Droogte is een mythe

Vrouwen met lege waterkruiken op hun hoofden. Uitgedroogde, gebarsten aarde. Een stervende veestapel. Een half jaar geleden een immense overstroming in Orissa, vandaag een nooit geziene droogte. Houden de natuurrampen dan nooit op in India? Heel wat Indiërs twijfelen eraan dat de natuur of de goden verantwoordelijk zouden zijn voor het huidige watertekort in hun land. ‘Het is een ramp die mensen zelf gemaakt hebben’, luidt de wijdverbreide mening.

  • Austin Yodre (CC BY-NC 2.0) Austin Yodre (CC BY-NC 2.0)

Wereldwijd Magazine trok naar het hart van de droogte –Rajasthan- en vond er een ander verhaal dan dat van de dramatische beelden in kranten en journaals. Het verschil tussen droogte en drinkwater wordt inderdaad gemaakt door mensen.

New Delhi. De droogte staart me aan van op de voorpagina’s van weekbladen en kranten. India is geschokt door het vooruitzicht van een lange en moordende zomer waarin miljoenen mensen en nog meer dieren bedreigd worden met honger en dorst. ‘De regering werd accuraat en ruim op voorhand gewaarschuwd’, schrijft Harinder Baweja in India Today. ‘Je mag dan toch verwachten dat de overheid gewapend was tegen deze ramp, niet? Neen dus. Er waren wel plannen voor het herstellen van de handpompen bijvoorbeeld, zodat mensen tenminste drinkwater zouden hebben. Maar van de 70.000 handpompen in Rajasthan blijken er vandaag nog 50.000 defect te zijn.’

Het land schreeuwt om ‘pani’, water. In de arme buitenwijken van Delhi zie ik vrouwen met potten en jerrycans aanschuiven bij een blauwe tankwagen. De meeste mensen hier hebben geen waterleiding, en wie wel een kraantje in huis heeft, gebruikt het om kleren aan te hangen. Zo zeldzaam zijn de keren dat er water door de leidingen stroomt. De betere middenklasse wordt wel bediend met zwaar gesubsidieerd drinkwater, al is ook voor hen de kwaliteit vaak bedenkelijk.

‘Er is geen tekort aan water’, zegt Ujjwal Pradhan, een wateringenieur die studiewerk doet voor VN-organisaties, ‘er is een probleem met het beheer van het water. Vooral het platteland is het slachtoffer van dat wanbeheer. Nochtans groeit juist daar het antwoord op de huidige ramp.’ Indira Kurana van het Center for Science and Environment is het daar volmondig mee eens. ‘Droogte is een mythe’, zegt ze, ‘en als je wil weten waarop ik die boude uitspraak baseer, ga dan maar eens kijken in de regio rond Alwar in Rajasthan.’

Alwar, Rajasthan. De hele Indiase chaos staat me op te wachten aan de uitgang van het station: autoriksja-chauffeurs die me hun driewielerbromfietsen aanprijzen als snelste manier om ter bestemming te geraken–‘cheap prize, sir’-, vrouwen die grote en kleine vrachten versjouwen, toeterende (TOETERENDE!!) bussen, kamelen en koeien die onaangedaan langs de weg staan, kinderen die de zwetende witte man aanstaren, koelies die koffers naar buiten slepen en schimmige passanten die ‘change money, sir’ murmelen.

Ik keer terug op mijn stappen, zeg tegen iedereen en niemand in het bijzonder dat ik opgepikt word. ‘Mr. Goris, sir?’ Rajit is een slungelachtige twintiger die vlak achter mij staat. Zodra ik ‘neen’ schudt –wat in India ‘ja’ betekent- draait hij zich om en wandelen we samen het station uit. Plots blijkt niemand nog geïnteresseerd in me, op één kameel na.

Achterop de motorfiets van Rajit zie ik Rajasthan kilometer na kilometer voorbijschuiven. Links en rechts van de baan strekt het uitgedroogde land zich uit. Wat laag struikgewas en een rondsjokkende buffel zorgen ervoor dat ik besef dat we ons nog niet eens in het woestijngedeelte van de staat bevinden. Toch blijkt ook hier elke brug over een uitgedroogde rivier te leiden.

In een gracht ligt een stapel beenderen en karkassen, een momument voor al het vee dat de afgelopen weken stierf bij gebrek aan water en voeder. De lucht is heet, het zand schuurt mijn ogen. Uren rijden en ik zie bijna niemand. Rajasthan lijkt leeggelopen.

Niets is minder waar. Met ongeveer vijftig miljoen zijn ze, de Rajasthani’s en allemaal hebben ze dorst. Net als hun koeien, geiten, kamelen, buffels, schapen, velden en goden. Er zijn berichten in de pers dat reeds een miljoen mensen de staat verlaten hebben, op zoek naar vochtiger oorden. Andere berichten spreken dat tegen of nuanceren: seizoensmigratie is geen onbekend gegeven in deze regio.

Zelfs in jaren met een gewone moesson zijn er districten die nauwelijks meer dan 100 mm neerslag per jaar krijgen. Bovendien krijgt Rajasthan af te rekenen met minstens twee échte droogteperiodes per decennium. Volksliederen en gezegden over honger en droogte zijn er dan ook in overvloed. Maar de droogte van 2000 is erger dan de oudste bewoner zich kan herinneren, en de statistieken van de voorbije honderd jaar bevestigen dat.

Rajit slaat linksaf en vanaf het industriestadje Thanagazi blijft er niks over van het beeld van een uitgestorven land. We worden naar goede Indiase gewoonte van de weg gereden door bussen en vrachtwagens, door ossenkarren en personenwagens. We wijken uit voor kamelenspannen en trouwpartijen en voor de gaten in de weg. Stilaan verandert die weg trouwens meer en meer in een pad. De bestemming nadert.


Bhaonta, Rajasthan staat op geen enkele van de landkaarten van India die ik bij me heb. Een land met meer dan 600.000 dorpen, een land dat net zijn miljardste inwoner verwelkomde, zo’n land kijkt een gehucht als Bhaonta met zijn vijftig families over het hoofd. Toch werd hier recent geschiedenis geschreven.

Ik arriveer in Bhaonta bij het vallen van de avond. De schroeiende schotel verdween al achter de heuvels, het vee wordt binnengedreven, de kookvuurtjes worden aangestoken. Het dorp leeft op volle toeren, nog even. Kanheya Lal ontvangt me op het familie-erf. Hij spreekt Engels en is bovendien vertrouwd met de waterhuishouding van de de dorpen in de regio. Hij stelt me voor aan zijn vader, zijn broers, zijn neven en zijn ooms.

De nichten, zusters, moeder en tantes blijven verborgen achter hun sluiers. Als ze het erf passeren waarop ik met de mannen zit te praten, schuiven ze het lichtjes doorschijnende doek dat ze over hun hoofd dragen voor hun gezicht –al doen ze dat telkens op een manier dat ik toch nog kan zien wie ze zijn, hoe ze kijken, welke juwelen ze dragen.

Na het avondmaal komt één van de Kanheya-ooms aangestapt met een ‘charpoy’ op z’n hoofd. Er staan al drie zulke houten bedden met koorden vlechtwerk als matras op het erf, voor mij wordt het beste uit de familie aangesjouwd. ‘Slaap nu maar’, zegt Kanheya Lal, ‘en geniet van de koelte van de nacht.’

Het is halfacht en het leven is gaan liggen. De stilte van de nacht. Lals broer zit nog even gedempt te praten met zijn zoon. De woorden versmelten voor mij met het borrelend gepruttel van de waterpijp, waaraan één van de ooms zit te lurken. Het ademen van de twee buffels die op het erf staan. Een geitenbelletje in de verte. Het gerinkel van de glazen armbanden van een meisje dat onze charpoys passeert met een kruik water op haar hoofd.

Water. Om kwart na vijf schreeuwt een pauw iedereen wakker en meteen krijg ik een koperen potje water aangeboden. ‘Kom’, zegt Lal, ‘naar het toilet.’ Het open veld bedoelt hij, waar ik zoals miljoenen Indiërs mijn ochtendlijke gevoeg moet doen. Ik zit gelukkig ver genoeg van Lal af, zodat hij mijn geknoei met stenen en water niet merkt. Leve het toiletpapier.

Water. Bhaonta is intussen van dorpse stilte omgetoverd tot landelijke drukte. Aan de waterpomp staan vrouwen en meisjes aan te schuiven en te kletsen. Jongetjes worden gewassen, kruiken van terracotta of koper worden gevuld. De buffels krijgen voer en water. Voor mij is er thee. Na de ochtendrituelen begint Manbar, de vrouw van Lal’s broer, de lemen vloer van het open huis en van het erf te vernieuwen. Zo stinkend en verloederd de Indiase steden, zo schoon en verzorgd de dorpen.

Water. Terwijl de rest van Rajasthan en een groot deel van India kreunt onder de brandende zon, de aanhoudende droogte en de aanzwellende hongersnood, lijkt Bhaonta meer dan genoeg water te hebben om mens, dier én landbouw draaiende te houden. Nochtans hebben ook hier de moessonregens van het voorbije jaar verstek laten gaan en klimt het kwik overdag tot 48°C in de schaduw. Het verschil met andere plekken in Rajasthan is: hier vind je schaduw. Hier zijn bomen. Hier is een rivier. Hier zijn waterputten die niet droog staan en er zijn handpompen bij elk groepje huizen.

Kanheya Lal trekt met mij de heuvels in om te tonen waar al dat water van Bhaonta vandaan komt. Als hij een half uur later zijn hand triomfantelijk uitstrekt en ‘daar vandaan’ zegt, moet ik eerst het zweet uit mijn ogen wrijven. Ik zie een aarden dam, maar geen rivier, enkel een poeltje brak water. ‘Dit’, zegt Lal, ‘is een ‘johad’: een sikkelvormig opvangbekken, waarin we tijdens de moesson het regenwater, dat dan massaal van de heuvels stroomt, opvangen.’

De logica is simpel: de opgevangen regen vormt vijvers, waardoor het water langzaam kan doorsijpelen in de ondergrond, zodat het waterpeil opnieuw stijgt. Dat was hoog nodig, want voordat de johads hersteld werden, was er van het milieu in dit deel van de Aravali-heuvels niet veel meer overgebleven dan kale hellingen, uitgedroogde rivieren en een ondergrondse watertafel die steeds lager zakte. Dat werd door het aanleggen van johads en kleine stuwdammetjes op enkele jaren tijd omgekeerd.

Er zijn nu opnieuw vijf rivieren die het hele jaar door stromen, er staan bomen op de heuvels en –zelfs dit jaar- is er water in de putten. De johads hebben van oudsher ook een religieuze betekenis. Kinderen worden kort na hun geboorte naar de johad gebracht, pas gehuwde koppels maken samen een wandeling rond de johad en na een begrafenis komen de rouwenden zich wassen in de johad.

Rond Bhaonta en het tweelinggehucht Koylala hebben de bewoners een vijftiental johads en dammetjes gebouwd. De hele regio telt er intussen al XXXX. Gelukkig heb ik ze niet allemaal moeten bewonderen, al heeft dat niet veel gescheeld. De mensen van Bhaonta en Koylala zijn namelijk héél erg trots op hun waterinfrastructuur.

Niet verwonderlijk, de president van India kwam op 28 maart de bewoners van dit tweelingdorp –en via hen ook de bewoners van de andere dorpen in de regio- feliciteren voor het kleine mirakel dat ze met eigen handen en grotendeels met eigen middelen gerealiseerd hadden. De geschiedenis van verwaarlozing en dus verarming werd hier zonder veel fanfare gekeerd.

‘Water is de basis van alle leven’, zei president R.K. Narayanan en zijn publiek van dertigduizend dorpelingen uit de buurt wist beter dan de man aan de microfoon dat hij de waarheid sprak.

Niet alleen de president van India is vol lof voor de zelfredzaamheid van de mensen in Bhaonta-Koylala, en voor het feit dat ze de oplossing van hun problemen gezocht hebben in de eeuwenoude Indiase tradities. De hele politieke wereld heeft het over het belang van de eigen tradities om droogte in de toekomst te vermijden, er is nauwelijks een ngo of beweging in het land die dit niet al jàren verkondigt en alle kranten en tijdschriften verwijten de regering dat dit inzicht niet veel vroeger ontstond.

Iedereen in India beseft -plots- dat de johads uit Rajasthan onder tientallen vormen en nog meer namen voorkomen in het hele land en dat ze wellicht het enig juiste antwoord vormen op een klimaat dat de neerslag zodanig slecht verdeelt over de maanden van het jaar. ‘Waarom’, vraag ik, ‘is dat evidente antwoord dan zo uitzonderlijk? Waarom is niet héél India bezig met het herstellen van zijn traditionele wateropvanginfrastructuur?’ Kanheya Lal is een man van weinig woorden in het Engels. ‘De sleutel is de gemeenschap’, zegt hij.

Ik breng de zinderende stilstand van de middag zwetend door op mijn charpoy. Iedereen rust, behalve Manbar, die is nog steeds in de weer met water en leem. ‘De sleutel is de gemeenschap’, de korte en eenvoudige mededeling kleeft aan mijn gedachten zoals het hemd aan mijn lijf. Ik probeer mij voor te stellen wat die ‘gemeenschap’ van Kanheya Lal betekent voor hem en voor de mensen van Bhaonta.

In Udaipur -een stad in Rajasthan die behoorlijk zwaar getroffen wordt door de huidige droogte- vertelde de directrice van Seva Mandir, een grote ngo, hoe dorpen en gemeenschappen al een hele tijd uit elkaar aan het vallen zijn. Hoe de gemeenschapsgronden, die bedoeld waren om het vee te laten grazen, stilaan ingenomen worden door boeren met meer lef, macht of middelen dan hun dorpsgenoten.

Hoe de bekwaamheid van mensen om hun eigen, gezamenlijke leven te organiseren, uitgehold werd door de ambitie van de Indiase staat om alle niveau’s van het leven te reglementeren en door de onvervulde beloftes van die staat dat hij ontwikkeling zou brengen. ‘In het Westen’, zei Neelima Khetan, ‘spreekt men vaak over ‘De Gemeenschap’ alsof het, voor mensen uit het Zuiden, een simpele en universele realiteit is. Alsof elk dorp in India sowieso een hechte gemeenschap is en alsof elke gemeenschap zonder conflicten en tegenstellingen leeft.

De huidige droogte is inderdaad het gevolg van menselijk falen, op de eerste plaats van het tekortschieten van de overheden. Zij dragen de eerste verantwoordelijkheid voor het aftakelen van het natuurlijke milieu en van de traditionele waterbeheerinfrastructuur. Maar de droogte die alleen al in Rajasthan meer dan 23.000 dorpen treft, geeft ook weer hoe erg het op dorpsniveau gesteld is met ons sociaal weefsel.’

Bhaonta ontwaakt uit zijn siësta. Ik heb het gevoel dat alle vocht door mijn poriën weggestroomd is. Dorst. Ik krijgt een vingerhoed gloeiende thee, mét melk en suiker. Het helpt, voor even. Khanheya Lal neemt me mee voor een rit naar enkele omliggende dorpen. De bruine droogte van het land wordt in bijna elk vergezicht doorbroken door langzaam voortbewegende, schreeuwende kleuren. De fluogroene, kanariegele of karmozijnen gordijnen waarachter vrouwen en meisjes leven. De exotische beelden die het zo goed doen op postkaarten.

Als we in Hamirpur even halt houden, valt het toch weer op dat het gesprek uitsluitend in de witte gewaden van de mannen gevoerd wordt, terwijl honderd meter verder de kleuren komen en gaan. Daar is de pomp, het water, het leven. Hier zijn de woordvoerders, de lokale beslissers. Toch bevestigt iedereen, mannen én vrouwen, dat het heropbouwen van de johads en de dammen een zaak is van de hele gemeenschap. De verschillende kasten die in de dorpen van het Arvari-bekken samenwonen, blijken geen diepgaande vetes te koesteren.

Het grondbezit is hier betrekkelijk gelijk verdeeld, zodat ook de economische tegenstellingen nogal beheersbaar zijn. ‘Het was tijdens een bijeenkomst van het hele dorp, dat we beslisten om ons lot opnieuw in eigen handen te nemen’, zegt een van de mannen. ‘Dat kan ook niet anders. Stel je voor: als vijftig families zich uitsloven om de johad te herstellen, dan zou het toch onaanvaardbaar zijn dat de éénenvijftigste familie wél zou profiteren van de aanwezigheid van water het hele jaar door, maar niets zou bijdragen. Het is iedereen samen of het is niets.’

Op de bijeenkomsten van de dorpsraden en het ‘Arvari Parlement’ -een onofficiële overkoepeling van alle dorpen die deelnemen aan het waterproject- zijn vrouwen wel vertegenwoordigd, al blijven ze een minderheid en al voeren ook daar de mannen het hoge woord. Deze dorpsraden doen méér dan beslissen dat en waar er een johad moet komen. Er worden ook strikte afspraken gemaakt over de teelten die wel of niet toegelaten worden, over de beperkingen in verband met grazen, over het verbod op het kappen van groene bomen, over het verbod op alcohol.

‘Het werd de hoogste tijd dat de mannen gedwongen werden om te kappen met hun verslavende, zelfgestookte alcohol’, zegt een van de vrouwen van achter haar sluier. ‘Het belang van de familie gaat toch boven de roes van een individu?’ Over het belang van de hele waterinfrastructuur zijn alle pompende en wachtende vrouwen het eens. Zij zijn immers verantwoordelijk voor het aanslepen van water. ‘God geeft ons het water, de mensen moeten er alleen maar goed voor zorgen’, zegt een andere stem.

Bheekampura, Rajasthan. Een pauw stapt keizerlijk over het terras en vliegt dan met suizende kleuren tot op het muurtje dat het domein omringt. Rajinder Singh kijkt er niet meer van op, al geniet hij zichtbaar van de vogels, de bomen, de groene enclave waarin ik hem ontmoet. Hij is de bezieler van Tarun Bharat Sangh -letterlijk vertaald: de Jong India Vereniging. Het hele waterwonder van de regio wordt verbonden met deze organisatie, met deze man, die niet zomaar ‘Panida’r genoemd wordt: man van het water.

Rajinder Singh studeerde Hindi literatuur en Ayurvedische geneeskunde in Jaipur en kwam in 1985 met vier medestanders uit de studentenbeweging naar de streek van het Arvari-bekken afgezakt, ‘om iets te doen aan de uitzichtloze armoede waarin de mensen hier leefden’. Het jeugdige idealisme en de vage analyses werden heel snel geconfronteerd met de keiharde realiteit en met de nuchtere blik van de boeren.

‘Praat niet zoveel, zorg liever dat er opnieuw water is in de dorpen’, was het advies van een van de ouderen. Diezelfde ouderlingen wisten bovendien hoe dat moest: door het herstellen van de johads. Het antwoord van de jonge activisten was bepalend voor de verdere geschiedenis. Ze waren bereid de raad van de ouderen te volgen, maar dan wel onder het motto: ‘Doe het zelf en wij zullen meedoen’.

Singh praat zacht, probeert me niet te overtuigen, beheerst zijn emoties moeiteloos. Een Gandhiaan, veronderstel ik. ‘Ik heb maar één ideologie’, antwoordt hij daarop. ‘Om de mensen te bevrijden uit die nooit eindigende spiraal van armoede en verdrukking, moet de wijsheid van het verleden hersteld worden en er is geen betere weg om dat te doen dan via het sterk maken van de dorpen en gemeenschappen op het platteland.’ ‘Hoe komt het’, vraag ik hem, ‘dat al die kennis, die zo noodzakelijk was om te overleven, toch in onbruik geraakte?’

Ik krijg een verhaal dat in 1888 begint, toen de maharadja van Alwar een wet uitvaardigde waardoor het beheer van bossen en velden voor het eerst -gedeeltelijk- overging van het dorp naar de hogere overheid. Sindsdien werd die weg stap voor stap verder bewandeld: houtkapbedrijven, houtskoolverkopers en prinselijke jagers kregen de voorkeur op plaatselijke bewoners, die enkel konden toezien hoe hun ecologische schatkamer geplunderd werd.

‘De laatste fase van die aftakeling’, zegt Singh, ‘werd ingezet door de onafhankelijke Indiase staat die ook nog het water van rivieren en meren en een deel van de gemeenschapsgronden nationaliseerde. Wie zou er zich moe maken voor het onderhoud van een infrastructuur die toch alleen maar een anonieme en verre staat ten goede komt, of, erger nog, de plaatselijke machthebber?’

We eten met z’n tweeën in een grote vergaderzaal die helemaal leeg is, op twee tapijtjes na. Het centrum van TBS is uitermate sober gebouwd en ingericht. Er is geen airconditioning, geen televisie. Wel een ijskast, maar zelfs in het vriesvak staat dagenlang water dat weigert in ijsblokjes te veranderen. De uren zonder elektriciteit zijn immers veel talrijker dan de uren mét.

Na de middagrust neemt Kanheya Lal, die voltijds voor TBS werkt, me mee naar de tempel voor Shiva in Rajoregash. De site ligt boven op een heuvel en is volgepropt met onvoorstelbaar kostbare archeologische vondsten, maar daarvoor ben ik niet hier. In de achterste kamer van de tempel wordt Shiva aanbeden in een fallische steen. Die steen staat in het water, en elke pelgrim of gelovige moet daar op blote voeten door waden.

‘Zonder water, geen god. Zonder god, geen leven’, zegt Kanheya. Terug in Bheekampura vraag ik Rajendra Singh hoe belangrijk de link is tussen god en water. Hoe belangrijk is de religieuze betekenis van de johads om zo opnieuw hun centrale rol te geven? Ik krijg een antwoord dat niet zou passen in de spirituele literatuur waarnaar ik westerse toeristen telkens weer zag grijpen in de boekenwinkels van Delhi.

‘Johads zijn op de eerste plaats een manier om de regio er economisch en ecologisch weer bovenop te helpen. De rituelen die ermee verbonden zijn met de johads, hebben volgens mij eerder een culturele dan een religieuze betekenis. Sommige dorpen in de regio hebben een moslimmeerderheid en ook daar wordt honderd procent meegewerkt aan de bouw van de opvangbekkens.’

Als ik de volgende dag vertrek, krijg ik een dieprode tulband op mijn westerse hoofd. Een van de Tarun Bharat Sangh mensen giet ritueel een beetje water op de grond en ik krijg twee tikas -een gele en een rode stip- op mijn voorhoofd. Als Rajinder Singh mij verteld had dat dit een essentieel hindoeritueel was, dan zou ik het geloven.

Als hij zegt dat het niets met hindoeïsme, maar alles met de plaatselijke cultuur te maken heeft, wie ben ik dan om dat te betwijfelen? De grens tussen geloof en cultuur is in India vaak erg dun, en dan weer is de kloof tussen beide gigantisch diep. Mijn tulband is in elk geval de beste bescherming tegen de nog steeds schroeiende zon wanneer ik achterop de motorfiets van Rajit teruggebracht wordt naar Alwar.

New Delhi. Midden in de groene zone van New Delhi ligt een uitgestrekte ruimte tussen het parlementsgebouw en India Gate, een monument voor de onafhankelijkheid. De bomen zorgen voor schaduw, de vijvers voor verfrissing. Onder de koepels van de macht luidt eerste minister Vajpayee de alarmklok en schudt hij de bedelnap: ‘Wij kunnen onze broeders en zusters niet aan hun lot of aan de wreedheden van de natuur overlaten.’

Maar de droogte is alweer naar de marge van de berichtgeving verdrongen. De stedelijke middenklasse is het verhaal beu en vraagt meer ontspannende verhalen. Over grootschalige corruptie in de sport, bijvoorbeeld. Of over de miljardste Indiër. Intussen blijven meer dan honderd miljoen Indiërs zich afvragen hoe ze het einde van de zomer zullen halen en waar hun drinkwater dit jaar vandaan moet komen. Eveneens intussen pompt Tata Chemicals Industry dagelijks 14 miljoen liter water op -in volle droogtegebied- om cement te produceren. En het tijdschrift Down To Earth meldt dat de overheid het licht op groen zette om de productie op te voeren van 1000 ton cement per dag naar 2500 ton.

‘Wij kunnen onze broeders en zusters niet aan hun lot … of aan de volkomen nutteloosheid van Indiase regeringen overlaten ‘, reageerden enkele kritische journalisten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur