"Duurzame ontwikkeling" bedreigt boeren en Indianen

Onder het Peruaanse Amazonewoud ligt een indrukwekkende gasbel. Regering en bedrijven beloven bij de exploitatie ervan rekening te houden met het milieu, maar de inwoners van de regio tellen hun doden al. Het vroegere paradepaardje van de Belgische energiesector - Tractebel -heeft een stevige hand in het project, en laat de Belgische staatskas opdraaien voor de verzekering van het risico. Wie sprak er van duurzaam ondernemen?
Toen op 13 augustus dit jaar in de buurt van Lima de eerste steen werd gelegd voor de installaties van Transportadora del Gas de Peru, onderstreepte president Toledo het belang van de gaswinning in de regio Camisea. ‘Het Camisea-project zal de energie in ons land goedkoper maken en de industriële tarieven met twintig procent doen dalen, waardoor onze bedrijven efficiënter en competitiever worden. De hele duur van het project zal het bruto binnenlands product met één procent stijgen.’ Het volume gas van Camisea spreekt tot de verbeelding: 310 miljard kubieke meter aardgas en 545 miljoen vaten aardgascondensaten, volgens sommigen een voorraad voor wel honderd jaar.
“Camisea” is een zaak van nationaal belang, zelfs van nationale veiligheid, want de geloofwaardigheid van het land ten aanzien van buitenlandse investeerders hangt ervan af. ‘Niemand houdt Camisea nog tegen’, aldus een overtuigde Toledo. Het land heeft economische groei meer dan nodig, om de schuldenlast waaronder het gebukt gaat, te drukken. Al sinds 1992 werd in Peru alles gezet op de ontwikkeling van mijn- en energieprojecten, en werd er volop gekozen voor liberalisering en privatisering. ‘Het ministerie van Energie en Mijnbouw is de zoveelste concessie die in handen van buitenlandse belangen gegeven wordt’, hoor je de Peruanen wel eens cynisch opmerken.

Het politieke gewicht van het gas


Het verhaal begint twintig jaar geleden. In 1983 ontdekten Shell-geologen een enorme hoeveelheid gas in het Camisea-bekken, in het departement Cusco. Het duurde echter tot mei 1996 eer Shell een Memorandum of Understanding (MoU) opstelde met president Fujimori, een beginselakkoord voor verkenning van het gebied. Tussen 1996 en 1998 deed Shell uitgebreid onderzoek, liet milieurapporten maken, pleegde overleg met de gemeenschappen, liet ontwikkelings- en gezondheidsprojecten uitwerken voor de streek en bedacht manieren om de impact van een eventuele exploitatie op het milieu te reduceren.
Camisea moest voor Shell een pilootproject worden voor duurzaam ondernemen. De energiereus had wat goed te maken, na de controverse in 1995 over de activiteiten van het bedrijf bij de Ogoni in Nigeria. Ondanks alle voorbeeldige intenties had de aanwezigheid van Shell in het Peruaanse Amazonewoud een zware impact: in de loop van die twee jaar stierf 42 procent van de Nahua-bevolking aan ziektes die, in het spoor van Shell, door houtkappers en kolonisten in het woud werden binnengebracht.
In 1998 stapte Shell uit het Camisea-project. Het bedrijf had graag exploitatie, transport, distributie én export gecombineerd, en dit zonder al te veel royalties te moeten afdragen aan het gastland. Maar dat was zelfs voor de neoliberale president Fujimori te veel gevraagd.
Een keur aan andere kandidaten stond meteen klaar om de rol van Shell over te nemen. In 2000 gaf de Peruaanse regering de exploitatierechten voor lot 88, waar het grootste deel van de gasreserves liggen, voor een periode van veertig jaar in concessie. Ontginning, transport en distributie gebeuren door twee consortia, waarin de belangrijkste de Argentijnse bedrijven Pluspetrol en Tecgas, en het Texaanse Hunt Oil Company zijn.
Het project behelst het uitvoeren van seismische tests, de bouw van pomp- en drukstations en werkplatforms in het woud en de aanleg van twee pijpleidingen die door kwetsbare gebieden lopen. Eén traject van 1140 km voert naar Lima en Callao, bestemd voor distributie in Peru. De tweede lijn van 520 km leidt naar de kust, waar installaties gebouwd zullen worden om het gas vloeibaar te maken. Het Argentijnse Tecgas selecteerde in mei 2002 Tractebel om voor honderd procent in te staan voor de distributie in Lima en Callao.
Daarnaast participeert Tractebel voor acht procent in de pijpleiding naar Lima. Deze eerste fase van het project is voor zeventig procent voltooid, men verwacht dat tegen midden volgend jaar het gas Lima zal bereiken. In september tekende Tractebel met de Peruaanse regering een MoU om vanuit Pampa Melchorita aan de noordkust Peruaans gas te exporteren naar Tractebel-installaties in Lázaro Cardenas, in de deelstaat Michoacán in Mexico. Mexico is zelf rijk aan aardgas maar verwacht toch een tekort tegen 2010, terwijl Tractebel hoopt de gasdistributie in Lázaro Cardenas tegen 2008 operationeel te hebben.
Jos Remacle, general manager voor Tractebel Gas Natural en Lima y Callao, die sinds twee jaar actief is in het project, is er rotsvast van overtuigd dat Camisea Peru vooruitgang zal brengen. ‘Peru krijgt hiermee zuivere energie. Bovendien zal het land dankzij die gasvelden van energie-importeur veranderen in een energie-exporteur.’ Ook voor Tractebel is Camisea een opportuniteit. Het bedrijf kreeg in het Camisea-project een concessie van dertig jaar. Met de deelname in dit project verstevigt het bedrijf niet alleen zijn positie in Peru, waar het al twee elektriciteitscentrales heeft in Ilo, maar ook in het bekken van de Stille Oceaan, via de export naar Mexico. In het bekken van de Atlantische Oceaan heeft Tractebel al voet aan de grond in Argentinië en Brazilië en inTrinidad, Puerto Rico en Freeport. In Freeport bouwt het bedrijf aan een terminal om tegen 2007 Florida te bevoorraden.

Bedreigde soorten, bedreigde mensen


De Inca’s wisten het al, het WWF en Conservation International bevestigen het: de Vilcabamba-bergketen en het bekken van de Urubambarivier, waarin de Camisea-gasvelden gelegen zijn, behoren wat betreft hun biodiversiteit tot de meest waardevolle gebieden ter wereld. De Peruaanse regering én de betrokken bedrijven verzekeren steevast dat alle voorzorgsmaatregelen genomen worden om de milieu-impact van de gasexploitatie minimaal te houden. Toch is de vernieling die wordt aangericht zorgwekkend. In de regio wonen diverse inheemse volkeren zoals de Yora, de Nahua, de Nanti en de Machigenka, nomaden die kiezen voor een leven in afzondering.
In 1990 creëerde de Peruaanse regering het natuurreservaat van Nahua Kugapakori om de bevolking en hun habitat te beschermen. Drie vierde van lot 88 ligt in het reservaat. Peru heeft verschillende internationale conventies getekend waardoor het zich verplicht de leefwijze en het territorium van deze volkeren te respecteren. De belangrijkste is de Conventie 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie over inheemsen. Artikel 15 van die Conventie stelt dat die volkeren het recht behouden op inspraak in het gebruik, het beheer en het behoud van de natuurlijke rijkdommen in het gebied waar zij wonen. Zowel dat respect voor het territorium als het recht op inspraak is in het project ver te zoeken.

Door de machines en de werken is het drinkwater vervuild en de lucht bezoedeld. De seismische tests zorgen voor enorme donderslagen die het wild op de vlucht jagen. Het visbestand slinkt en de toegang tot voedsel en tot natuurlijke geneesmiddelen wordt problematisch. Ziektes aan ingewanden en luchtwegen nemen toe. Zeventien personen, vooral kinderen, stierven al aan aandoeningen van de luchtwegen.
Eind augustus 2003 organiseerden verschillende indiaanse organisaties en boerenbewegingen die slachtoffer zijn van het Camisea-project een nationaal congres. In een slotverklaring stellen ze dat Camisea een fundamentele schending van de mensenrechten inhoudt en de biodiversiteit van het woud onherstelbaar schaadt. ‘Is dit het “project voor nationale ontwikkeling”, betaald met de dood van zovele kinderen? Is gas zo belangrijk dat de bedrijven en hun bondgenoten daarvoor het waardevolste stuk regenwoud op aarde willen liquideren, en tegelijk de kennis van de indianen over de diversiteit van het Amazonewoud? Is dat wat zij “duurzame ontwikkeling” noemen? Kan er aan ontwikkeling voor mensen gewerkt worden zonder de mensen zelf in het centrum van het project te plaatsen?’, vraagt de organisatie van etnische groepen AIDESEP zich af. ‘Er wordt veel te weinig geïnvesteerd in maatregelen die de schade kunnen beperken en er is geen onafhankelijke monitoring’, zo luidt de aanklacht van de indianen.
General manager van Tractebel voor de gasdisributie in Lima, Jos Remacle, relativeert de klacht: ‘De totale oppervlakte die voor de pijpleidingen wordt opengemaakt, beslaat niet meer dan 200 ha, wat nauwelijks zichtbaar is in de immense uitgestrektheid van het woud. Er worden geen wegen aangelegd, alle verplaatsingen gebeuren per helikopter. De exploitaties in het woud worden allemaal met off-shore-installaties gedaan, erg precies gerichte installaties met boringen tot 3000 m diep op afstanden van 5 tot 6 km.’ Remacle verzekert ook dat er wel degelijk is geïnvesteerd in participatie van de plaatselijke bevolking: drieduizend mensen kregen een opleiding, tweeduizend uren werd er geïnvesteerd in het bekwamen van de plaatselijke arbeidskrachten. Toch ervaart de plaatselijke bevolking het niet altijd zo.
Langs het traject van de pijpleidingen zijn er heel wat klachten te horen. Op het Nationale Congres van Conacami - een koepelorganisatie van gemeenschappen die getroffen zijn door mijn- en energieprojecten - eind oktober 2003 in Lima ventileerden de bewoners van Ayacucho hun frustraties. ‘Camisea is de zoveelste gemiste kans’, vinden ze. ‘Meer dan een jaar na het begin van de werkzaamheden, hebben we nog geen enkel voordeel gezien, alleen maar problemen. Er is werkgelegenheid voor een klein deel van de bevolking, maar professionele werkkrachten uit eigen streek worden opzijgeschoven. De ongelijkheid in lonen zorgt ook voor verdeeldheid.’
Bovendien zijn er nog heel wat conflicten over betalingen voor grondgebruik en over onteigeningen. Eind oktober organiseerden de Ayacucheños preventief een 24-urenstaking, om hun eis voor 15 procent uit de royalties voor het gebruik van hun territorium kracht bij te zetten. Zulke protestacties staan in Peru gelijk met subversie. Luís Vittor van Conacami was onlangs in België voor de 11.11.11- campagne. Volgens hem kregen al 150 leiders, die plaatselijk acties ondernomen hebben of manifestaties hebben georganiseerd om wantoestanden in mijn- en energieprojecten aan te klagen, ernstige waarschuwingen vanwege de ordediensten.
Ook Paracas, aan de kust, waar de installaties voor het vloeibaar maken van het gas zullen komen, is een natuurgebied. De regio is uniek om zijn maritieme biotoop met Humboldt pinguins, groene zeeschildpadden en een uitzonderlijk vogelbestand. Paracas staat op een internationaal erkende lijst van wetlands van internationaal belang. Dus ook voor dit luik vragen milieugroepen om nog eens een tweede keer na te denken.

Schadelijk voor ontwikkeling


De totale kostprijs van het project wordt geschat op 1,54 miljard dollar. Voor de installaties aan de kust zou daar nog eens 1,8 tot 2,5 miljard dollar bijkomen. Een flink deel van dat bedrag komt uit de schatkist van overheden in het Westen, met name via Export Credit Agencies (ECA’s), die als opdracht hebben de export van hun land of investeringen overzee te promoten. Jaarlijks versluizen die ECA’s een bedrag van 100 tot 200 miljard dollar van de geïndustrialiseerde wereld naar ontwikkelingslanden dat is ongeveer het tienvoudige van wat de Wereldbank ter beschikking stelt.
ECA’s zijn in de globale ontwikkelingseconomie niet alleen de snelste groeiers, ze zijn ook ‘het minst onderzocht, het minst transparant, het minst verantwoordelijk, en in sommige opzichten het meest schadelijk’, aldus Aaron Goldzimer van Environmental Defence in de VS. De meeste ECA’s hebben immers geen ontwikkelingsmandaat, zoals het Internationaal Muntfonds of de Wereldbank. Niet zelden steunen ECA’s projecten die de Wereldbank weigerde om hun negatieve sociale of ecologische impact.
‘Eén van de belangrijkste redenen waarom het gewicht van de ECA’s in de globale economie, handel en financiën is toegenomen,’ zo weet Aaron Goldzimer, ‘is dat private banken en instellingen op grote schaal de risico’s van mondiale handel en investering naar de publieke sector doorschuiven.’ Sommigen noemen de overheidssteun waarmee deze risico’s via ECA’s gedekt worden dan ook een “sociaal schadelijke handelssubsidies”, waarvan noch de belastingbetaler noch het ontvangende land beter wordt.
ECA’s zijn vandaag op grote schaal terug te vinden in energieprojecten. Het World Resources Institute heeft vastgesteld dat de helft van alle investeringen in energie-intensieve sectoren in ontwikkelingslanden gesteund worden door ECA’s. Zij nemen in dit domein voor een groot deel het risico over van private energiebedrijven.
Onder invloed van het doorgedreven lobbywerk besloot het Amerikaanse Export Credit Agency Ex-Imbank eind september zijn steun aan Camisea, die 213,6 miljoen dollar in leningen en garanties zou bedragen, in te trekken. De bank nam die beslissing na een onderzoek ter plaatse en na de weigering van de Peruaanse overheid om de einddatum van de gasleveringen op te schuiven om de milieuschade te beperken. Citigroup en de Overseas Private Investment Corporation hadden zich eerder al teruggetrokken. De belangrijkste overheidsfinanciers die vandaag overblijven zijn de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank en de Andean Development Corp., die respectievelijk die 135 miljoen dollar en 75 miljoen dollar hebben bevestigd.

België houdt vol


Het Belgische Export Credit Agency heet Delcredere. In mei 2002 keurde Delcredere een “verzekering voor politiek risico” goed, ter waarde van 170 miljoen dollar, voor Tractebel’s investeringen in Camisea. De heer Windelincx, directeur van Delcredere, reageert geïrriteerd wanneer MO* vragen stelt over Camisea. ‘In het Camisea-dossier is niets onwettigs gebeurd! De beslissing is genomen nadat onze raad van beheer alle aspecten had onderzocht, ook de milieuaspecten. Bovendien werkt Tractebel mee in het distributieluik van aardgas in Lima, en dat gaat over zuivere energie. De Limeños kunnen beter aardgas verbruiken dan autobanden stoken! En ja, dat gas moet natuurlijk ergens uit de grond gehaald worden!’ Of die beslissing voor steun aan Camisea met een volwaardige raad van beheer is goedgekeurd?
Windelincx: ‘Wij tellen twintig leden, als er elf zijn kunnen wij een geldige beslissing nemen. Zelfs indien er slechts twee zijn - de voorzitter en een lid van de raad van bestuur- kan er een beslissing genomen worden. Zo staat het in onze wetgeving.’ Windelincx ontkent niet dat tussen 1999 en 2002, onder voogdijminister Rik Daems, de raad van beheer van Delcredere nauwelijks functioneerde. ‘Sinds april 2000 werd onze raad niet vernieuwd of niet herbenoemd. Omdat voor overheidsinstellingen het principe van de continuïteit geldt, hebben we zo verder gewerkt.’
Windelincx hoopt dat het met de nieuwe regering vlotter loopt. Zijn eigen benoeming is sinds half september een feit, na vier jaar wachten. Geruchten doen de ronde dat ex-minister Rik Daems de dienst liet verloederen, om hem dan aan een prijsje van de hand te kunnen doen aan privé-investeerders. Windelincx spreekt dit niet tegen. Of hij eraan denkt die privatiseringsplannen door te zetten? ‘Ik zoek op dit ogenblik pistes om de dienst efficiënter en concurrentiëler te maken.’ Aan de benoeming van de nieuwe raad van beheer wordt gewerkt. Of de Tractebel-aanvraag niet moest beantwoorden aan bepaalde milieucriteria? Windelincx: ‘De criteria die voor Delcredere van toepassing zijn, zijn de OESO-richtlijnen. Maar die gelden enkel voor de export en niet voor verzekeringen.’
De OESO, de Organisatie voor Economische samenwerking en Ontwikkeling, een samenwerkingsverband van rijke, geïndustrialiseerde landen, legt aan ECA’s niet echt regels op in verband met sociaal en ecologisch verantwoord gedrag, maar werkt sinds 2000 wel aan een referentiekader. Dat hieraan wordt gewerkt is vooral de verdienste van een internationaal netwerk van ngo’s, die in 2000 de Jakarta-Verklaring opstelden. In die Verklaring wordt een grotere transparantie in de activiteiten gevraagd, meer communicatie met de civiele samenleving en de betrokken bevolking, een toetsing aan sociale en ecologische criteria en respect voor de fundamentele mensenrechten. Op dit ogenblik noemt de OESO het zelfs één van haar prioriteiten om richtlijnen uit te werken over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van multinationale bedrijven.
In VS, Australië en Frankrijk heeft het lobbywerk om ECA’s ter verantwoording te roepen, al vruchten afgeworpen. De Ex-Imbank trok zo haar steun aan Camisea in. In België volgt de vzw Proyecto Gato de ontwikkelingen van het Camisea-project op de voet. Het oefent via lobbywerk druk uit op de politieke kringen die onze Delcredere-dienst uitmaken of omgeven, en roept hen ter verantwoording. Dat werk lijkt stilaan vruchten af te werpen in de voorstellen van bepaalde politici. Zo diende sp-a kamerlid Dirk Van der Maelen in november een wetsvoorstel in, waardoor het verlenen van Belgische overheidssteun aan bedrijven in het buitenland gekoppeld zou worden aan normen van duurzaam en verantwoord ondernemen.
Het voorstel houdt ook de oprichting in van een ethische commissie, die erover moet waken dat bedrijven die steun hebben gekregen, ook effectief de normen naleven. Deze commissie kan een onderzoek opstarten en in geval van een schending van de normen een sanctie voorstellen. In de loop van de komende weken zal dit voorstel besproken worden. Of Van der Maelen tegenkantingen verwacht? ‘Uiteraard. Ik denk dat zowel de politieke rechterzijde als de bedrijfswereld zich zullen verzetten. Zulke richtlijnen worden vaak nog beschouwd als bedreigend voor de concurrentie. Ethisch ondernemen blijft nog al te vaak bij mooie woorden en wordt niet gezien als een concurrentievoordeel.’ De Camisea-gasbel kan in Peru, maar ook in het Belgische parlement nog tot zware knallen leiden.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.