Is de zomer van 2011 een keerpunt voor Afghanistan?

Afghaanse meningen over vredesgesprekken en de terugtrekking van westerse troepen

Met de komst van de lente is in Afghanistan ook de oorlog in alle hevigheid teruggekeerd. Tegelijk manoeuvreren alle betrokken partijen om klaar te zijn voor de aangekondigde afbouw van de internationale militaire aanwezigheid en voor eventuele onderhandelingen tussen opstandelingen, regering en internationale gemeenschap. Een ooggetuigenverslag vanuit Jalalabad, Kaboel en omliggende gebieden.

Jalalabad, de hoofdstad van de oostelijke provincie Nangarhar, heeft de rauwe energie van een grensstad. De stad ligt normaalgezien op evenveel reistijd van Kaboel als van Peshawar aan de overkant van de Khyberpas, al zorgen troepenbewegingen, Navo-bevoorradingskonvooien en ordinaire verkeersongelukken voor veel onvoorspelbaarheid wat de duur van de rit betreft. ‘De mensen hier in Jalalabad zijn ondernemender dan elders in Afghanistan’, zegt Mohammad Qasim Yousufi, directeur van de lokale Kamer van Koophandel en Industrie, niet zonder een vleugje trots. ‘Bovendien is het in Jalalabad veiliger dan in andere provincies’, voegt hij er nog aan toe. Alles is relatief, en dat geldt nergens meer dan in Afghanistan.

Gesprekken op de grens

Terwijl ik met Yousufi en met de grote baas van Alokozai Tea Company zit te praten, wordt even voor Jalalabad een vrachtwagen met brandstof voor de Navo beschoten. Twee dagen eerder vielen er drie doden toen een bom ontplofte in een busje dat politierekruten naar de kazerne moest brengen. De dag daarvoor werd een zelfmoordaanslag gepleegd tegen een Navo-transport, een maand eerder vielen er achttien doden bij een zelfmoordaanslag tegen de Kabul Bank, waar politiemensen hun looncheques kwamen innen. En twee dagen na de gerusstellende promobabbel met de ondernemers wordt de auto van een van de tribale leiders van de weg geblazen door een bermbom. Niemand werd gedood, maar vier inzittenden moesten wel opgenomen worden in het ziekenhuis.

Malik Usman Shinwari, een andere tribale leider, had me nog uitgenodigd om samen met hem naar zijn district in de bergen te rijden. Zijn belofte dat hij voor mijn veiligheid zou instaan, klonk echter niet helemaal overtuigend na een uitgebreid verhaal over telefonische bedreigingen aan zijn adres en een recente aanslag waarbij een broer en een zoon gedood werden. De dreigementen en de aanslag kwamen van de taliban omdat de stammenraad van de Shinwari besliste dat de opstandelingen geen toegang krijgen tot hun grondgebied.

‘Mensen vragen soms waarom ik me niet aansluit bij de taliban’, zegt een van Jalalabads meest gerespecteerde geestelijken, maulana Abdulaziz Cherchwa. Dat is niet eens zo’n vreemde vraag, gezien de apologie die de maulana (islamgeleerde) houdt voor de strijders die zich aan deze en gene zijde van de Afghaans-Pakistaanse grens ophouden. Cherchwa beklemtoont vooral de religieuze inspiratie van de taliban –‘islam is een politieke religie’– en schrijft alle geweld –van bombardementen over bomauto’s tot zelfmoordaanslagen– uitsluitend op het conto van de Navo-troepen ‘die het vaderland bezetten’. Hij onderbreekt zijn pleidooi even om zijn gsm op te nemen. Het is een telefoontje vanuit een dorp waar de vorige nacht weer eens huiszoekingen plaatsvonden. De beller klaagt dat de militairen zijn geld en juwelen meegenomen hebben.

‘Wat moeten wij doen?’, vraagt de maulana retorisch als hij zijn mobieltje weglegt. ‘De taliban blijven afwijzen? Zelfmoordaanslagen veroordelen?’ Wat die zelfmoordaanslagen betreft: dat is volgens hem een kwestie van moed. ‘Zonder het geloof in de islam zou ik nog geen pink van mijn hand kunnen hakken’, zegt de maulana. ‘Dankzij de islam ben ik bereid om zelfs mijn leven te geven.’ Dus: waarom is hij geen taliban, maar een gerespecteerde maulana die zelfs kandidaat was bij de parlementsverkiezingen? ‘Het is niet nodig mij aan te sluiten bij de opstandelingen, want alle Afghanen zijn moslims die bidden voor een echt islamitisch bestuur. En als Pakistan ook islamitisch wordt, dan vallen alle grenzen en grensgeschillen tussen beide landen weg, waardoor ook een einde kan komen aan het geweld en het conflict.’ Het leven kan soms simpel zijn, als je het bekijkt van op de preekstoel.

Ik stel voortdurend dezelfde vragen gedurende deze reis in Afghanistan. Is het leven de voorbije tien jaar verbeterd? Geeft het vooruitzicht op mogelijke onderhandelingen met de taliban de mensen hoop? Moeten de Navo-troepen blijven of vertrekken, en wanneer? Op een vrijdagmiddag ga ik die vragen stellen aan Javed-met-de-pet in de buitenwijken en dorpen rond Jalalabad. Een groepje arbeiders in een atelier waar betonnen tuinornamenten gemaakt worden, geniet van de vrije dag op het werk. Het is te duur en te tijdrovend om vaker dan maandelijks naar de familie in de bergdistricten te gaan, vandaar.

Tasbihullah vindt dat het land de goede kant opgaat. Er is vrijheid, er is werk, er zijn ziekenhuizen: allemaal zaken waarvan hij alleen maar kon dromen toen de taliban de plak zwaaiden. Als de regering-Karzai nu nog een overeenkomst sluit met de nieuwe generatie taliban, dan kan de handel aantrekken en wenkt een toekomst van stijgende lonen en werk in eigen streek.

Een paar kilometer verder tref ik een groepje mannen en jongens aan onder een luifel van gras en bladeren. Ze laten de uren na het vrijdaggebed wegebben door samen thee te drinken en te kletsen over alles en nog wat. Mohammad Shafi voert het woord. Hij herinnert zich de talibanjaren als een tijd dat je geld op straat kon laten liggen, want niemand nam iets dat hem niet toebehoorde. Sinds de komst van de buitenlandse troepen ging het leven van de armen er alleen maar op achteruit, zegt hij. De andere boeren knikken. ‘Ons geduld is op’, besluit Shafi kort. ‘De Navo moet weg. Nu.’

De botsende meningen van Tasbihullah en Mohammad Shafi, en de verschillende perspectieven van malik Usman en maulana Abdulaziz zijn symptomatisch voor elke zoektocht naar de mening van “de Afghanen” over oorlog, onderhandelingen en buitenlandse militaire aanwezigheid. Er is niet eens eensgezindheid over het aantal Afghanen –schattingen lopen uiteen van 26 tot 34 miljoen– laat staan over wat ze denken over zaken die zo diepgaand gepolariseerd zijn dat ze tot gewapende conflicten leiden.

Praten met de vijand

In Kaboel ontmoet ik een even grote verscheidenheid aan meningen in de kringen van opiniemakers en beleidsmensen. Een twintigtal gesprekken met onderzoekers, ontwikkelingswerkers, journalisten, politici, internationale vertegenwoordigers en andere all-round experts maakt wel duidelijk dat de zenuwachtigheid in de Afghaanse hoofdstad stijgt. President Obama beloofde dat de VS dit najaar zouden beginnen met het verminderen van het aantal gevechtstroepen in Afghanistan.

Tot begin mei verwachtte iedereen een louter symbolische terugtrekking, maar na de uitschakeling van Osama bin Laden klonken de stemmen voor het snel naar huis halen van tienduizenden Amerikaanse soldaten veel luider in Washington. [President Obama kondigde op 22 juni inderdaad aan dat hij in 2011 nog 10.000 soldaten naar huis zou halen en dat de 20.000 resterende soldaten van de surge tegen de zomer van 2012 teruggetrokken zouden zijn.] In Zuid- en Oost-Afghanistan heeft de ISAF (International Security Assistance Force, een coalitie van 48 landen die onder leiding van de Navo de stabiliteit van Afghanistan onder de huidige grondwet en regering wil garanderen) naar eigen zeggen ‘aanzienlijke maar kwetsbare en omkeerbare’ vooruitgang geboekt in de strijd tegen de taliban sinds het opvoeren van de Amerikaanse troepensterkte.

‘Taliban’ staat in het Westen gelijk met de vijand. In Afghanistan is de realiteit echter altijd complexer. Dat bleek toen onderminster van Defensie Enayatullah Nazari in een parlementair comité eind april stelde dat er in zijn land wel 1820 opstandelingengroepen opereren, waarvan de meeste wel verbonden zijn met grotere netwerken. Daar tegenover staan vandaag bijna 150.000 buitenlandse militairen in Afghanistan en nog eens tienduizenden privé-veiligheidsagenten, een Afghaans leger met bijna 160.000 militairen en een Afghaanse politiemacht van 120.000 agenten.

De Amerikaanse troepenversterking van het voorbije jaar werd in grote mate ingezet op het platteland –het Amerikaanse leger alleen al heeft meer dan tweehonderd militaire posten in Afghanistan, boven op de grote Navo-basissen. Dat heeft de manoeuvreerruimte voor de taliban zelfs in het Pasjtoense hartland beperkt. Maar zoals onder andere de ontsnapping van bijna vijfhonderd gevangenen uit de gevangenis van Kandahar op 25 april aantoonde, is er zeker geen sprake van echte controle van het terrein, zelfs niet van de grote steden.

Op de Afghanistan Conferentie in Londen, 28 januari 2010, werd overeengekomen dat de internationale gemeenschap diplomatieke en financiële steun zou geven aan pogingen van president Karzai om tot een vredesovereenkomst met de opstandelingen te komen. De strategie was dubbel: enerzijds zou de Amerikaanse surge het militaire initiatief uit handen van de taliban nemen, anderzijds wou men de opstand splitsen. De oude garde van ideologische taliban, daarmee zag het Westen zich nog niet in gesprek gaan. Maar de lagere echelons van de opstand, mannen gedreven door economische uitzichtloosheid of persoonlijke vetes, die hoopte men met geld en tewerkstelling over te halen van kamp te wisselen. Die strategie heeft na anderhalf jaar niet veel opgeleverd.

Intussen wordt wel koortsachtig gewerkt aan gesprekken met de topkaders van de opstand: de Quetta Sjoera –talibanleiders die zich in of rond de Pakistaanse stad Quetta bevinden, geleid door de Emir der Gelovigen, Mullah Omar–, het Haqqani netwerk –ook een restant van de strijd tegen de Sovjets, met naar verluidt nog steeds zéér goede banden met de Pakistaanse militaire inlichtingendienst–, en de Hizb-e-Islami, geleid door Gulbuddin Hekhmatyar, de man die gedurende de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig de uitverkoren Afghaanse strijder was van de Pakistanen en de Saoedi’s.

Nieuwe initiatieven, oude problemen

Voor het Westen is onderhandelen met deze opstandelingen –die ook allemaal op de internationale terroristenlijsten staan– politiek nog onbespreekbaar en de Afghaanse regering is onvoldoende geloofwaardig in de ogen van de opstandelingen. Daarom organiseerde president Karzai in 2010 een Peace Jirga, een samenkomst van stamoudsten, en richtte hij een Hoge Vredesraad op. Die is samengesteld uit drie grote strekkingen: voormalige topkaders van de taliban die zich in Kaboel bevinden, voormalige moedjahedien of krijgsheren, en vertegenwoordigers van het middenveld. Aan het hoofd van de Vredesraad staat Burhannudin Rabbani, de Tadzjiekse leider van de Jamiat-i-Islami en president van Afghanistan gedurende de jaren van burgeroorlog onder de moedjahedien (1992-1996). Zijn ondervoorzitter, Ata Muhammad Ludhin, erkent in een interview dat het werk van de Vredesraad niet makkelijk zal zijn.

Hekhmatyar bezorgde de Vredesraad zijn vijftienpuntenlijst met voorstellen en voorwaarden. Ook de taliban communiceerden vier basisvoorwaarden voor onderhandelingen, die op het eerste gezicht elk vooruitzicht op gesprekken, laat staan op een vredesakkoord, torpederen: eerst moeten de buitenlandse troepen Afghanistan verlaten, de leiders van de opstand moeten van de internationale zwarte lijsten geschrapt worden, de taliban die in de gevangenis zitten moeten vrijgelaten worden en er moet een duidelijk en veilig adres komen van waaruit de taliban de onderhandelingen kunnen voeren. De ISAF vertrekt dan weer van het standpunt dat ze alleen met de opstandelingen wil spreken als die eerst de wapens neerleggen. Dat lijkt uitzichtloos, maar dat zijn gesprekken tussen oorlogvoerende partijen altijd voor ze beginnen.

In Kaboel wordt met heel veel aandacht gevolgd wat Amerikaanse denktanks aan denksporen en creatieve perspectieven produceren. Met name Negotiating Peace, het recente rapport van de Algerijnse diplomaat Lakhdar Brahimi –die in 2001 de Bonn Conferentie over post-taliban Afghanistan leidde– en de Amerikaanse diplomaat Thomas Pickering, wordt voortdurend geciteerd. Er werd dit voorjaar ook volop gespeculeerd over voorbereidende gesprekken die de taliban de kans moesten geven een kantoor te openen in Turkije, waar meer dan waarschijnlijk ook de gesprekken zullen plaatsvinden –als ze doorgaan. Een uitgangspunt voor de Vredesraad, zegt Ata Muhammad Ludhin, is dat de uiteindelijke beslissingen over de toekomst van Afghanistan, over de toekomstige regering en over de grondwet door de Afghaanse bevolking genomen moeten worden. Met andere woorden : verkiezingen en democratie zijn ook voor de Vredesraad niet-onderhandelbaar.

Veel andere gesprekspartners zijn op zijn zachtst gezegd sceptisch: ‘De Vredesraad is een deel van het probleem in plaats van een stap in de richting van de oplossing van het conflict’, zegt Mir Ahmad Joyenda, onderdirecteur van de onafhankelijke denktank Afghanistan Research and Evaluation Unit. ‘Het gaat over dezelfde mensen die sinds de Bonn Conferentie eind 2001 de dienst uitmaken in Afghanistan, dus wat voor nieuws kunnen zij brengen?’ In Jalalabad gaat senator Mohammad Isa Khan Shinwari nog een stapje verder: ‘We hebben geen Vredesraad of Peace Jirga nodig, maar een Pashtu Jirga. Dit hele conflict gaat uiteindelijk over de deelname van Pasjtoenen (etnie die zowat de helft van de Afghaanse bevolking uitmaakt, gg) aan de macht in Kaboel en het is een gevecht onder Pasjtoenen. Trouwens, Pasjtoenen onder elkaar kunnen de problemen vrij en vrank verwoorden, en aangezien we allemaal verwant zijn, zullen we uiteindelijk wel tot een overeenkomst komen.’

Eindspel

Een andere complicatie voor de eventuele vredesgesprekken is de rol die buurland Pakistan speelt. Via de militaire inlichtingendienst ISI steunt Islamabad al sinds het midden van de jaren negentig de taliban, en het is nu wel duidelijk dat die steun ook na 2001 is blijven doorgaan. Uit documenten die via Wikileaks openbaar gemaakt zijn, blijkt dat ondervragers in Guantanamo een band tussen de gevangene en de ISI even bezwarend vinden als een band met Al Qaeda. Nu het eindspel in de tienjarige oorlog ingezet is, wil Pakistan in het midden van het bed liggen, tussen Afghanistan en de Verenigde Staten in. Op 16 april bracht een hele hoge Pakistaanse delegatie daarom een officieel bezoek aan Kaboel.

Premier Gilani, generaal Kayani, opperbevelhebber van het leger, én generaal Pasha, de baas van van de ISI, kwamen president Karzai verzekeren van hun goede bedoelingen en medewerking. Volgens medewerkers van Karzai, die hun verhaal deden aan de Wall Street Journal, zouden de Pakistaanse machthebbers ook aangedrongen hebben op een nieuwe driehoeksverhouding tussen Afghanistan, Pakistan en China, om zo de afhankelijkheid van een onbetrouwbaar Amerika te verkleinen. Pakistan ontkent dat, de VS proberen te doen alsof ze dat geloven, maar de Amerikaanse opperbevelhebber in de regio, generaal Petreaus, bracht wel drie bezoeken aan Karzai in de twee weken die volgden op de topontmoeting.

‘Als de taliban behandeld willen worden als een Afghaanse beweging, dan moeten ze op eigen verantwoordelijkheid spreken met Kaboel. We hebben het toch niet over een oorlog tussen Pakistan en Afghanistan, maar over een oorlog tussen de Afghaanse regering en Afghaanse opstandelingen’, zegt de gerespecteerde journalist en auteur Abdul Mueed Hashemi. Even later nuanceert hij dat: ‘De taliban vechten natuurlijk op de eerste plaats tegen de ISAF, tegen de westerse aanwezigheid op Afghaans grondgebied.’

Tien jaar later

Iedereen die ik spreek in Afghanistan wil vrede. Een einde aan het geweld. Het vertrek van de buitenlandse troepen. Al zijn er nogal wat mensen die achter die laatste verzuchting een voorwaarde plaatsten: zodra onze eigen regering sterk genoeg is om het land te verdedigen tegen buurlanden met sinistere bedoelingen en om de verworvenheden van de voorbije jaren te garanderen. Anderen geloven dat de aanwezigheid van het Westen in Afghanistan net de bron is van interne conflicten en bemoeienissen van buurlanden zoals Pakistan, Iran, Rusland, China, India en de Centraal-Aziatische republieken. En dat Hamid Karzai gebruik maakt van de langdurige steun uit het Westen om zijn autoritaire regeerstijl uit te bouwen, tegen de democratische principes van datzelfde Westen in.

President Karzai wantrouwt politieke partijen, maar overlegorganen die door hemzelf benoemd worden, behoren stilaan tot het vaste arsenaal van instrumenten in de Afghaanse politiek. Hij kneedt de culturele tradities van Afghanistan tot ze zijn eigen machtsaanspraken ondersteunen. In maart bevestigde Karzai dat de Verenigde Staten aandringen op het behoud van permanente basissen, ook na de “complete terugtrekking” van Amerikaanse troepen die voorzien is voor 2014. Om daarover te beslissen, zal de president een loya jirga of nationale overlegraad van tribale leiders samenroepen. Een echt politiek debat daarover vermijdt hij liever.

Een van de “verworvenheden” waarover internationaal het meest gedebatteerd wordt, zijn de politieke rechten voor vrouwen die ingeschreven staan in de post-taliban-grondwet. In Afghanistan bevestigen ook conservatieve geestelijken dat meisjes onderwijs moeten krijgen en dat de stem van vrouwen gehoord moet worden in maatschappelijke debatten. Afghani, een vrouw met een grote, zwarte chador uit de provincie Ghazni, heeft echter geen vertrouwen in de dialoog met de taliban. ‘Ik kan gewapende mannen van eender welke nationaliteit aanvaarden’, zegt ze verbeten, ‘maar niet de taliban.’ Ze verloor haar moeder en schoonzuster aan talibangeweld en kon haar dochters niet naar school sturen als gevolg van talibandreigementen.

Ook andere vrouwen die ik spreek in de wachtzaal van een gezondheidsproject van de Belgische ngo Mothers for Peace in Kaboel willen niet terug naar de repressie die ze zich herinneren uit de late jaren negentig. Ze willen vooruit en ze willen een beter leven voor hun dochters. De meeste vrouwen in de Dast-e-Barchiwijk zijn afkomstig uit Ghazni en migreerden naar Kaboel om het geweld van de opstand en van communautair geweld met de nomadische Kuchi’s te ontvluchten. Zegt Rahimi: ‘Ik ben blij dat ik in Kaboel ben. Hier zijn we vrij en kan ik mijn dochter naar een goede privéschool sturen.’ Fatima, de veertienjarige dochter van Rahimi, deelt de ambities van haar moeder. Zij wil later dokter worden, zegt ze.

De nieuwe kansen voor vrouwen zijn niet alleen het gevolg van principes die verankerd zijn in een grondwet die nauwelijks toegepast wordt, maar hebben evenzeer te maken met de scheuren die dertig jaar oorlog gemaakt hebben in tradities en een extreem patriarchale cultuur. Al heeft datzelfde voortdurende geweld ook gezorgd voor ideologische radicalisering en verstrakking, die meer negatieve gevolgen voor vrouwen produceren dan de oorlog zelf, zegt Sippi Azarbaijani-Moghadam, een Brits-Iraanse ontwikkelingsdeskundige die al sinds 1995 in Afghanistan werkt. De aanwezigheid van westerse troepen heeft volgens haar dan ook weinig blijvende impact op vrouwen: ‘De militiare logica hanteert een tijdsperspectief dat vloekt met echte ontwikkeling.

De programma’s die Europa gesteund heeft, hadden dan ook meer de bedoeling mensen te overtuigen van de goede bedoelingen van het Westen dan echte verandering teweeg te brengen in het leven van mannen en vrouwen. Nog steeds lijden vrouwen onder de dictatuur van hun reputatie, en die ligt voortdurend onder vuur vanuit de gemeenschap die schrik heeft van vrouwen die zelfstandig optreden.’

Een hoge vertegenwoordiger van de internationale donorgemeenschap, die liever niet bj naam genoemd wordt omdat westerse hoofdsteden liever geen fundamentele kritiek horen op hun projecten en programma’s in Afghanistan, beseft heel goed dat spreken over mensenrechten en democratie als verworvenheden een beetje kort door de bocht is. ‘De grote spanningen tussen de Afghaanse samenleving en het Westen gaan juist over culturele keuzes en waarden’, zegt hij. 

‘De Europese Unie legt steeds meer nadruk op haar eigen waarden in haar internationale samenwerking. Een straatarm land als Afghanistan kan die hulp niet weigeren, maar de samenleving zal haar ongenoegen over het opleggen van wat ze als vreemd ervaart toch uitdrukken. En vaak gebeurt dat op een manier die we niet begrijpen of willen erkennen.’

Gie Goris publiceert in september OPSTANDLAND. De strijd om Afghanistan, Pakistan en Kasjmir, met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Fotograaf Brecht Goris toont BorderLives, zijn tentoonstelling met beelden uit die drie landen, eind september in de Beursschouwburg, met steun van deBuren en de Warande (Turnhout).

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur