Duurzame ontwikkeling: tussen woord en daad

Tien jaar geleden bracht het NoordZuid Cahier een nummer uit over de relatie tussen milieu en ontwikkeling. De aanleiding was de spraakmakende Conferentie over Milieu en Ontwikkeling, die in juni 1992 in Rio de Janeiro plaatsvond. Ondertussen zijn we een decennium verder en voor de Verenigde Naties is dit de gelegenheid om opnieuw een ecologische wereldtop te organiseren. Deze zal plaatsgrijpen in Johannesburg in september 2002.
Het is het moment om een balans op te maken van wat er van de ecologische globalisering geworden is. Volgens pessimisten wordt dit eens te meer een beschrijving van de kloof tussen woord en daad, een mooi verpakte uiting van onmacht tegenover de overheersing van de ideologie van de vrije markt. Optimistischer stemmen zien eerder wat reeds gerealiseerd is, maar moeten evenzeer toegeven dat tussen verbintenissen en daadwerkelijk beleid de afstand niet echt kleiner geworden is. Bij deze balans willen we in elk geval ook een aantal uitdagingen voor de conferentie van Johannesburg formuleren.

DE GLOBALISERING VAN DE MILIEUPROBLEMATIEK

Verontreiniging

Milieu werd in de jaren ‘70 wereldwijd als een globaal probleem onderkend. Het fameuze rapport van de Club van Rome (1972) gaf het eerste alarmsignaal, en in datzelfde jaar organiseerden de Verenigde Naties in Stockholm de eerste Internationale Conferentie over Mens en Milieu. De probleemstelling en internationale afspraken voor actie, draaiden vooral rond het remediëren van vervuiling: verontreiniging van zee en lucht, de verzuring, de export van afvalproducten, het gat in de ozonlaag. Een aantal internationale afspraken werden gemaakt, vnl. rond het verwerken en dumpen van afval. Vele van deze afspraken bleken achteraf niet sluitend genoeg, maar het grote probleem, nl. de vervuilende productiewijze, bleef bestaan. Bovendien werd milieu toen nog te veel als een aparte problematiek benaderd, en werden te weinig linken gelegd met andere globale fenomenen.

Duurzame ontwikkeling

De term “duurzame ontwikkeling” werd voor het eerst gebruikt in het rapport van de Brundtland-commissie, dat in 1987 verscheen. Op de Conferentie van Rio in 1992 werd in Agenda 21 een tweede definitie gegeven. Beide documenten zijn zowel gebaseerd op wetenschappelijke bevindingen als op politieke factoren, en trachten - naast het definiëren van het begrip - strategieën voor een optimaal streven naar duurzame ontwikkeling aan te reiken.

Volgens het Brundtland-rapport wijst de term in de eerste plaats op de bevrediging van menselijke basisbehoeften, maar ontwikkeling moet prioritair duurzaam zijn: buiten het voorzien in de basisbehoeften van de huidige generatie, moet er ook op lange termijn aan ontwikkeling gewerkt worden.

AGENDA 21

In navolging van het Brundtland-rapport haalde Agenda 21 - een kader voor nationale en internationale acties en onderhandelingen en tegelijk een akkoord en een actieprogramma - vijf jaar later belangrijke tendensen aan op sociaal en ecologisch vlak. Ontwikkeling op zich is niet de enige prioriteit. Om over duurzame ontwikkeling te kunnen spreken, moet men ook het milieu beschermen. Agenda 21 beoogde dus een bevredigend evenwicht tussen huidige en toekomstige menselijke behoeften en het leefmilieu. De vier andere documenten die het resultaat van Rio vormden - de Politieke Verklaring, de Bossenverklaring, het Raamverdrag over het Klimaat en het Biodiversiteitsverdrag - zouden, met uitzondering van de Politieke Verklaring, na 1992 verder in detail worden onderhandeld en uitgewerkt.

De zogenoemde “programmaterreinen” die beschreven staan in Agenda 21 zijn onderverdeeld in 4 blokken:

1) ‘Sociale en economische dimensies’ bevat hoofdstukken over internationale samenwerking, het bestrijden van armoede, het veranderen van consumptiepatronen, bevolking en duurzaamheid, gezondheidszorg, duurzame menselijke nederzettingen en beslissingskaders rond duurzame ontwikkeling;

2) ‘Behoud en beheer van natuurlijke rijkdommen’ behandelt de bescherming van de atmosfeer, het duurzaam grondbeheer, het bestrijden van ontbossing, woestijnvorming en droogte, duurzaam bergbeheer, duurzame landbouw en rurale ontwikkeling, het bewaren van de biodiversiteit, het beheer van biotechnologie, bescherming en beheer van de oceanen en van drinkbaar water, veiliger gebruik van toxische chemicaliën en het beheer van afval, met inbegrip van schadelijk en radioactief afval;

3) ‘De versterking van de rol van de maatschappelijke groepen’ beschrijft de rol van diverse doelgroepen, waaronder vrouwen, kinderen en inheemse volkeren, het belang van een partnerschap met de niet gouvernementele organisaties, lokale autoriteiten, arbeiders en vakbonden, industrie en zakenleven en een versterking van de rol van boeren;

4) ‘De middelen om Agenda 21 uit te voeren’ behandelt de financiering van duurzame ontwikkeling: transfer van technologieën, wetenschappen in functie van duurzame ontwikkeling, educatie, vorming en sensibilisering, capaciteitsopbouw, organisatorische capaciteiten, internationale wetgeving en beleidsinformatie.

Agenda 21 werd op behoorlijk veel kritiek onthaald; desondanks wordt erkend dat het een goede basis is, aangezien het aanzet tot reflectie en actie. Bij dergelijk akkoord moeten vooral de consequenties op lange termijn beschouwd worden. In die zin is Agenda 21 een goede basis is voor verdere onderhandelingen.

Vele van de deelproblematieken die in Rio niet grondig genoeg werden behandeld, gaven trouwens aanleiding tot een hele reeks van VN-Conferenties in de periode na 1992.



1987 Rapport van de Brundtlandt-commissie
het begrip ‘duurzame ontwikkeling’
1992 Rio de Janeiro
Agenda 21, een akkoord en actieprogramma in vier delen:
1. politieke Verklaring
2. verklaring over de bossen
3. raamverdrag inzake de klimaatsverandering
4. biodiversiteitsverdrag
1994 Barbados
duurzame ontwikkeling voor kleine eilandstaten
1994 Yokohama
voorkoming van natuurrampen
1994 Kaïro
bevolking en ontwikkeling
1995 Kopenhagen sociale ontwikkeling
1995 Peking vrouwen en ontwikkeling
1996 Istanbul Habitat - Menselijke nederzettingen
1996 Rio+5
evaluatie Agenda 21 en Programma 21
1997 Kyoto
protocol klimaatverdrag
2002 Johannesburg
Rio +10
2002 Monterrey
financiering van ontwikkeling



Om al deze ambities te realiseren, is het essentieel dat er op internationaal vlak samengewerkt wordt. In de eerste plaats moeten de afzonderlijke landen voor zichzelf een beleid opstellen en verwezenlijken, maar daar mag het niet ophouden. Internationale samenwerking, over de grenzen van de individuele staten heen, is onontbeerlijk voor het bereiken van de in Agenda 21 opgelegde doelstellingen. Niet alleen de rol van de nationale regeringen is daarin belangrijk. Ook de VN, NGO’s, andere maatschappelijke groeperingen, internationale, regionale en subregionale organisaties en de bevolking moeten een actieve rol spelen in de implementatie van duurzame ontwikkeling. In Rio werd de “all stakeholders” (alle belanghebbenden) benadering sterk uitgewerkt. Ondanks het feit dat er al wel lokale inspanningen en resultaten zijn, blijven concrete resultaten op internationaal vlak uit. Duurzame ontwikkeling vraagt per definitie een globale aanpak, en dat is juist de grote uitdaging.

EEN EERSTE BALANS VAN DE CONFERENTIE VAN RIO, VIJF JAAR LATER

De onderhandelingen die plaats vonden 5 jaar na de Conferentie van Rio, (Rio +5) leidden tot een Verbintenisverklaring en Programma 21, die beiden een verdere toepassing van Agenda 21 beoogden.

Tijdens Rio+5 waren de deelnemende landen voornamelijk gepolariseerd in drie blokken: de G77 (groep van ontwikkelingslanden) en China, de Europese Unie en de overige industrielanden. Vanwege de tegenstrijdige belangen van deze drie blokken werden de onderhandelingen vanzelfsprekend bemoeilijkt. De G77 en China waren ontgoocheld over de uitvoering van het financiële aspect van Agenda 21, stonden wantrouwig tegenover begrippen als mensenrechten, democratie en participatie, legden de nadruk op hun nationale soevereiniteit, en achtten ontwikkeling belangrijker dan het milieu. De EU en Centraal-Europa daarentegen hadden enkele voorstellen en nieuwe initiatieven voorbereid, en pleitten voor nieuwe juridische initiatieven. De andere industrielanden namen een eerder defensieve houding aan.

Eén van de belangrijkste politieke punten van de Rio+5 was dat duurzame ontwikkeling stilaan gehoor begon te vinden, hetgeen bleek uit de talrijke aanwezigheden en politieke verklaringen, uit de integratie van de beginselen van Agenda 21 in de nationale wetgevingen en uit het feit dat er al verscheidene concrete maatregelen van kracht werden.

Maar ook de aandacht voor het leefmilieu werd op de Rio+5 extra onderstreept: een verbetering van het leefmilieu, hand in hand met ontwikkeling, is een absolute voorwaarde om duurzame ontwikkeling waar te maken. Daarom moesten de huidige consumptie- en productiepatronen veranderen. Ondanks enkele geboekte resultaten, viel er op dit vlak geen verbetering vast te stellen sinds Rio. Integendeel, er was zelfs sprake van een lichte achteruitgang.

Een derde belangrijk politiek thema lag op het financiële vlak. De ontwikkelingslanden legden er de nadruk op dat ze niet over voldoende financiële middelen beschikten voor de uitvoering van Agenda 21. Bovendien moest de officiële ontwikkelingshulp steeds vaker plaats maken voor buitenlandse privé-investeringen, die eerder economische en financiële belangen dienden, dan dat ze tot duurzame ontwikkeling bijdroegen. Maar er zaten ook financiële dubbelzinnigheden in de akkoorden: enerzijds waren de nodige financiële middelen niet voorhanden, anderzijds waren er tegenstellingen tussen de industrielanden en de ontwikkelingslanden in de interpretatie van het beginsel van de “gemeenschappelijke maar verschillende verantwoordelijkheden”. De industrielanden gaven toe dat zij een belangrijke rol speelden in de achteruitgang van het milieu. De ontwikkelingslanden echter stelden alleen hen verantwoordelijk voor de gehele huidige milieuproblematiek.

De beleidsverklaring, die aan het einde van Rio+5 zou opgesteld worden, stuitte, als gevolg van uiteenlopende belangen, op grote onenigheid, en kreeg te maken met enkele knelpunten, zoals bijvoorbeeld onenigheid m.b.t. de definitie van duurzame ontwikkeling en het vrijmaken van nationale middelen, waardoor het bereiken van een consensus bemoeilijkt werd. Ook het tekstontwerp over de financiële kwestie kreeg te maken met veel tegenkanting. De Verbintenisverklaring omvat dus slechts zes paragrafen, waarin geformuleerd staat dat een samengaan van ontwikkeling en zorg voor het milieu een conditio sine qua non is voor de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling, en dat daar mondiale akkoorden over moeten bestaan. Bovendien moest de wereldeconomie gunstiger evolueren om zo de opgelegde doelstellingen van meer ontwikkeling en tegelijkertijd meer zorg voor het milieu te bereiken.

Ondanks de negatieve reacties op Rio+5, werd er toch resultaat geboekt, aangezien er verder gewerkt werd op Agenda 21 en dat op zich was een vooruitgang. De effectieve resultaten van de Rio+5 moeten op langere termijn geëvalueerd worden.

POLITIEKE EFFECTEN VAN RIO+5

In het kader van Rio+5 zijn er vijf belangrijke evoluties te noteren. Ten eerste werd er op Rio+5 dieper ingegaan op het verband tussen leefmilieu en ontwikkeling, en werd bijgevolg de rol van de economische globalisering duidelijk. Deze laatste blijkt niet noodzakelijk een positieve impact te hebben op duurzame ontwikkeling, zeker niet in het Zuiden. Absolute voorwaarde om deze trend om te keren, is een afname van de ongelijkheid. De kloof tussen landen die baat hebben bij de globalisering en landen die er alleen maar de negatieve gevolgen van ondervinden, wordt alsmaar groter. Meer rechtvaardigheid leidt tot een kleinere ongelijkheid, en kan ervoor zorgen dat die toenemende globalisering voor iedereen een positieve invloed heeft op duurzame ontwikkeling.

Een tweede belangrijke evolutie doet zich voor op het vlak van het leefmilieu. Naar aanleiding van een moeizaam bereikt consensus over de Bossenverklaring (Conferentie van Rio), werd een Bijzonder Intergouvernementeel Forum over de Bossen opgericht. Ook de thema’s zoet water, energie en milieu-efficiëntie moeten verder uitgewerkt worden. Zuiver drinkwater voor iedereen moet een prioriteit worden. Met betrekking tot het thema energie werd de noodzaak van de oprichting van een internationaal forum ingezien: het duurzaam gebruik van natuurlijke rijkdommen moet aangemoedigd worden, o.a. door een aangepast prijzenbeleid. De rol van de EU bij de behandeling van deze thema’s was aanzienlijk. De discussies kwamen er namelijk dankzij Europese initiatieven terzake.

Veel meer dan tijdens de Conferentie van Rio speelden nu ook maatschappelijke groepen zoals de NGO’s een belangrijke rol bij de onderhandelingen. De invloed van de publieke opinie op de onderhandelingen werd positief beoordeeld. De civiele maatschappij werd als de voornaamste factor beschouwd om het bredere publiek te sensibiliseren, maar haar rol mag in het kader van internationale conferenties hier niet toe beperkt blijven.

De erkenning van de politieke dimensie van duurzame ontwikkeling is een vierde belangrijke evolutie. Oorspronkelijk was er onenigheid over de integratie van de politieke factor, maar uiteindelijk werd het belang ervan erkend, ook door die landen die er problemen mee hadden.

Economische groei moet beschouwd worden als een voorwaarde voor ontwikkeling en niet als de uiteindelijke doelstelling ervan. Economische groei staat echter niet op zich, maar moet complementair worden met sociale en ecologische impulsen. Daartoe moet een gunstig internationaal klimaat gecreëerd worden, waarbij gestreefd wordt naar de twee voorwaarden voor duurzame ontwikkeling: ontwikkeling en leefmilieu. Het rechtvaardigheidsprincipe en het gelijkheidsprincipe staan centraal: er moet gestreefd worden naar duurzame economische groei voor iedereen.

Ook de kwestie van werkgelegenheid werd besproken als voorwaarde voor duurzame ontwikkeling. Op Rio+5 werd de kwestie bespreekbaar en kwam ze ruimer aan bod dan in Agenda 21, alhoewel er toch ook daar weer met moeite een consensus bereikt kon worden.

Ten slotte was er nog de wil om op drie verschillende niveaus het economisch, sociaal en ecologisch beleid te integreren. In de eerste plaats is er de VN die – wil ze de mondiale ontwikkelingsproblemen aanpakken - moet streven naar een meer globale benadering van dat beleid, en iets moet doen aan de huidige versnippering binnen de instelling. In Programma 21 staat de positieve vijfjaarlijkse balans van de inspanningen voor meer integratie weergegeven, en zijn ook de strategieën opgenomen om de drie beleidsterreinen te integreren. Uit het nieuwe werkprogramma van de VN-Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CSD) bleek ook duidelijk de wil om die drie beleidsterreinen te integreren in het streven naar duurzame ontwikkeling.

KLIMAAT

Op de Rio-Conferentie in 1992 werd een raamverdrag over de aanpak van klimaatverandering opgesteld. Dit raamverdrag bood enkel een juridisch kader, dat verder onderhandeld moest worden en omgezet in protocollen. Tijdens Rio+5 in New York werd de klimaatkwestie dan ook doorgeschoven naar de onderhandelingsronde in Kyoto die in december van hetzelfde jaar plaatsvond. Op 11 december 1997 werd in de Japanse stad een protocol goedgekeurd door 158 landen, waaronder de Europese Unie. Het protocol bevat nieuwe verbintenissen die tegen het jaar 2010 gerealiseerd moeten zijn. Het omvat een reeks van gekwantificeerde doelstellingen die juridisch bindend zijn. Zo verbond de Europese Unie zich ertoe haar uitstoot van broeikasgassen voor de periode tussen 2008 en 2012 te verminderen met 8% tegenover het niveau van 1990. Volgens het Kyoto-protocol kunnen staten niet enkel hun emissies beperken, maar ook de koolstofabsorptie van hun bossen vergroten, o.a. door herbebossing. Het compromis dat in Kyoto bereikt werd, voorzag voor de industrielanden een aantal ontsnappingswegen: de fameuze “flexibele mechanismen”, waardoor een deel van de doelstellingen – het verminderen van uitstoot van broeikasgassen – buiten het eigen grondgebied gerealiseerd kan worden. Binnen het mechanisme van schone ontwikkeling (clean development mechanism) kunnen ze immers hun emissierechten verhandelen, door te investeren in projecten voor klimaatverandering in het Zuiden.

De grote dwarsligger bleef de Verenigde Staten. Met het aantreden van de Bush-administratie werd vlug duidelijk dat het Kyoto-protocol niet wereldwijd toegepast zou worden. Op 30 november ’99 hadden 19 landen dit geratificeerd, maar de reële uitvoering werd steeds weer in vraag gesteld. In juli 2001 deed België – als voorzitter van de EU – te Bonn een nieuwe poging om de economische grootmachten mee te krijgen. Het is echter onduidelijk of het nieuwe compromis – een versoepeling en dus een afgezwakte versie van Kyoto – effectief hardgemaakt wordt. Later dit jaar volgen nieuwe onderhandelingen in Marrakech, waar men voornamelijk de uitvoeringsbesluiten zal behandelen.

Wat ook de uitkomst is, volgens wetenschappers moet de uitstoot van broeikasgassen met minstens 70 à 80% verminderen om de huidige klimaatpatronen te stabiliseren.

DE UITDAGINGEN VOOR JOHANNESBURG

De principes waarmaken

Het beginsel “de vervuiler betaalt” werd reeds in 1972 door de OESO aanvaard en in de Conferentie van Rio nog eens bekrachtigd, maar het werd nog niet ten volle gerealiseerd. De meest aangewezen manier om dit te doen is de zgn. internalisering van de kosten, door de negatieve effecten op het milieu en hun remediëring of het vermijden ervan, mee te verrekenen in de kostprijs. Dit principe gaat zeker op voor het gebruik van fossiele energie, maar moet sowieso een algemeen aanvaard principe worden. Het is niet alleen verantwoord op ecologisch gebied, het is een sluitend economisch principe. Er is uiteraard een conflict tussen enerzijds de winst op korte termijn, waarbij men uitgaat van een zo laag mogelijke kostprijs, en anderzijds het economisch beleid op lange termijn, dat onvermijdelijk met deze (milieu)kosten geconfronteerd wordt. Bij het niet toepassen van dit principe worden alle externe kosten afgewenteld op de gemeenschap. Internalisering van externe kosten door het berekenen van ‘correcte prijzen’, is een rechtvaardig, sociaal en economisch correct principe. Het moet dan ook per definitie in alle sectoren toegepast worden.

Een tweede beginsel is het “voorzorgsprincipe”, dat ook reeds in verschillende conventies en beleidsdocumenten werd opgenomen, maar niet consequent toegepast wordt. Er moet te allen tijde vermeden worden dat de ecologische achteruitgang toeneemt. Nu reeds zitten we met zoveel onherstelbare schade, dat we kost wat kost moeten voorkomen om de natuur nog verder te ontwrichten. Ook hier is energie het duidelijkste voorbeeld: water- en windenergie vermijdt uitstoot van broeikasgassen en put de bodemrijkdommen niet uit. Maar dit gaat op voor alle elementen binnen duurzame ontwikkeling. Dus moet dit voorzorgsprincipe in alle beleidsopties hardgemaakt worden.

Het principe dat duurzame ontwikkeling een zaak is van alle betrokkenen (all stakeholders) moet op elk niveau doorgetrokken worden. Het maatschappelijk middenveld – de civiele maatschappij – hier en in het Zuiden mag niet enkel gebruikt worden om de sensibilisering te verbreden, maar moet evengoed zijn stem volwaardig kunnen inbrengen in het proces van beleidsvorming. Dit is geen pleidooi voor een rolverwarring tussen beleidsverantwoordelijken en georganiseerde burgers – ieder dient zijn of haar verantwoordelijkheid te nemen, met respect voor ieders bevoegdheid en deskundigheid - maar een absolute voorwaarde om duurzame ontwikkeling in al zijn aspecten om te zetten in concrete daden. Voorbeelden die werken helpen de zaak vaak sneller vooruit dan het blijven steken in negatieve effecten. De Amerikaanse stad Chattanooga slaagde erin om in een jaar tijd van meest vervuilde naar schoonste stad van de Verenigde Staten te evolueren, juist omdat alle belanghebbenden – van doorsneeburger tot burgemeester – bij dit project betrokken waren.

Een gedeelde, maar verschillende verantwoordelijkheid sluit niet alleen aan bij het vorige principe, maar geldt evenzeer voor de geïndustrialiseerde landen t.o.v. de ontwikkelingslanden. De geïndustrialiseerde landen zijn nog steeds de grootste vervuilers, en het is dus hun verantwoordelijkheid om productie- en consumptiepatronen op een duurzame manier te veranderen. Ontwikkelingslanden hebben nood aan een adequate energievoorziening om armoede te bestrijden, basisnoden te bevredigen en om sociale en economische ontwikkeling in het algemeen te bevorderen. Op dit ogenblik zijn er naar schatting anderhalf tot twee miljard mensen – het overgrote deel inwoners van ontwikkelingslanden - die een tekort aan essentiële energievoorziening hebben. Om deze onevenwichtige toegang tot energie te corrigeren en te streven naar een duurzame ontwikkeling – wetende dat de uitstoot door ontwikkelingslanden de komende vijftig jaar zeer sterk zal stijgen – moeten deze landen strategieën voor een duurzame toekomst ontwikkelen. Alle landen hebben een gedeelde, maar verschillende verantwoordelijkheid voor o.m. de vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen en uitstoot van broeikasgassen. De geïndustrialiseerde landen hebben hierbij de zwaarste schuldenlast – terecht wordt er gesteld dat zij met een ecologische schuld zitten - en de verantwoordelijkheid om hun gedrag radicaal te veranderen, onder meer om de ontwikkelingslanden toe te laten op een zo duurzaam mogelijke manier de energievoorziening te verbreden in functie van ontwikkeling en armoedebestrijding.

Klimaat

Het is duidelijk dat het Kyoto-protocol een zeer minimalistisch pakket maatregelen is, dat bovendien voortdurend ondermijnd wordt. Dit gerommel in de marge zal op geen enkele wijze stabiliteit brengen in een reeds ontwricht globaal klimaatsysteem. Zeer grondige maatregelen en sluitende afspraken zijn nodig om in het klimaatbeheer een echte doorbraak te forceren. Deze maatregelen en afspraken moeten per definitie op het globale niveau genomen worden, anders werken zij gewoonweg niet. Een vermindering van 70 % van de uitstoot van broeikasgassen is hoogstnoodzakelijk, en wordt meer en meer realiseerbaar dankzij de toepassing van nieuwe technologieën voor schone energie. De Conferentie van Johannesburg staat voor de uitdaging om het Klimaatverdrag een nieuwe impuls te geven en om de schijnheiligheid in dit debat te ontmaskeren. Ook al spreken wetenschappelijke studies elkaar soms tegen, de harde realiteit toont ons dat er in deze materie geen enkel alternatief is voor de zeer drastische maatregelen om de aarde in de toekomst leefbaar te houden. De stappen die rond het Kyoto-protocol worden ondernomen, kunnen enkel gezien worden als een noodzakelijke tussenstap, maar mogen geenszins de verdergaande doelstellingen maskeren.

Financiering

Vele internationale afspraken lopen mank vanwege een gebrekkig financieringsluik. Bij duurzame ontwikkeling is dit evenzeer het geval. Ook hier geldt het adagium dat er wel afspraken zijn, maar dat deze niet worden nagekomen. Er is nochtans geen gebrek aan concrete voorstellen. Vergroening van de fiscaliteit met maatregelen zoals ecotaksen en een belasting op kerosine worden als volwaardige financieringsmogelijkheden erkend, maar stuiten steeds weer op het veto van één of andere lobby of grootmacht. Naast de voorstellen rond innoverende financieringsbronnen, zijn er de subsidies die wereldwijd uitgegeven worden voor niet-hernieuwbare energie, zoals petroleum, aardgas, steenkool en atoomenergie. Deze subsidies moeten worden aangewend voor verder onderzoek en verspreiding van hernieuwbare energie, zoals wind-, water- en zonne-energie. Geen nieuw geld dus, maar het gebruik van de bestaande subsidies voor hernieuwbare energie. Naar schatting gaat het hier wereldwijd over 250 tot 600 miljard dollar bestaande subsidies die milieuvriendelijk kunnen gebruikt worden. Critici van dit voorstel beweren dat energiesubsidies ten gunste van de armen verstrekt worden. De realiteit toont aan dat zij ongelijk hebben, want de grootste gebruikers (de rijkste) krijgen de meeste subsidies. In elk geval moet de Milieutop van Johannesburg de mogelijke resultaten van de Internationale Conferentie “Financiering van Ontwikkeling” die doorgaat in Monterrey (Mexico) in maart 2002 mee verrekenen in de conclusies. Daarnaast moet men de pro’s en contra’s van het Wereldmilieufonds GEF (Global Environmental Facility – een internationaal financieringsmechanisme in functie van duurzame ontwikkeling) en van de nieuwe klimaatfondsen grondig evalueren.

Technologieoverdracht en capaciteitsopbouw

Naast een degelijke financiering zijn technologieoverdracht en capaciteitsopbouw de meest noodzakelijke componenten voor het realiseren van een wereldwijde duurzame ontwikkeling. Agenda 21 wijdde een heel hoofdstuk aan de overdracht van milieuverantwoorde technologie, samenwerking en vergroting van de capaciteit. Hierbij werd erop gewezen hoe belangrijk het is de overdracht van technologie te koppelen aan economische, technische en beheersvoorzieningen met het oog op hun doeltreffend gebruik en verdere ontwikkeling. Er zijn echter nog heel wat hindernissen die ertoe leiden dat technologieoverdracht belemmerd wordt, en dit op verschillende vlakken: financieel, institutioneel, politiek, economisch, educatief enz… Er is een gebrek aan een juridisch en regelend kader, de institutionele capaciteiten zijn beperkt, en de procedures zijn vaak bureaucratisch.

De overdracht van technologie en know how kan pas effectief gerealiseerd worden als de juiste omkadering aanwezig is. Cruciaal daarbij is de aanwezigheid van voldoende kennis en institutionele capaciteiten om het overdrachtsproces te begeleiden. Johannesburg is voor de betrokken landen een nieuwe kans om een aantal bindende engagementen hieromtrent te formuleren en een sluitend actieplan voor de uitvoering ervan af te spreken.

Verbintenissen omzetten in beleid

Sinds Rio hebben vele nationale en internationale overheden, ondernemingen, maatschappelijke organisaties en wetenschappelijke instellingen duurzame ontwikkeling in hun opdracht en beleidsplannen ingeschreven. Maar de kloof tussen beleidsintenties en de realiteit, tussen woord en daad is nog steeds bijzonder groot. Enerzijds is de definitie van duurzame ontwikkeling wellicht te algemeen om tot concrete acties te leiden. Anderzijds is duurzame ontwikkeling effectief een complex begrip. Zij vraagt een geïntegreerde benadering, met inbegrip van de economische, sociale en ecologische aspecten. Nu en in de toekomst is een globale geïntegreerde benadering hoe langer hoe noodzakelijker.

De beleidsmakers – zowel de lokale, regionale en globale – staan voor een reeks dringende uitdagingen: een holistische en globale formulering van beleidsplannen, dit in tegenstelling tot het klassieke stukwerk en de gangbare reactieve kortetermijnpolitiek; het overstijgen van nationale en regionale belangen voor een gezamenlijke leefbare toekomst; het combineren van onmiddellijke remedies en maatregelen op lange terijn; het inbouwen van een participatiecultuur waarbij alle belanghebbenden volwaardig betrokken worden; het overschakelen van de klassieke onderhandelingscultuur waarbij steeds weer beloftes gemaakt worden – nieuwe of geherformuleerde oude – naar bindende en sluitende akkoorden.

Zoals Rio kan ook Johannesburg een keerpunt worden. Als men ingaat op de uitdaging om de huidige koude managementspolitiek te combineren met een warme langetermijnvisie, als men bereid is om een deel van de eigen bevoegdheden af te staan om een noodzakelijk globaal beleid (global governance) in te kleuren, als men eindelijk bereid is om de mens – en zijn leefomgeving – weer centraal te stellen, dan kan deze conferentie een mijlpaal in de geschiedenis worden. Een alternatief is er niet, want voor moeder aarde is het in feite al vijf over twaalf.

Bart Bode is hoofd van de Dienst Studie en Beleidsbeïnvloeding van Broederlijk Delen

BRONNEN

N. GOUZEE, N. ZUINEN en S. WILLEMS, Duurzame Ontwikkeling: een project op wereldschaal, Planning Paper 85, Federaal Planbureau, Brussel, februari 1999

P. DRESSELAERS, 101 bouwstenen van een duurzame ontwikkeling, Working Paper 3-00, Federaal Planbureau, Brussel, april 2000

FRDO Info, Driemaandelijkse nieuwsbrief van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, jaargang 3, juli 2001

MICHAEL KEATING, The Earth Summit’s Agenda for Change, Centre for Our Common Future, Genève, april 1993

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift