De zuidkant van het web

Het Internet verovert de wereld. Ook het Zuiden racet mee op die informatie- en communicatiesnelweg. Al lijkt het wereldwijde web écht een opstap voor de ‘global village’, toch is het zeer de vraag of Noord en Zuid ook dichter bij elkaar komen via de modem. Ook in cyberspace is enige zin voor relativering geboden.
FLANEREN OP DE ZUIDMARKT

Voor de indiaanse boeren van Chincheros, in het Peruaanse departement Cuzco, ziet de toekomst er rooskleurig uit. Tot twee jaar geleden overleefden deze hoogland-indianen met een loon van zo’n drieduizend BEF, moeizaam verdiend door de verkoop van hun schaarse aardappelen op de lokale marktjes. Met de steun van een niet-commercieel computernetwerk en een plaatselijke ontwikkelingsorganisatie konden de boeren hun productie opdrijven en via het internet promoten. Sindsdien is een New Yorkse voedselketen vaste klant van de ‘biologische producten’ van de gemeenschap van Chincheros. Het inkomen van de boeren vertienvoudigde. Aan de andere kant van de Stille Oceaan kwamen Japanse boeren precies op hetzelfde idee toen de landbouwsubsidies door de regering werden opgeschort. Omdat ze niet opkonden tegen de pletwals van de grootschalige agro-industrie, beslisten een handvol boeren hun traditionele kennis te koppelen aan de moderne communicatietechnologie en zo reclame te maken voor hun biologisch en kleinschalig geteelde groenten, champignons en rijst. Het voorbeeld werkte aanstekelijk en bracht een honderdtal gelijkaardige bedrijfjes op hetzelfde idee. ‘Je kan ontzettend rijk worden als je een origineel idee kan promoten via het Internet’, aldus een euforische Japanse champignonkweker. De elektronische snelweg brengt met een dubbelklik op de muis en tegen een relatief lage prijs de hele wereld binnen handbereik. Je kan via het Net kopen en verkopen, boodschappen doorzenden via elektronische post, informatie opzoeken, conversaties voeren of deelnemen aan tal van discussiegroepen.

De groei van dit wereldwijde computernetwerk gaat enorm snel. Volgens het Amerikaanse studiebureau Dataquest waren er eind vorig jaar 82 miljoen ‘internauten’, surfers op het Net. Dat is 71% méér dan het jaar voordien. Het aantal computers dat inhaakt op het Net verdubbelt elke vier à vijf maanden en om de drie à vier maanden verdubbelt het aantal websites, de ‘pagina’s’ met tekst en beeld waarop bedrijven, organisaties en personen zich voorstellen.

Sommige regio’s uit het Zuiden voegden verbazend snel in op die informatiesnelweg. Nog voor Vlaanderen actief meesurfte, communiceerden inheemse groepen uit het oerwoud van Latijns-Amerika of Azië interactief met de buitenwereld. Voor een overzicht van die inheemse groeperingen op het web kan je naar www.unp.org.

Latijns-Amerika logde al zeer vroeg in en op dit ogenblik is haast elk land via elektronische communicatie bereikbaar. Azië doet vooral mee vanuit de grote steden. De infrastructuur kan er de vergelijking met het rijke Westen doorstaan: goede telefoonlijnen, voldoende Internet-providers, recente PC’s en een ruim aanbod aan software. Op het platteland is de situatie dramatisch veel slechter, vergelijkbaar met het grootste deel van Afrika. Zuid-Afrika vormt een uitzondering op de rest van Afrika. Dit land behoort in de cyberruimte tot de twintig actiefste landen van de wereld. De andere landen hinkten lange tijd achterop maar haasten zich nu om de achterstand in te halen. In 1993 waren er welgeteld vier Afrikaanse landen aangesloten, ruim twee jaar geleden waren dat er zeventien. Sinds eind januari dit jaar hebben vierenveertig Afrikaanse landen toegang tot het Internet. Een overzicht van de toestand in Afrika vind je op www.africaonline.com.

Maar deze cijfers zeggen niet alles. De vierenveertig aangesloten landen vertegenwoordigen niet meer dan 85.000 gebruikers, Zuid-Afrika niet meegeteld. De meeste aangesloten landen hebben slechts inbelpunten in de grote steden. Volgens Venancio Massingue, directeur van het Computer Centrum van de Eduardo Mondlane University in Mozambique ligt dat aan de donororganisaties: ‘Die zijn alleen maar geïnteresseerd in het bekabelen van de hoofdsteden, waar de kantoren van internationale instellingen zoals de Wereldbank en het IMF, of de buitenlandse coöperanten gevestigd zijn.’ Zo ging het Internet in de meeste ontwikkelingslanden ook van start. Vanuit die

internationale instellingen en universiteiten verspreidt het netwerk zich over de rest van het land. Die verspreiding is echer afhankelijk van de beschikbare telefoonlijnen en vaak is de toestand van dat telefoonnet erbarmelijk. Op het Afrikaanse continent woont 12% van de wereldbevolking, maar 2% van de telefoonlijnen bevindt zich in Afrika.

DE VIRTUELE STERKTE

Het Internet is voor het Zuiden een uitstekend middel gebleken voor dringende solidariteitsacties. Toen enkele jaren geleden een groep Yanomami-indianen door binnendringende goudzoekers werd vermoord, speelde het Braziliaanse Alternex een cruciale rol in het op gang brengen van internationale solidariteit. Het meest sprekende voorbeeld echter is de manier waarop de Zapatistische rebellen gebruik maken van het Net. De sterkte van deze guerrillero’s in het zuid-Oosten van Mexico is eerder gelegen in hun communicatiestrategie dan in hun wapens. Enkele dagen na hun eerste publieke optreden op één januari 1994 speelden ze de strijd meteen ook in de ‘virtuele’ ruimte en deden een oproep tot ‘planetaire’ solidariteit. Sympathisanten in Europa, Azië, Australië of de rest van Amerika blijven on-line op de hoogte van de gebeurtenissen in Chiapas. Bij het referendum dat het EZLN hield in de zomer van 1995, mochten ze zelfs digitaal mee hun stem uitbrengen. De massamoord in de indiaanse gemeenschap Acteal werd massaal veroordeeld door de internationale gemeenschap. Internet-berichten hadden de wereldgemeenschap geïnformeerd. Elektronische communicatie kan tegenwoordig al op een vrij eenvoudige manier. De koffieboeren van UCIRI, de Mexicaanse partnerorganisatie van het keurmerk Max Havelaar, pluggen hun draagbare computer mét modem in op een openbare telefooncel en winnen zo informatie in over de koffieprijzen op de beurzen in New York. Dat is wellicht ook de manier waarop subcomandante Marcos van het Zapatistisch leger zijn communiqués verspreidt.

Het internet censureren is geen eenvoudige zaak. Toch zoeken vooral een aantal Aziatische landen verwoed op dit spoor. Politiek dissidente berichtgeving of corrumperend materiaal, zoals pornografie, willen ze weren. De militaire regering van Birma stelde in oktober 1996 een uiterst strenge reglementering op voor het bezit van een computer die toegang biedt tot het Net. Overtredingen worden met zeven tot vijftien jaar opsluiting bestraft. Niet dat er in Birma zoveel Internetgebruikers zijn. Het land telt slechts twee providers en die zijn geen van beide toegankelijk voor het brede publiek. Dat belet echter niet dat tal van illegale computerclubs en dissidente groepen een actieve anti-junta-campagne voeren op het Net, al dan niet vanuit het buitenland. ‘De Free Burma Coalition is ontstaan in de ‘virtuele’ ruimte, omdat er in ‘real life’ voor ons geen plaats was’, aldus Mike Jendrzejczyk, directeur van Human Rights Watch Azië, in Washington. ‘De informatieverspreiding via het Net heeft Birma een trap hoger geplaatst op de agenda van de buitenlandse politiek van de VS.’

NIET TE VROEG GEJUICHT

De nieuwe informatie- en communicatie-technologie, ICT, wist in de virtuele ruimte heel wat grenzen weg. Toch blijven verschillen tussen Noord en Zuid reëel. Volgens UNDP, de ontwikkelingsinstelling van de VN, leeft 74% van de wereldbevolking in het Zuiden, terwijl slechts 15% van de computers die deel uitmaken van het Internet zich in datzelfde Zuiden bevinden. Een nieuwe tweedeling tussen computervaardigen en computeranalfabeten is niet denkbeeldig. Deze bezorgdheid vormde dan ook het onderwerp van de Global Knowledge Conference 97 die vorige zomer in Toronto, Canada, werd gehouden. ‘Als het gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologie de drijvende kracht is achter economische ontwikkeling, dan zal een groot deel van de wereld zijn huidige achterstand zien verdubbelen’, zo was daar te horen. Belangrijkste obstakels zijn het analfabetisme, het Engels als dominerende taal, het ontbreken van computervaardigheden en de ongelijke toegang voor vrouwen. Het Net is vooral gemaakt op maat van het Westen, vinden sommige providers in het Zuiden. Steriele, culturele monotonie zou wel eens het gevolg kunnen zijn, volgens Huguette Labelle, Directeur van de Canadese Internationale Ontwikkelings Organisatie CIDA, op de conferentie in Toronto. Alles moet in het werk gesteld worden, luidt het besluit van Global Knowledge 97, om lokale culturen een volwaardige plaats te geven in de ICT, omdat ze dragers zijn van belangrijke kennis en wijsheid.

Het eenrichtingsverkeer van Noord naar Zuid ombuigen en het Zuiden stimuleren in het delen van zijn kennis met het Noorden, moet het aandachtspunt zijn voor de komende jaren. Het RCP in Peru probeert aan dit probleem te verhelpen door een gedeelte van de websites te vertalen in het Quechua, de taal van de grootste groep inheemsen van het land, en door het massaal oprichten van publieke internetcentra, ‘cybercafés’, die het publiek vertrouwd moeten maken met het nieuwe medium. Daarnaast moeten satellietverbindingen de meest afgelegen plaatsen weldra bereikbaar maken. De volgende stap is natuurlijk de computer met spraakherkenning, die boodschappen van analfabete mensen omzet in digitale codes, geschreven taal die via het web wordt doorgezonden. Al zal het wel een tijdje duren eer die programma’s ook beschikbaar zijn in het Toevaans of het Kikongo.

Gaat de wereld dan echt nieuw worden wanneer iedereen met iedereen elektonisch kan communiceren? ‘Internet overstelpt ons met hopen informatie, maar informatie is nog geen kennis, en kennis nog geen wijsheid’, merken sceptici op. Zelfs Suzan Estrada, oprichtster van CERFnet, is voorzichtig: ‘Vergeet niet dat het ook mensen zijn die met deze technologie omgaan, en dat zij die technologie dus ten goede of ten kwade kunnen gebruiken. Misschien brengt het internet ons dichter bij elkaar, maar even goed kan het de kiem in zich houden van groeiende conflicten die over twintig, dertig jaar zullen uitbarsten.’

DE OPRIT

Een interessante oprit om in de zuidstroom te geraken is ongetwijfeld APC, Agency for Progressif Communication, www.apc.org. Dit globale netwerk, waarvan het internationale secretariaat in Brazilië is gevestigd, staat in verbinding met vijfentwintig partner-netwerken die heel de wereld bereikbaar maken via contactpunten in 133 landen en 50.000 aangesloten leden. Het Belgische Knooppunt is ook ACP-partner, net als het Nederlandse Antenna. APC-partners staan sterk in thema’s als mensenrechten, ecologie, vrouwenbeweging, vredesbeweging, inheemse organisaties en vorming. Niet toevallig bevindt de hoofdzetel van APC zich in Brazilië. In Zuid-Amerika is dit land koploper in elektronische communicatie. Dat heeft alles te maken met de militaire dictatuur die destijds veel geld investeerde in het opbouwen van een goede telecommunicatie-infrastructuur. Het hele experiment van communicatie via aan elkaar gekoppelde computers ging trouwens van start in volle Koude Oorlog, als onderdeel van het Amerikaanse spionagesysteem. Die Amerikaanse spionage was in Latijns-Amerika sterk uitgebouwd. Naar de meeste Braziliaanse dorpen werden telefoonkabels getrokken, die nu voor Internet gebruikt kunnen worden. De Unced-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling in 1992 betekende een definitieve doorbraak voor de informatie- en communicatie technologie in Brazilië.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2540   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.