Duurzame ontwikkeling

De globalisering dwingt de overheden en de staten een nieuwe rol te zoeken. Nationale overheden zijn te klein voor mondiale vraagstukken en te groot voor het aanpakken van lokale vraagstukken. Er ontstaat dus een ‘meso’ ruimte, waarin lokale en regionale overheden een rol kunnen spelen.
INLEIDING

Wanneer regio’s een rol in de wereldeconomie willen spelen, moeten zij in de internationale handel een specifieke ‘niche’ of deelmarkt veroveren. Ze verwerven zich een plaats in een proces dat beheerst en gestuurd wordt door de Centrumlanden van het Noorden. Ze kennen dan een ‘afhankelijke ontwikkeling’, afhankelijk van de technieken en de vraag in de rijke industrielanden. Ook de accumulatie van kapitaal in de afhankelijke landen in de periferie is afhankelijk van de rijke landen, en wordt gevoed door de invoer van machines en productietechnieken. In deze context heeft economische groei in de afhankelijke landen van het Zuiden altijd een exogeen karakter.

Daartegenover staat een ontwikkelingspad dat een endogeen, op de nationale behoeften gericht karakter heeft. Het concept van duurzame ontwikkeling laat toe de ecologische dimensie van een endogeen ontwikkelingspad te benadrukken. De controle over de natuurlijke rijkdommen is een essentieel onderdeel van dat endogeen ontwikkelingspad, en hier moeten lokale en regionale overheden zich een plaats veroveren.

ECOLOGISCHE OVERGANG EN CRISIS VAN DE MAATSCHAPPIJ

De crisis van onze maatschappijen en van ons ontwikkelingsmodel kan treffend beschreven worden als het resultaat van een overgang die negenduizend jaar geleden begon met de landbouwrevolutie. Deze overgang maakte de mens voor zijn overleven minder afhankelijk van zijn directe omgeving, en gaf aanleiding tot het ontstaan van dorpen en later steden. De landbouwrevolutie liet de mens ook toe een klein surplus voort te brengen en daardoor het niveau van het biologisch overleven te overstijgen. Er konden overschotten uitgewisseld worden, hetzij door oorlog, hetzij door handel en technologie.

Men zou kunnen zeggen dat die eerste landbouwrevolutie ook de eerste ecologische crisis veroorzaakte, indien we crisis begrijpen als overgang of transitie. Menselijke gemeenschappen waren niet meer strikt gebonden aan het beperkte gebied waar zij leefden, zij konden de lokale of regionale biodiversiteit en productiebegrenzingen overstijgen. Natuurlijk kan of wil nu niemand suggereren dat die eerste landbouwrevolutie ongedaan gemaakt moet worden. Zonder die revolutie kan men zich de huidige menselijke levenswijze en cultuur niet voorstellen, maar we moeten wel de gevolgen van die overgang in acht nemen. We kunnen eruit leren hoe we met een onzekere toekomst moeten omgaan, een toekomst, waarvoor we niet opgeleid of gevormd zijn.

Het bovenstaande leert ons dat de levenskwaliteit van een menselijke groep, m.a.w. de duurzaamheid van zijn levenswijze, niet alleen bepaald wordt door de natuurlijke omgeving, maar vooral door een netwerk van relaties met de rest van de wereld. De vijf componenten van dat netwerk vormen een bepaald model voor het gebruik van het territorium en van de natuur.

De duurzaamheid van de levenswijze van een maatschappij wordt bepaald door:

de bevolking: grootte, structuur en geografische dynamiek van de migraties;
de sociale organisatie: productiemethoden en processen, sociale stratificatie en instituties om conflicten op te lossen;
de omgeving: het natuurlijke en door de mens gewijzigde milieu, natuurlijke rijkdommen en natuurlijke processen;
de technologie: innovatie, technologische vooruitgang, gebruik van energie;
sociale aspiraties: consumptiepatronen, waarden, cultuur.
Dit model laat ons toe de positie van een land vanuit verschillende invalshoeken te beschrijven. Vanuit een louter demografisch en milieustandpunt, is Japan een arm land. Het heeft een grote demografische dichtheid en weinig natuurlijke rijkdommen en energiebronnen. Maar het compenseert deze negatieve factoren door zijn sociale organisatie, waardoor het land een hoog consumptieniveau kan bereiken. Japan kan de productie van verafgelegen landen aanwenden en op die manier een levenswijze handhaven, die op het eerste gezicht stabiel is, maar die ook zeer kwetsbaar is.

De inschakeling van de perifere economieën (van de ontwikkelingslanden) in het kapitalistisch systeem, maakt het bereiken van duurzame ontwikkeling op lokale of regionale schaal, extra ingewikkeld. Historisch gezien hebben de perifere landen zich in de wereldeconomie ingeschakeld als uitvoerders van basisproducten en grondstoffen, en bleven zij afhankelijk van de invoer van afgewerkte producten uit de industrielanden. Hun consumptiepatroon is een weerspiegeling van de consumptie van de elite in de rijke landen. De kapitaalvorming gebeurde met het oog op deze vervormde consumptiepatronen, zonder rekening te houden met de basisbehoeften van de lokale bevolking. Investeringen gebeurden door het buitenland of met in het buitenland geleend geld, omdat het binnenlands sparen ontoereikend was. De technologische vooruitgang gebeurde via de invoer. Er was dus geen sprake van nationale technologische vooruitgang, die nochtans een noodzakelijke voorwaarde voor een autonome economische groei is.

Brazilië is van dit alles een klassiek voorbeeld. Het realiseert groeivoeten van 10 procent per jaar en kan in dit opzicht met Japan vergeleken worden. Maar het Braziliaans mirakel is op termijn niet houdbaar. Er is te weinig binnenlandse technologische innovatie en kapitaalsaccumulatie, om het ritme van de economische groei vol te houden. Daarom moet Brazilië de basiselementen van zijn ontwikkelingsmodel (technologie en kapitaal) invoeren, en betalen met het verhogen van zijn uitvoer of het aangaan van schulden in het buitenland. Vooral het verhogen van de uitvoer heeft een hoge ecologische kostprijs.

De evolutie in de omgang van de mens met zijn natuurlijke omgeving hangt dus af van wijzigingen in de patronen van productie en consumptie. De mens geraakt hierdoor vervreemd van zijn biologische behoeften en mogelijkheden, van zijn werkelijke behoeften en van de andere mensen. Onze levenswijze vereist de ‘toe-eigening’ (en vernietiging!) van de natuurlijke omgeving in andere territoria van de wereld, dat alles om onhoudbare consumptiepatronen voort te kunnen zetten.

MILIEU EN ETHIEK, BASIS VOOR EEN NIEUW PARADIGMA

“Er zijn mensen die ernaar streven een ingevoerde auto te bezitten. Ik stel mij tevreden met een Volkswagen Escarabajo die in Brazilië zelf geproduceerd is. Want een auto is toch niets meer dan een machine om afstanden te overbruggen. Ik wil wel de ‘mogelijkheid’ (koopkracht of vermogen) hebben om een ingevoerde auto te kopen, maar ik verkies het ‘genoegen’ om die auto niet te kopen” (Rui Lopes Viana Filho, 16 jaar, gouden medaille op de Internationale Wiskunde Olympiade).

De zorg voor het milieu en de ethische reflexie op het handelen van de mens, als persoon en als sociaal wezen, moeten de fundamenten worden van een nieuw paradigma, een algemene theorie over de richting waarin onze maatschappij moet evolueren. De voorbije eeuwen werden wij geleid door het paradigma van de ‘moderniteit’: economische, politieke, sociale en culturele modernisering. De moderniteit kan omschreven worden als een maatschappelijk project, soms vermengd of verward met het project van een nationale staat, dat de richting aangeeft waarin antwoorden op maatschappelijke uitdagingen gezocht worden. In de loop van de geschiedenis werden verschillende ‘vertalingen’ van de moderniteit in praktijk gebracht. Wij moeten nu een invulling vinden die geschikt is voor de eenentwintigste eeuw.

De spanning tussen de dominante moderniteit (anders gezegd: het ontwikkelingspad dat vandaag gevolgd wordt) en de zorg voor het milieu is de grote uitdaging voor de toekomst. Wij moeten hiervoor een nieuwe ethiek ontwikkelen. Het socialisme was de ‘systeemvijandige’ weerstand tegen de industriële variant van de moderniteit. Het ecologisme is vandaag de weerstand tegen de consumptievariant van de moderniteit, die zich in de twintigste eeuw onder leiding van de Verenigde Staten ontwikkeld heeft. De keuze voor het ecologisch alternatief getuigt van een grote luciditeit, zoals bewezen wordt door de woorden van Rui Lopes.

Het verzet tegen de heersende interpretatie van de moderniteit heeft altijd een ethisch karakter. Het socialisme streefde naar sociale correcties op de economische rationaliteit. Het ecologisme van vandaag wil respect voor de ecologische en sociale begrenzingen van de biosfeer, tegenover de economische logica van de markt.

Het reëel bestaande socialisme werd op pijnlijke wijze geconfronteerd met zijn grenzen en tekortkomingen, maar dat betekent nog niet dat het ecologisme dezelfde weg zal opgaan. Het socialisme van de negentiende en twintigste eeuw correspondeerde met de moderniteit van de burgerlijke maatschappij en kwam tot uitdrukking in overeenkomstige organisatievormen, de politieke partijen. Het werd ingehaald en voorbijgestoken door de ‘verbruikersversie’ van de moderniteit. Het ecologisme komt niet tot uitdrukking in één partij, en beweert ook niet de enige bron van weerstand tegen de heersende moderniteit te zijn. Het vindt zijn uitdrukking en voedingsbodem in talloze organisaties van de civiele maatschappij. Het ecologisme reikt verder dan het veroveren van de politieke macht, het wil de politiek zelf veranderen.

Het ecologisme is dus de moderniteit van de eenentwintigste eeuw en vormt een reëel alternatief voor de ecologisch schadelijke, sociaal en politiek onrechtvaardige en ethisch verwerpelijke ‘moderniteit van de burger en van de éénzijdige economische rationaliteit’. De moderniteit van het derde millennium is die van de duurzaamheid, en daarin staat de mens niet tegenover de natuur, maar is hij daarvan een integraal deel.

DUURZAME ONTWIKKELING IN EEN CONTEXT VAN GLOBALISERING

Globalisering wordt dikwijls op vrij exclusieve wijze omschreven als een economisch proces van standaardisering en internationalisering van consumptie en productie, als een financieel proces van onderlinge verwevenheid van toenemende internationale kapitaalstromen, en als een commercieel proces van groeiende openheid van nationale economieën. Anderen beklemtonen daartegenover het politieke karakter (nadruk op de liberale democratie en de individuele vrijheden) of de institutionele kenmerken van de globalisering (dominantie van de markt en flexibilisering van de arbeidsmarkt). Men kan ook de nadruk leggen op de snelheid van de technologische ontwikkeling, met haar effecten in de bedrijven en op de arbeidsmarkt, of op de ontwikkelingen in de communicatiemedia, met hun weerslag op de verspreiding van informatie en de vervaging van nationale culturele identiteiten. Er zijn ook wetenschappers die vooral de veranderingen in de internationale verhoudingen beklemtonen, met de opkomst van nieuwe blokken van economische en politieke macht, als gevolg van wijzigingen in de internationale machtsverhoudingen na het einde van de koude oorlog.

Vanuit een eco-politiek perspectief vragen wij vooral aandacht voor het aspect van de duurzaamheid van de ontwikkeling. Wij beklemtonen de spanning tussen economische rationaliteit en de eindigheid van de natuurlijke hulpbronnen (uitputting van niet-hernieuwbare energiebronnen, aantasting van fauna en flora, bedreiging van de ozonlaag, klimaatsveranderingen enz.). Wij benadrukken ook de sociale onhoudbaarheid van het heersende ontwikkelingsmodel, dat uitsluiting veroorzaakt of in elk geval versterkt.

De ecologische uitdagingen maken de fundamentele problemen van de globalisering zichtbaar. Lokale processen, zoals de verbranding van fossiele brandstoffen, kunnen een wereldwijde dynamiek veroorzaken en bijdragen tot het broeikaseffect. De eilanden van de Caraïben hebben daaraan zelf weinig schuld, maar ze moeten wel de gevolgen ondergaan. De opwarming van het zeewater bedreigt de prachtige koraalriffen van Belize, een toeristische trekpleister en economische troef van dit land.

Geen enkel land kan nog ontsnappen aan de effecten van de verstoring van de natuur. Omgekeerd hangt ook de oplossing van het milieuvraagstuk af van het gezamenlijk optreden van alle landen. Het is niet verwonderlijk dat in 1992 in Rio de Janeiro gezegd werd: ‘denk globaal, handel lokaal’. Het behoud van lokale ecosystemen hangt af van het bereiken van een toestand van wereldwijde duurzaamheid.

Vanuit een socio-ecologisch perspectief, kan men zeggen dat de globalisering, met haar neoliberale ideologie, ons geen andere mogelijkheid laat dan te kiezen voor alternatieve wegen. Als wij ons integreren in de globalisering, vormen wij een ondergeschikt deel van de wereldmarkt, en rest ons slechts de illusie van autonomie. Wij moeten dus niet de schijnbaar vanzelfsprekende inpassing in de wereldeconomie kiezen, maar onderzoeken hoe wij de controle over onze eigen ontwikkeling, onze culturele identiteit en sociale cohesie, kunnen behouden.

De werkelijke vrijheid van de volkeren is dat zij de keuze hebben tussen verschillende ontwikkelingsmodellen. Zoals Octavio Paz schreef: “De vrijheid is geen politiek idee, noch een filosofisch begrip of een sociale beweging. Vrijheid is dat magische moment waarin wij kiezen tussen twee éénlettergreepwoorden: ja of neen”.

GLOBALISERING, ECOLOGIE, MARKT EN DEMOCRATIE

De globalisering heeft de tendens versterkt om sociaal-ecologische verschijnselen te kwantificeren en vervolgens te meten, om zodoende de natuur in het keurslijf van de economie te persen. Niemand minder dan Albert Einstein heeft hiertegen gewaarschuwd: “In de mate dat de mathematische natuurwetten proberen de realiteit te beschrijven, zijn ze onvolledig … in de mate dat ze volledig zijn, hebben ze weinig gemeen met de realiteit”. We willen hiermee niet het belang van mathematische modellen en van het kwantificeren minimaliseren, maar enkel aangeven hoe ontoereikend deze methoden zijn om sociale verschijnselen (zoals de ontwikkeling binnen een bepaald gebied) of ecologische samenhangen (zoals die van duurzame ontwikkeling) te beschrijven. Deze laatste vereisen een interpretatie waarin kwalitatieve, institutionele en historische aspecten aan bod komen, aspecten die niet gemeten kunnen worden.

Duurzame ontwikkeling reduceren tot het doorrekenen van ecologische kosten in ‘juiste prijzen’, is een vorm van neoconservatief fundamentalisme. Natuurlijk kan het kwantificeren van het belang van de natuur, zoals o.a. gebeurt in kosten-batenanalyses, nuttig zijn. Deze methode levert kennis over de economische waarde van milieugoederen. Een voorbeeld hiervan is een Noord-Amerikaanse multidisciplinaire studie. Daarin worden de baten berekend van 17 milieugoederen die geleverd worden door diverse ecosystemen, o.a. natuurlijke bescherming tegen erosie en tegen aantasting van de voedselketen. Verder worden ook de economische baten geraamd van loofbossen, koraalriffen, mangrovewouden enz. De totale waarde van alle milieugoederen die door de biosfeer geleverd worden, zou in 1997 ongeveer 33.000 miljard dollar bedragen hebben. Men kan dit vergelijken met de 20.000 miljard dollar van het Bruto Mondiaal Product van dat jaar.

Dergelijke studies vertonen natuurlijk vele tekorten, zowel methodologische als meetfouten. Toch is het goed de woorden van Paul Hawken niet te vergeten: “Het is waar dat er geen ‘juiste’ methode is om de waarde van een bos of een rivier te bepalen. Maar er is zeker een onjuiste methode, nl. geen enkele waarde toekennen”.

Kosten-batenanalyses en ramingen van de monetaire waarde van natuurlijke processen, kunnen nooit het eindpunt of het enige element in een beoordelingsproces zijn. De bijdrage van deze methoden zal, in een ethische benadering van ontwikkeling, goed afgelijnd en beperkt moeten worden. Het einddoel van de waardering van de natuur is immers niet de ‘opsluiting’ ervan in een marktgerichte verbruikerslogica, maar wel de zorg om de levenswijze van de mens.

Het kiezen van een tijdshorizon en het bepalen van de gewenste opbrengst van een investering, zijn cruciale aspecten bij kwantitatieve benaderingen. Wij kunnen nooit aanvaarden dat een economisch belang zwaarder weegt dan een mensenleven. Om dezelfde reden moeten wij ook het bestaansrecht van dierlijk en plantaardig leven respecteren. Toekomstige generaties kunnen vandaag geen keuze bekend maken tussen meer investeringen in economisch kapitaal, of meer investeringen in het behoud van het ecologisch kapitaal. De ‘waarde’ van een Chileens bos of van het Amazonewoud is voor een Chileen of Braziliaan niet dezelfde als voor een Noord-Amerikaan, Japanner of Maleisiër, terwijl de economische ‘opbrengst’ voor iedereen dezelfde kan zijn.

We moeten in het debat over de globalisering ook oog hebben voor enkele dikwijls onuitgesproken socio-politieke argumenten. De hegemonie van de dominerende opvatting over moderniteit werd duidelijk na de val van de Berlijnse Muur, zodanig zelfs dat men over ‘het einde van de geschiedenis’ sprak, en democratie en vrijemarkteconomie als noodzakelijk met elkaar verbonden polen beschouwde. Hier begaat men echter een denkfout: het einde van een bepaalde staatsvorm valt niet altijd samen met de opkomst of de triomf van een andere staatsvorm. De crisis van de bevelseconomieën leidde tot de ineenstorting van de alomtegenwoordige staat. Maar dat betekent niet dat het zegevierende type van (internationale) economie volledig de contouren van de nieuwe maatschappij en van de toekomstige staat zal bepalen.

Onze opvattingen over de markt evolueren doorheen de geschiedenis. In de zeventiende en achttiende eeuw verbreidde de ‘markt’ zich via de handelsstromen en was ze een factor van beschaving, omdat de willekeur van de aristocratie door de groeiende vrijheid van de handelaars beperkt werd. Daarom werd de markt in de negentiende eeuw niet gezien als de antithese van de staat. Ze was eerder een motor in het proces van wijziging van de sociale relaties, en voerde tot een hoger en beter niveau van maatschappelijke organisatie. In onze tijd heeft de markt dat ‘beschavend vermogen’ verloren, en rekenen wij op de staat om het menselijk geluk tegen de blinde krachten van de markt te vrijwaren.

Tussen de ongebreidelde lofzang op de markt en de kritiekloze verdediging van de allesoverheersende overheid is er ruimte voor een staat die noch neoliberaal, noch interventionistisch is. Wij denken hierbij aan een staat die bekwaam is ’te doen wat nodig is, maar onbekwaam om te doen waartoe zij niet in staat is’, naar de woorden van de Braziliaanse president Cardoso. De staat van de toekomst moet het vermogen bewaren om waar nodig tussen te komen en scheidsrechter te spelen, maar tegelijk afstand bewaren tot specifieke privé-belangen, en niet ingrijpen om deelbelangen te beschermen. De huidige staten van Latijns Amerika zijn inderdaad zwaar en log, verzwakt door schuldenlast en technologische achterstand. Ze moeten heropgebouwd worden, omdat zonder de instituties en wetten van de staat, het economisch handelen van private economische agenten en van de overheden, niet of onvoldoende tot ontplooiing kan komen en het algemeen belang niet gerealiseerd wordt.

Het is trouwens opvallend dat de herauten van de vrije markt, van de privatiseringen en van het terugdringen van de staat, deze aanbevelingen in eigen land zelf niet altijd toepassen. In de Verenigde Staten zijn 3 op 4 burgers aangesloten op een waterleidingsnet dat uitgebaat wordt door een publieke onderneming. Het rioleringsnet is voor 100 procent in handen van de overheid. Twee derde van de infrastructuur voor de productie en distributie van elektriciteit is publieke eigendom, via overheidsondernemingen of coöperaties van verbruikers. In de telecommunicatie worden geen licenties toegekend aan bedrijven die voor meer dan 25 procent door buitenlandse aandeelhouders gecontroleerd worden.

De markteconomie is zeer doelmatig in het voortbrengen van rijkdom, maar ze produceert ook sociale ongelijkheid en milieuvervuiling. De overheid (of meer algemeen: publieke regelingen en instituties) kunnen niet aan hun verantwoordelijkheid ontsnappen, zeker niet op belangrijke terreinen zoals het onderwijs, de bevordering van wetenschappelijke onderzoek en technologie, de bescherming van het milieu en van het biogenetisch patrimonium. Tussenkomsten van de staat op deze terreinen staan niet in contradictie met toenemende economische vrijheid en met het functioneren van de markteconomie. Die vrijheid is immers meer het product van een historische evolutie dan van een ideologische keuze of gril. Maar de vrijheid van de markt moet aangepast worden aan de omstandigheden en mogelijkheden van de ontwikkelingslanden.

Het evenwicht tussen staat en markt moet tot stand komen in het politieke proces. Ongelukkig genoeg hebben de verafgoding van de markt en de globalisering ook het wantrouwen tegenover de politiek gevoed. De crisis van de staat in ons werelddeel is daarom evenzeer een crisis van het politieke denken en handelen. Hierdoor komt de bestuurbaarheid van onze maatschappijen in het gedrang. De teleurstelling over de mogelijkheden en beperkingen van het politieke proces, is het spiegelbeeld van het kritiekloze geloof in de neoliberale oplossingen, en heeft als resultaat dat de privé -sfeer en het publieke optreden als tegengestelde polen gezien worden. De publieke sfeer en het algemeen belang zijn in deze ‘confrontatie’ onvermijdelijk de zwakste partij. Private groepen in de economie en de perswereld maken handig gebruik van deze ideologische leegte. Deze agenten van een moderniteit die gebaseerd is op het neoliberalisme, slagen erin de politieke agenda te veroveren en onevenredig veel invloed uit te oefenen op de keuze van oplossingen voor nationale problemen.

Vorm geven aan en beheren van het publieke leven, kan in een democratie niet gebeuren zonder tussenkomst van de politiek. Partijen zijn onmisbaar bij het formuleren van een minimale consensus over een nationaal project. Zij zijn ook nodig om het huidige ontwikkelingsmodel, gebaseerd op de tegengestelde polen van concentratie en uitsluiting, te overstijgen. Om deze redenen moet het aanzien van het politieke handelen en van de politieke instellingen in onze landen verhoogd worden.

Wij hebben een staat nodig die instituties en onderhandelingsregels opstelt voor de activiteiten van individuele actoren en afzonderlijke overheidsinstellingen. Dat is niet langer de interventionistische staat van het verleden, maar een staat die strategieën opstelt, regelend optreedt en mogelijkheden schept. Het is een staat die de kwaliteit van de openbare dienstverlening, en de toegankelijkheid ervan voor allen, verzekert. Het is een staat die instituties voorziet die een economische groei mogelijk maken, die veel meer dan in het verleden inkomensverdelende effecten heeft. De historische ervaring in Latijns-Amerika en andere delen van de wereld, bewijst dat een ‘ontwikkeling’ die enkel op de marktkrachten gebaseerd is, slechts leidt tot het reproduceren van de ongelijkheid en de sociale uitsluiting die al bij het begin van het ‘ontwikkelingsproces’ bestond. Noch het oude etatisme, noch het nieuwe anti-etatisme bieden veel perspectief.

De bestuurbaarheid van onze maatschappijen, die nog niet lang geleden de overgang van autoritaire regimes naar democratieën gemaakt hebben, hangt af van ons vermogen om hyperinflatie en economische instabiliteit te vermijden, en tegelijk armoede en ongelijkheid terug te dringen. Niemand mag veroordeeld worden tot een leven van miserie en ontberingen. Wij moeten een nieuw ontwikkelingsparadigma ontwerpen dat de mens in het centrum plaatst, dat van de economische groei een middel maar geen doel maakt, dat de toekomst van de komende generaties veilig stelt, en dat om al deze redenen respect opbrengt voor de natuurlijke systemen en processen die het leven van de mens op deze planeet mogelijk maken.

Roberto P. Guimaraes is doctor in de politieke wetenschappen, en werkt voor de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Latijns-Amerika en de Caraïben (CEPAL, met zetel in Santiago de Chile).

Dit artikel is een bewerking van het middenstuk van een uitgebreide studie, voorgesteld op een Internationaal Symposium over Regionale Integratie, Globalisering en Ontwikkeling. Dit symposium werd georganiseerd door de Chileense Universidad Alberto Hurtado en het Latijns-Amerikaans Centrum voor Sociale Ecologie (CLAES, Centro Latino Americana de Ecologia Social) op 7 juli 2001.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift