Dynamiek van een revolutie

De Arabische wereld in rep en roer

De Egyptische revolutie kwam niet uit de lucht vallen maar ontsproot als vrucht van een decennium lang sociaal protest. De ontwikkelingen in Tunesië verleende de Egyptenaren inspiratie en moed om opnieuw massaal op straat te komen. Het heeft lang geduurd, maar volgens Brecht De Smet, onderzoeker aan de Universiteit van Gent, is de democratische revolutie in de Arabische wereld eindelijk begonnen. Niet dankzij, maar ondanks het Westen.

Voorspel

Vorige week maandag leek nog alles peis en vree in Egypte, maar onder de oppervlakte kookten jarenlange opgehoopte frustratie en woede jegens een regime dat haar volk geen menswaardig bestaan gunde. Hoewel de Egyptenaren doorheen hun geschiedenis louter autoritaire regimes gekend hebben, was er sinds president Nasser toch sprake van een herverdelingspolitiek en een sociale welvaartstaat.

Tijdens de jaren ’70 en ’80 werden de verworvenheden van de Egyptische arbeiders, boeren en stedelijke middenklasse langzaam maar zeker afgekalfd. Een torenhoge buitenlandse schuld leidde in 1991 tot een akkoord met het IMF en de Wereldbank om de economie uit het slop te halen. Een neoliberaal geïnspireerd “Economic Reform and Structural Adjustment Program” (ERSAP) diende de oplopende schulden en inflatie terug te dringen via een verregaande liberalisering van prijzen en markten en een privatisering van de immense publieke sector.

De liberalisering van de grondprijzen leidde tot een verhoging van de pachtgelden, waardoor kleine boeren van hun land verdreven werden of een bijkomende job in de stad moesten zoeken. Subsidies op basisgoederen die de levensstandaard van de gewone bevolking op kunstmatige wijze omhoog krikten werden verminderd of afgeschaft. De drang naar privatisering leidde tot een investeringsstop in industriële technologie, waardoor overheidsbedrijven minder competitief werden en hun verkoop gerechtvaardigd was. Private actoren konden deze bedrijven aan dumpingprijzen aanschaffen en zo gigantische winsten maken. Aangezien de arbeidswetgeving voor private bedrijven veel lakser is, daalden de lonen van de arbeiders die in de voormalige staatsbedrijven werkten.

Het ERSAP resulteerde in een hoge economische groei, maar ging gepaard met een stijgende werkloosheid, dalende levensstandaard en een wijde kloof tussen arm en rijk. Tegen deze economische politiek ontstond algauw protest. In 1994 bezetten 7.000 werknemers van de Kafr ad-Dawwar Spinning and Weaving Company hun fabriek. Arbeiders van de Misr Helwan Spinning and Weaving Factory legden in 1998 massaal het werk neer toen meer dan 6.000 van de 8.700 tewerkgestelden ontslagen werden. Ook op het platteland roerden de massa’s zich. De stijgende prijzen en de pogingen van de grootgrondbezitters om de boeren van hun land te verjagen leidden tot grootschalige protesten en landbezettingen. Op een jaar tijd werden 49 boeren gedood, bijna duizend verwond en zo’n drieduizend gearresteerd. Om deze protesten de kop in te drukken en het neoliberale economische beleid te schragen verhoogde de repressie van het Egyptische regime en werd de ruimte voor oppositie ingeperkt.

De Egyptische oppositie heeft zich sinds de jaren ’80 ingegraven in de schijndemocratie die onder Sadat en daarna Mubarak geïnstalleerd werd. De Egyptische parlementaire democratie is immers een façade die de achterliggende autocratie verbergt. Ondanks de verkiezingen die sinds 1984 regelmatig gehouden worden, heeft de Nationaal-Democratische Partij (NDP) alle werkelijke macht in handen. De parlementsverkiezingen worden via wijdverspreide vervalsing, intimidatie van politieke tegenstanders en het opkopen van stemmen steeds in het voordeel van de regeringspartij beslecht.

Verder heeft het parlement in dit presidentiële regime sowieso weinig in de pap te brokken. De ware pijlers van de macht zijn het leger, de staatsbureaucratie en de uitvoerende macht, die volledig door de NDP gemonopoliseerd worden. Het enige wat deze schijndemocratie kon doorbreken was een politiek “van onderuit”, zoals de “broodrellen” van 1977.  In januari van dat jaar vond een spontane volksopstand plaats nadat president Sadat de subsidies op basisgoederen had afgeschaft, wat een enorme daling in de levensstandaard van de gewone Egyptenaren zou meebrengen. De oppositie, vooral de linkerzijde, nam deel aan deze massabeweging, maar werd heftig onderdrukt. Sindsdien hebben de gevestigde oppositiepartijen een trauma opgelopen aan straatpolitiek en massamobilisaties.

In de jaren ’80 en ’90 ontstond er echter een nieuwe generatie activisten die deze rem op politiek van onderuit niet kende. De eerste oprisping van politiek verzet kwam voort uit de stedelijke werkloze jongeren, de middenklasse en de intelligentsia, die betogingen en acties tegen de bezetting van Palestina en Irak organiseerden. Uit deze campagnes ontstonden comités en informele netwerken die algauw de ruggengraat vormden van een nieuwe politieke oppositie tegen het autoritaire regime van president Mubarak. In de herfst van 2004 verenigden een aantal democratische comités, politieke oppositiepartijtjes, burgerbewegingen en NGOs zich tot de ‘Egyptian Movement for Change’ die onder de slogan Kefaya (genoeg!) een groot deel van de stedelijke middenklasse wist te mobiliseren.

Deze beweging slaagde erin het taboe op onafhankelijke politieke actie te doorbreken en in haar kielzog zagen nieuwe radicale organisaties en netwerken het licht, zoals ‘Youth for Change’, ‘Workers for Change’ en ‘Journalists for Change’. Ondanks haar initiële mobilisatiekracht slaagde Kefaya er niet in om een massa-aanhang te verwerven en haar sociale basis naar de Egyptische arbeiders, boeren en stedelijke onderklasse uit te breiden. Toenemende staatsrepressie, onderlinge twisten over het leiderschap en het gebrek aan sociale slagkracht leidden reeds in 2006 tot de fragmentatie en desintegratie van de beweging. Politieke activisten, kritische journalisten en bloggers werden gearresteerd, geïntimideerd en gefolterd. Deze ervaring toonde aan dat de stedelijke middenklasse en intelligentsia niet de nodige slagkracht bezitten om zelfstandig het regime te contesteren of de leiding over een democratische massabeweging op zich te nemen.

De neergang van de middenklassenbeweging in de metropool Cairo ging gepaard met een heropleving van de arbeidersbeweging in de provinciesteden. Tussen 2004 en 2008 vonden een 1300-tal stakingen en collectieve acties plaats, die zo’n miljoen arbeiders mobiliseerden in de grootste sociale beweging die Egypte sinds de jaren ’50 heeft gekend. Gedurende 2007 en 2008 vervoegden administratief personeel, bedienden, leraren, journalisten, dokters en studenten het arbeidersprotest dat langzaam maar zeker het karakter aannam van een nationale democratische beweging, voortgestuwd door de acties van de kleine doch militante industriële arbeidersklasse.

Nog voor deze beweging matuur geworden was en zich niet alleen symbolisch maar ook organisatorisch aan het hoofd van een coalitie tussen de verschillende onderdrukte klassen en maatschappelijke lagen had gesteld, werd zij in een krachtmeting met het regime gedwongen. Op 6 april 2008 kondigden de textielarbeiders van Mahalla al-Kubra een staking aan rond de eisen van een nationaal minimumloon en volledige syndicale vrijheid. De stad Mahalla, die zich volledig achter ‘haar’ arbeiders schaarde, werd gedurende een paar dagen het toneel van een ware opstand van werknemers, jongeren en sympathiserende bewoners die de confrontatie met het repressieapparaat aangingen. De steun voor de Mahalla-arbeiders bleef echter in andere steden beperkt en symbolisch. De premature opstand werd hardhandig neergeslagen.

De revolutie

Bovenstaande korte schets maakt duidelijk dat de Egyptische revolutie niet uit de lucht kwam vallen, maar geanticipeerd werd door een decennium van sociaal en politiek protest. Het zwaartepunt van de strijd vloeide over van het politieke naar het industriële domein.

Vorige week nam het politieke protest tegen de regering opnieuw het voortouw. Kleine groepen activisten riepen via Facebook en Twitter op tot een “dag van woede”. Dergelijke oproepen vormen geen nieuwigheid. In 2009 had de “6 April Jeugd” reeds zo’n oproep gedaan, zonder enig succes. Een veertigtal activisten kwam bij elkaar op de trappen van het journalistensyndicaat, waar ze slogans tegen het regime riepen die door toevallige voorbijgangers werden genegeerd. Dit bewijst dat virtuele media op zich onvoldoende zijn om de massa’s te mobiliseren.

Vorige week volgde hetzelfde scenario. Een groepje activisten, onder andere de “6 April Jeugd” riep op tot een “dag van woede”. Ditmaal was de respons verbijsterend. Acties van duizenden betogers groeiden aan tot tienduizenden en zelfs honderdduizenden demonstranten, uit alle lagen van de Egyptische bevolking. De directe aanleiding van het massaprotest was de Tunesische revolutie en “Politiedag”. De revolutie in Tunesië verleende de Egyptenaren inspiratie en moed om opnieuw massaal op straat te komen. Sinds 1977 werd straatpolitiek niet meer gezien als een efficiënte weg om het regime te contesteren. De verrassend snelle val van Ben Ali toonde echter aan dat massamobilisatie weldegelijk tot de val van dictaturen kan leiden. De Tunesische revolutie schiep met andere woorden het klimaat waarbinnen een Egyptische opstand plots “verbeeld” kon worden. De jongeren die tot de “dag van woede” opriepen gaven het hele proces een zetje in de rug.

Voor het Egyptische volk is het ondertussen duidelijk dat er geen terugkeer meer is. In de straten heerst er een gevoel van “nu of nooit”.

De timing van het protest was dan ook goed gekozen. Voor vele Egyptenaren is de feestdag waarop de progressieve rol van de politie tijdens de strijd tegen de Britten gevierd wordt, een bitter en cynisch moment. De Egyptische politie staat bekend om haar corruptie en wreedheid. De folterdood van Khaled Said maakte van deze jonge man uit Alexandrië een icoon van het volksongenoegen. Een dag van woede om zijn dood en die van anderen te herdenken kon bijgevolg op veel sympathie van gewone Egyptenaren rekenen. Gewone burgers vervoegden de kleine groepjes internetactivisten en transformeerden de acties in een massaprotest. Een sneeuwbaleffect volgde: hoe groter de betogingen, hoe meer mensen op straat durfden te komen om eindelijk hun ongenoegen te uiten.

Uit deze beschrijving blijkt duidelijk het spontane karakter van de volksopstand. Niemand kan beweren dat het protest door communistische of islamistische “agitatoren” wordt aangedreven, ondanks de pogingen van het regime om de revolutie als dusdanig af te schilderen. Dankzij de spontaneïteit en de grootschaligheid van de massabetogingen kan niemand de legitimiteit van de beweging en haar eisen ontkennen. Het feit dat de revolutie volledig spontaan is, houdt echter een belangrijke zwakte in voor de beweging: een gebrek aan organisatie. De oppositiepartijen werden volledig door de opstand verrast en zelfs de Moslimbroeders hebben geen rol van betekenis gespeeld in de organisatie van de protesten. Virtuele media en vooral traditionele mond-tot-mondreclame stuurden de betogingen. Op een gegeven moment heeft een dergelijke beweging echter nood aan structuren en leiderschap om gericht de staatsmacht te confronteren en een alternatief te bieden. Bij gebrek aan een centraal aansprekingpunt bij de massa hebben de media El-Baradei tot spreekbuis van de oppositie gebombardeerd, maar deze man kan op weinig steun rekenen van de straat. Naast El-Baradei proberen ook de Moslimbroeders het organisatorisch vacuüm te vullen. Hun laatste voorstel was een coalitie van alle oppositiepartijen met aan het hoofd El-Baradei. Niettegenstaande de Moslimbroeders de grootste oppositiefactie zijn en sinds vrijdag 28 januari ook aan de betogingen deelnemen, beschikken zij niet over de organisatorische en politieke capaciteit om de revolutie te dragen.

In de praktijk zien we dat het organisatorische vacuüm ondertussen door het revolutionaire proces zelf opgevuld wordt. Enerzijds spelen de vele organisaties en NGOs die sinds de jaren ’90 en vooral het laatste decennium het licht gezien hebben een belangrijke rol in de organisatie van het protest. Zij begeven zich misschien niet op de voorgrond of worden door de media genegeerd, maar organisaties zoals het Egyptian Center for Social and Economic Rights, het Hisham Mubarak Law Center, de Revolutionary Socialists, Tadamon, enzovoort, zijn op het terrein aanwezig en staan de massa’s bij met raad en materiële middelen.

De onafhankelijke arbeiderscomités die zich tijdens de industriële strijd vormden, hebben zich ondertussen verenigd in een nieuwe vakbondsfederatie die zich solidair met de revolutie heeft verklaard. De participatie van de georganiseerde arbeidersbeweging in de democratische strijd zou een nieuwe stap in het revolutionaire proces kunnen betekenen. Indien een succesvolle algemene staking georganiseerd wordt, dan liggen de fabrieken, de transportsector, het Suezkanaal, met andere woorden de economische levensaders van het regime stil. De geschiedenis van revoluties leert ons dat dergelijke momenten cruciaal zijn in het vallen van een regime.

Anderzijds merken we dat het revolutionaire proces zelf haar eigen organisaties schept. Toen de politie de strijd tegen de massa opgaf, verliet zij de straten en liet de bevolking aan haar lot over. Ontsnapte gevangenen, politie in burger en arme dievenbendes maakten van de situatie gebruik om te plunderen en brand te stichten. Eerst smeekten de Egyptenaren het leger om hen te helpen. Toen ze merkten dat de militairen niet konden of wilden tussenbeide komen, besloten ze zelf de verdediging van hun families en huizen op zich te nemen. Spontane buurtcomités werden gevormd, die ondertussen ook het tempo van de betogingen dicteren, de buurt schoonhouden, enzovoort. Deze uit noodzaak georganiseerde veiligheidsorganisaties, krijgen met andere woorden een politiek karakter en vormen een embryonale uitdrukking van directe democratie. Deze stappen in de richting van revolutionaire zelforganisatie zijn nog pril en fragiel, maar op lange termijn noodzakelijk wil de beweging het onderspit niet delven in haar aanslepende confrontatie met het regime.

Uitkomst

Voor het Egyptische volk is het ondertussen duidelijk dat er geen terugkeer meer is; wanneer ze nu het tempo van de betogingen laten slabakken, dan zal de beweging haperen en falen – en wanneer de beweging faalt, zal het waarschijnlijk een paar decennia duren voordat er zich nog zo’n kans voordoet om de gehate dictatuur neer te halen. In de straten heerst er een gevoel van “nu of nooit”, terwijl het steeds moeilijker wordt om werk en betogen te combineren. Nadat het regime op vrijdag de directe confrontatie met de massa heeft verloren, lijken Mubarak en zijn generaals de demonstranten nu letterlijk en figuurlijk te willen uithongeren. Ze hopen dat zij met deze uitputtingsslag aan het langste eind zullen trekken en dat de revolutie – net zoals de groene revolte in Iran in 2009 – op een sisser zal uitlopen. Ondertussen zoeken ze steun bij Israël en het Westen door het spook van een radicaal-islamistische machtsovername en regionale instabiliteit boven te halen.

Zoals de kaarten nu liggen kan de revolutie in verschillende richtingen evolueren. Het eerste scenario is dat de volksmassa slaagt in haar opzet. Onder druk van aanhoudende protesten en stakingen stapt Mubarak op en er komt een interim-regering zonder de NDP. Het leger besluit om zich afzijdig te houden uit vrees voor interne splits en een burgeroorlog.

Een tweede scenario is een genegotieerde uitkomst. Mubarak stapt op en een transitieregering van oude regime-elementen en oppositiekrachten komt in de plaats. Net als in Tunesië zal dit een split in de revolutionaire beweging met zich meebrengen, tussen een vleugel die volledig met het regime wil afrekenen en een factie die zich met het ontslag van Mubarak tevreden stelt. De strijdkrachten stellen zich neutraal op, aangezien zij direct of indirect in de regering vertegenwoordigd zullen zijn.

Een derde scenario is een patsituatie tussen betogers en regime. Mubarak weigert op te stappen. In dit scenario zal het leger een sleutelrol spelen; of het de kant van het volk dan wel van de opperbevelhebber kiest. De militairen zijn echter zelf bevreesd voor dit scenario, aangezien de kans groot is dat het leger in stukken zal breken indien het op het eigen volk moet schieten. Deze koers zal het land waarschijnlijk in een burgeroorlog storten, waarbij militaire interventie van Israël of andere buitenlandse mogendheden niet uitgesloten is.

Een vierde scenario is het “groene revolutie” scenario, zoals reeds boven geschetst; de massabeweging slaagt er niet in de staatsmacht aan te tasten en desintegreert. In dit geval kan de politie de restanten van het verzet gemakkelijk de baas en evolueert het regime in de richting van een openlijke politiestaat of militaire dictatuur.

Ten slotte is er nog de joker, die heel het spel onderuit kan halen. Israël reageert zenuwachtig op de Egyptische revolutie. Het regime van Mubarak is een belangrijke bondgenoot in de regio en zionistische haviken in de Israëlische regering zien de veiligheid van hun staat bedreigd door de val van het Egyptische regime. Of het nu de Moslimbroeders, de Nasseristen, de nationaal-liberalen, of de socialisten zijn die de macht zullen overnemen, geen enkele factie van de Egyptische oppositie wil vriendschappelijke relaties met Israël onderhouden.

Ten slotte zou een succesvolle Egyptische revolutie ook een verdere inspiratie kunnen vormen voor opstanden in andere Arabische landen, waardoor Israël plots weer door “vijanden” omringd is. Waarschijnlijk geeft Israël teveel krediet aan de Egyptische oppositie, aangezien deze in het verleden bewezen heeft een heftige antizionistische retoriek met een pragmatische politiek te combineren. Niettemin wordt de houding van Israël en ook de Verenigde Staten tegenover de democratische revolutie bepaald door hun zorg om de stabiliteit en veiligheid van de regio. Mubarak mag dan een dictator zijn, hij is gedurende drie decennia een loyale en stabiele bondgenoot geweest. Na Mubarak zijn er geen zekerheden meer en dat boezemt Israël en de VS een grote vrees in. Een militaire interventie vanwege Israël is niet waarschijnlijk, maar kan ook niet uitgesloten worden.

De voorbije dagen in gedachten lijkt het eerste scenario steeds meer aan kracht te winnen. Voor de Egyptenaren en de Westerse publieke opinie is de val van Mubarak reeds een feit dat in de nabije toekomst verwezenlijkt zal worden. Wanneer het Egyptische volk in haar opzet slaagt, zal dit opnieuw een echo krijgen in de gehele Arabische wereld. Het zal het revolutionaire proces in Tunesië versterken en nieuwe bewegingen in andere landen op gang brengen. Het heeft lang geduurd, maar de democratische revolutie in de Arabische wereld is eindelijk begonnen – niet dankzij, maar ondanks het Westen dat dictators zoals Ben Ali en Mubarak jarenlang gesteund heeft.

Brecht De Smet is verbonden aan de Vakgroep Studie van de Derde Wereld van de Universiteit Gent.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift