken, maar dan spreken we wel over een andere Unie dan de huidige. Dus wordt er gewacht tot “de markt” er klaar voor is, en intussen nemen we niet alle voorzorgen die we kunnen nemen tegen het broeikaseffect. Welke prijs we daarvoor gaan betalen, zal de toekomst uitwijzen.

De mensen zijn niet bezig met Cancun? De globalisering treft nochtans de democratie zelf. We nemen nog altijd aan dat de politici die we verkiezen, ons huis - de samenleving - inrichten zoals wij hen dat vragen. Maar als een bedrijf één op de zeven Limburgers werkloos kan maken, dan raakt dat aan de inrichting van ons huis. Werk is immers meer dan een broodwinning: het biedt een sociaal milieu, een cultuur soms, een identiteit. Wie dat kapot maakt, kwetst mensen. De macht van private actoren wordt in zo’n geval zo groot dat ze de democratie bedreigt, omdat duidelijk wordt dat niet het volk en zijn vertegenwoordigers beslissen. De slachtoffers verwijten de politici dikwijls dat onvermogen: politieke onmacht kweekt antipolitiek. 

Ford besliste om 12.000 mensen te ontslaan, dat is 3 procent van zijn 350.000 werknemers. Ontslaat een kmo met 33 werknemers 3 procent van zijn personeel, dan staat er één persoon op straat. Geen haan die ernaar kraait, en een gouden handdruk kan die man of vrouw vergeten. Door zijn omvang neemt een beslissing van Ford maatschappelijke dimensies aan. Zo’n bedrijf moet de verantwoordelijkheden dragen die bij zijn afmetingen passen: geleidelijk afbouwen, in overleg met alle betrokkenen, en middelen geven om de reconversie van werknemers mogelijk te maken. Dat gebeurt ten dele. Karel Gacoms (ABVV) vertelt dat Renault veel geld op tafel gelegd heeft voor het sociaal plan na de sluiting in Vilvoorde. 

De andere mogelijkheid om zo’n klappen te voorkomen, is dat er een rem gezet wordt op de groei van bedrijven. Maar dat is buiten de globalisering gerekend, die de creatie van monopolies, mondiale concerns en megabedrijven juist stimuleert. Een van de voordelen die multinationals hebben tegenover kmo’s, is dat ze minder belastingen betalen omdat ze hun winst kunnen laten verschijnen in die landen waar de belastingtarieven lager zijn. Zij kunnen bovendien hun “sociale en ecologische kosten optimaliseren”, zoals dat heet. Kleine en middelgrote ondernemingen daarentegen zitten “gevangen” binnen de grenzen van één samenleving. Dat is economisch niet altijd de meest winstgevende situatie, maatschappelijk heeft het zeker wel voordelen. Buren blijven mekaar op het lijf lopen en dat schept een band van wederzijdse verplichtingen - geven en nemen - al moeten ook kmo’s winst maken. Een kmo-netwerk is daarom wellicht een stabielere werkgever dan één corporate giant.

Overheden kunnen de kwetsbaarheid van hun regio verminderen met een verstandig industrieel beleid, zegt professor Glen Rayp die internationale economie doceert aan de UG. Ze kunnen de economische activiteit in richtingen sturen die minder kwetsbaar zijn voor delokalisatie. Rayp vindt het zinniger daarin geld te steken dan in lastenvermindering. 

Weg met de industrie

Ford Genk is het verhaal van één beslissing van één megabedrijf en de gevolgen daarvan voor één regio. De mutaties veroorzaakt door de wereldeconomie - de som van alle economische beslissingen - gaan verder en dieper en zijn vaak sluipender. Voor België zou sprake zijn van desindustrialisering. Tussen 1980 en nu daalde het aantal industriebanen volgens het Planbureau van 870.000 naar 625.000. Het bureau verwacht dat er de komende vijf jaar weer 30.000 industriebanen zullen verdwijnen. Aan dat tempo is het einde van de industriële arbeid in België nog niet voor morgen. Toch is er brede consensus dat de industriële tewerkstelling hier geleidelijk zal afnemen door een combinatie van productiviteitsstijging en verplaatsing van activiteiten naar lageloonlanden.

Wat zijn de sociale gevolgen van desindustrialisering? Karel Gacoms vertelt dat de ex-werknemers van Renault-Vilvoorde wel ander werk vonden, maar doorgaans met een lager salaris en een slechter statuut. ‘Als die industriële jobs wegvallen, zie ik een nog grotere kloof ontstaan tussen vetbetaalde kenniswerkers en laaggeschoolden in wat dan hoofdzakelijk een diensteneconomie zal zijn.’ De Verenigde Staten en Groot-Brittannië, die voorop lopen in de desindustrialisering, zijn landen met grotere inkomensongelijkheid. 

Professor Rayp is ervan overtuigd dat continentaal Europa het groeien van die kloof kon voorkomen via de sociale zekerheid, en dan vooral via het systeem van de brugpensioenen. Als nu wordt opgeroepen om aan die brugpensioenen een einde te maken - omwille van de vergrijzing - betekent dit dat de kosten van de globalisering niet meer worden gesocialiseerd, maar onverkort worden doorgeschoven naar de laaggeschoolden. Zo leidt globalisering, via desindustrialisering, tot een meer ongelijke samenleving in rijke landen. Is dat een prijs die we willen betalen? Heel wat sociale bewegingen en ngo’s beantwoorden die vraag negatief. 

Attac-Vlaanderen, bijvoorbeeld, wil via een vermogensbelasting de gevolgen van herstructureringen laten dragen door alle vermogenden samen. Vooralsnog is Attac met dit pleidooi een roepende in de woestijn. De vakbonden staan voor moeilijke afwegingen: aanvaarden ze meer ongelijkheid in eigen land, in ruil voor kansen in het Zuiden? Tot nader order aanvaarden ze de verplaatsing van industrie naar lagere loonlanden. Op voorwaarde, zeggen ze erbij, dat de werkers in die landen hun deel van de koek krijgen. Aan die voorwaarde wordt echter lang niet overal voldaan. Zeker niet als er, zoals in China, geen vakbondsvrijheid is maar wel een eindeloze voorraad plattelandsmeisjes die wat blij zijn dat ze voor een paar dollar per dag kunnen werken.

De echte slachtoffers vallen elders

Voorlopig is de Belgische situatie al bij al nog comfortabel, als je ze vergelijkt met de uitdagingen waar armere landen voor staan. Rijke landen beschikken over middelen om schokken op te vangen en/of te verspreiden over de hele samenleving: werkloosheiduitkeringen, opleidingen, brugpensioenen. Ontwikkelingslanden ondergaan minstens even zware schokken - al was het maar omdat ze in de WTO minder goeie afspraken wisten af te dingen - en beschikken amper over die middelen. Dat geldt niet alleen voor de sociale gevolgen van de globalisering, maar ook voor de verbijsterende milieuproblemen waarmee ze te maken krijgen. Brussel is een proper stadje, vergeleken met Calcutta of Beijing, met hun enorme lucht- en watervervuiling, de eindeloze krottenwijken, de permanente verkeersinfarcten. Middelen om die milieurampen te bekampen, zijn er amper.

De wereldeconomie schudt de landen in het Zuiden op allerlei manieren door elkaar. Veel Mexicanen verliezen nu hun job omwille van delokalisatie naar China. Sinds 2001 sloten 500 van de 3700 maquiladora’s - assemblagebedrijven op de grens met de VS - hun deuren, goed voor een verlies van 218.000 jobs. ‘Mexico heeft de strijd om om laaggeschoolde banen in arbeidsintensieve industriesectoren verloren’, stelt de Amerikaanse zakenbank Merrill Lynch. De loonkost in China bedraagt een vierde van de Mexicaanse. De oplossing is volgens Merrill Lynch dat Mexico de strijd met China aangaat door belastingverlaging en vooral door beter geschoolde mensen op de arbeidsmarkt te zetten. Als het daarin niet slaagt, wordt het moeilijk. Zelfs Bangladesh verliest momenteel banen aan China, dat met zijn enorme bevolking en het verbod op vakbondswerking het zwarte gat van de wereldeconomie wordt. China op rozen dus? Niet echt. Er wordt verwacht dat miljoenen Chinese boeren door het Chinese WTO-lidmaatschap niet zullen kunnen overleven op het platteland en naar de steden trekken. 

Zo gaat het in tal van ontwikkelingslanden. Sectoren die veel mensen een goed leven garanderen, komen op enkele jaren tijd in de verdrukking. De getroffenen moeten meestal op eigen kracht oplossingen zoeken. Soms door te migreren naar andere plaatsen in eigen land of in het buitenland. Die nieuwe volksverhuizingen hebben onbedoelde en onvoorziene gevolgen. De uitzichtloze werkloosheid in Noord-Afrika dwingt mensen de oversteek naar Europa te wagen. Wie niet verdrinkt in het massagraf dat de straat van Gibraltar geworden is, belandt als illegaal in hetzelfde straatje als de ietwat verongelijkte want werkloze Europese industriearbeider. Alwaar ze samen een gunstige voedingsbodem kweken voor de rattenvangers van extreemrechts. Om maar te zeggen: dit soort “marktprocessen” heeft allerlei gevolgen die in leerboeken economie zelden aan bod komen. De globaliserende wereldeconomie stuwt samenlevingen naar wilde wateren. Als daardoor teveel mensen overboord gaan, zal de roep om bescherming toenemen. Er is nog iets dat we uit het verleden weten: wanneer de druk op samenlevingen te groot wordt, zijn de reacties van mensen onvoorspelbaar.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift