Een nieuwe toekomst voor de Europese visserij

In het eerste deel van dit dossier kon u lezen hoe de Europese visserij in een onhoudbare situatie van overbevissing terechtkwam. In dit tweede deel bekijkt MO* de Europese toekomstplannen voor de visserijsector en wat ecologische en economische stemmen vinden van de hervormingen van het visserijbeleid van de EU.

De situatie nu

De Europese visserij wordt gereguleerd door het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Het GVB stuurt de visserij op drie punten:

  1. De vangstquota of TAC’s (Total Allowable Catch). Dit is de maximale hoeveelheid vis (per vissoort) die een schip mee terug naar de haven mag nemen.
  2. De algemene inperking van de visserij: sinds 2003 wordt het zogenaamde “Entry-Exit” systeem toegepast, dat bepaalt dat de bouw van nieuwe vaartuigen moet samengaan met het slopen van oudere vaartuigen met een vergelijkbare capaciteit. Dit gebeurt zonder subsidies van de EU. Als er subsidies worden toegekend, moet er capaciteit bij het nieuwe vaartuig ingeleverd worden.
  3. De zogenaamde “technische maatregelen”. Deze bestaan uit het (tijdelijk) sluiten van bepaalde visgebieden, het aanbrengen van ontsnappingsvensters in de netten en het aanpassen van de maaswijdte (grootte en dichtheid) van de netten.
Dit artikel maakt deel uit van een driedelig dossier over de Europese visserij.
Lees ook:

Verschillende organisaties, waaronder de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technische en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) verlenen advies aan de Europese Commissie als basis voor het uitwerken van de drie pijlers. Na bespreking in de Commissie gaat het advies naar de Raad van Ministers, die uiteindelijk de beslissingen neemt over de invulling van de 3 pijlers van het GVB.

Het beleid herbekeken

De laatste herziening van het GVB dateert uit 2002, en daaropvolgende jaren hebben uitgewezen dat het huidige systeem niet voldoet. De Europese Commissie startte daarom in 2009 een maatschappelijke discussie op over de organisatie van de EU-visserij. In een Groenboek over de hervorming van het GVB werden de uitdagingen voor de sector op een rijtje gezet, en kregen de stakeholders negen maanden de tijd om deze in te kijken en hun inbreng te doen. Tijdens deze raadplegingsperiode kwamen bij de Commissie 383 bijdragen binnen.

Deze diverse voorstellen vallen samen te vatten in een viertal werkpunten: de overcapaciteit van de vloot aanpakken, een eind maken aan de kortetermijnvisie, het beleid herzien en meer verantwoordelijkheidszin creëren.

De overcapaciteit van de vloot sterker aanpakken:  

Hoewel de omvang van de Europese vloot langzaam afneemt, telt ze nog altijd te veel schepen. In 2009 telde de Europese vloot 84.909 schepen. Dat waren er 21.000 minder dan in 1995. België had toen 93 schepen, en koploper uit de EU-27 was Griekenland met 17.258 schepen. Sinds 1992 neemt de Europese vloot met gemiddeld 2 procent per jaar af, maar dit is nog lang niet voldoende.

Een eind maken aan de kortetermijnvisie:

Duurzame visserij moet de eerste en belangrijkste pijler van het beleid worden.

MDO?

De maximale duurzame opbrengst of MDO is het maximaal aantal exemplaren vis uit een bestand dat kan gevangen worden zonder dat men de totale capaciteit van het visbestand daarmee in gevaar brengt. De vissen krijgen op die manier de kans om zich voort te planten en zo kan het visbestand zich op een natuurlijke wijze vernieuwen. Er wordt aangenomen dat dit “kantelpunt” net onder de helft van het ongevangen visniveau ligt.

Iets waar men sinds 2002 al naar streeft is het vissen volgens de maximale duurzame opbrengst (MDO). Volgens de Commissie zou de visserij dan, zolang ze de MDO respecteert, oneindig lang op een evenwichtige manier kunnen doorvissen. Dit wordt echter door verschillende stemmen uit de wetenschappelijke wereld tegengesproken. Volgens Nature.com, het online vakblad die de ontwerpen van het nieuwe GVB afgelopen mei onder ogen kreeg, wil de Europese Commissie dat de EU-visserij tegen 2015 volgens de MDO vist. Dit zou de visbestanden met 70 % moeten verhogen, en de totale vangst met 17 %.

Een andere belangrijke maatregel is de potentiële ban op de teruggooipraktijken. Doordat de vissers hun quota op bepaalde vissoorten snel bereiken, worden vissen die te klein zijn of te weinig opleveren terug in zee gegooid. Het merendeel van deze teruggegooide vissen overleeft dit niet, en als gevolg brengt dit de natuurlijke aangroei van de visbestanden in gevaar. Volgens een studie van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) in 2005 was de totale hoeveelheid teruggegooide vis in de Noord-Atlantische Oceaan maar liefst 1.332.000 ton per jaar – 13% van de totale vangst. Voor de Noordzee alleen al was dit 500.000 tot 880.000 ton per jaar.  

Het beleid herzien:

Verschillende stemmen uit de economische en ecologische sectoren pleiten voor meer regionalisering bij het besluitvormingsproces. Dit kan door de individuele lidstaten een grotere rol te geven bij het opstellen van de quota en de naleving. Ook de wetenschappelijke adviezen moeten bij het opstellen van de quota veel sterker doorwegen.  

Meer verantwoordelijkheidszin creëren:

De EU moet de vissers meer verantwoordelijkheid geven en met positieve initiatieven duurzame resultaten ook belonen. Op die manier zullen de vissers een betere naleving van de doelstellingen met betrekking tot duurzaamheid nastreven.

Op basis van het Groenboek en de suggesties van de stakeholders zal de Commissie naar eigen zeggen halfweg juli 2011 een radicale herziening van het GVB publiceren. Hier wordt halsreikend naar uitgekeken door organisaties zoals de Ocean 2012 Coalitie, die ijvert voor een duurzaam visserijbeleid.  ‘De boodschap is eenvoudig: de zaken gaan niet goed, en deze hervorming van het GVB is dé kans om bepaalde dingen te herstellen. Het is dan ook de taak van de ministers van Visserij om ervoor te zorgen dat dit effectief gebeurt’, zegt Mike Walker van Ocean 2012. ‘Wij willen de situatie hersteld zien, en zij moeten ervoor zorgen.’ Ocean 2012 bracht tijdens de afgelopen Europese Week van de Vis (van 4 tot 12 juni) de problemen van de visserij onder ogen met een indrukwekkende fototentoonstelling.

Een noodzakelijke tussenstap

Op de jaarlijkse World Oceans day op 8 juni wond de Commissaris voor Visserij Maria Damanaki er geen doekjes om. ‘Wat gebeurt er als we niet ingrijpen? Daar hoeft men niet helderziend voor te zijn. We zullen het ene visbestand na het andere verliezen, en van de kettingreactie die daarop volgt zijn de gevolgen niet te overzien’, zei ze in haar toespraak in London.

Maria Damanaki, EU-Commissaris voor Visserij  © European Parliament/Pietro Naj-Oleari

Volgens Vera Coelho, adjunct directrice van Seas at Risk, is de MDO echter niet voldoende. Seas at Risk is een Europese vereniging van ngo’s die, samen met de Ocean 2012 Coalitie, ijveren voor een duurzame hervorming van het GVB.  ‘De herhaling van de MDO in deze hervorming is een welkome tussenstap, maar dit moet nog veel verder gaan’. De MDO als norm voor het bepalen van de quota is controversiëel en wordt al jaren door de wetenschappelijke wereld als “onvolledig” beschouwd. Men baseert zich bij de MDO op de vangst van individuele vissoorten, en bepaalt zodoende vangstquota voor die individuele soorten. Dit gebeurt dus op basis van de vangstrapporten per soort. Maar in de vissersnetten komt nooit uitsluitend één vissoort naar boven. Zo krijgt men situaties waar men één bepaalde vissoort volgens de MDO vangt, terwijl tegelijk wel andere visbestanden enorme schade toe wordt gebracht. De algemene biomassa van de visbestanden lijdt dus zwaar onder de zogenaamde “gemengde visserij”. ‘Men kan maar vissen tot op een niveau waarop de biomassa zich op een evenwichtige manier kan handhaven’, aldus Coelho. 

Een oplossing voor de teruggooipraktijken kan er volgens Coelho komen door de selectiviteit van het vismateriaal te verhogen. Door het materiaal toe te spitsen op bepaalde vissoorten kan de bijvangst sterk verminderd worden.

De EU voorziet met het Europees Visserijfonds (EVF) middelen om de vloot te vernieuwen, te verduurzamen en om onderzoek te verrichten. Maar er is een probleem met dit fonds: volgens het interimrapport van februari 2011 werd er in de eerste 3 jaar (het fonds loopt van 2007 toe en met 2013) minder dan 35 procent van de beschikbare fondsen door de visserijsector opgevraagd (32,7 procent in oktober 2010). De oorzaak hiervoor moet volgens Coelho gezocht worden bij het feit dat de individuele lidstaten mee instaan voor de cofinanciering van dit fonds, waar ze maar in beperkte mate toe bereid zijn.

Een controversieel thema waar heel wat ngo’s zich zorgen over maken zijn de overdraagbare visrechten. Dit zijn wettelijke rechten die de toelating geven om te vissen in wateren die niet tot het eigen land behoren. Overdraagbare visrechten zijn verhuurbaar. De Europese Commissie denkt eraan om een systeem te ontwikkelen waarbij de visrechten voor een erg lange periode gratis toegekend worden aan de individuele visserijbedrijven. Volgens Seas at Risk is dit een rampzalig ontwerp. ‘We zien veel liever dat het publieke goed publiek blijft. Een privatisering van de visrechten zal niets oplossen, integendeel’, aldus Coelho. De ngo’s stellen voor om publieke visrechten eerder voor kortere periodes te leasen aan de individuele vissers. Deze leasecontracten kunnen dan eventueel hernieuwd worden, op voorwaarde dat de vissers zich op een duurzame manier aan de vooropgestelde regels en quota houden. ‘Zo creeër je een positieve stimulans voor vissers die “beter” vissen, in plaats van vissers die “meer” vissen’, zegt Coelho.

Ten slotte moet de Commissie zich veel beter houden aan de wetenschappelijk adviezen. Volgens Coelho heeft de Raad van Ministers de voorbije jaren de vangsquota tot 48 procent hoger ingesteld dan wat door de wetenschappelijke adviesraden aangeraden werd. Dit is dus zeker een probleem dat moet aangepakt worden. ‘De Commissie heeft de tijd gehad om te luisteren naar de input van de verschillende sectoren, en wij hopen nu echt dat de hervorming van het GVB dat ook zal weergeven’, zegt Coelho.

Een realistisch akkoord

Volgens Emiel Brouckaert van de Rederscentrale, de enige producentenorganisatie voor Belgische reders, moet men rekening houden met de socio-economische impact van het GVB. Zo wordt er gesproken over de overcapaciteit van de vloot op Europees niveau, maar wordt geen rekening gehouden met de regionale visserij op lidstaatniveau. Ook wordt de capaciteit van de vloot niet per visserijtype bekeken. Volgens Brouckaert is de Belgische vloot nu tot een kritiek minimum aantal teruggeschroefd (de Belgische vloot telt nog 80 schepen). Bovendien doet er zich een enorme implosie van werkgelegenheid in de visserijsector voor.

Het hernemen van de MDO om aan duurzame visserij te doen is volgens de Belgische reders een goed voorstel. ‘Onze vraag rond de MDO is wél om realistisch te blijven, en er rekening mee te houden dat door de gemengde visserij eigenlijk een compleet andere berekening vereist is’, aldus Brouckaert. De visserijsector en de ngo’s zijn het er dus over eens dat het grootste probleem van de MDO bij de quota op individuele vissoorten ligt, en geen rekening houdt met de waaier aan vissoorten die per vangst in de netten terecht komen.

Een tweede aanpak waar de vissers voor ijveren is een verdere commercialisering van de bijvangst. ‘Door de gemengde visserij zitten we in de Belgische veilingen met een enorme diversiteit, net omdat er zoveel vissoorten in de netten terechtkomen’. De vissers zijn nu wettelijk verplicht om ongewenste bijvangst (bijvangst die volgens de wet niet verkocht mag worden) overboord te gooien. ‘Men kan technisch zoveel aan de schepen en netten aanpassen als men wil, maar men kan niet 100 procent vermijden dat er ongewenste vissoorten in de netten terechtkomen’. De sector zou deze soorten dan ook liever gecommercialiseerd zien, aldus Brouckaert.

De reders hebben drie eisen voor de hervorming van het GVB. Economisch gezien moet de vangst voldoende groot zijn om de visserijsector te behouden. Sociaal gezien mag het GVB de visserij niet zodanig inperken dat de sector in elkaar valt, en ecologisch gezien moet men inderdaad samen werken aan een duurzame toekomst voor de visserij. ‘In de sector is er zeker en vast de wil om goede compromissen te sluiten, maar er is nog enorm veel wetenschappelijke analyse nodig om de vissers ervan te overtuigen dat de voorgestelde maatregelen de juiste toekomst naar voor schuiven’, aldus Brouckaert.

In deel 3 van het dossier over de Europese visserij werpt MO* een blik op EU-visserij in de West-Afrikaanse wateren en de gevolgen daarvan op de lokale vissers en kustgemeenschappen (nog te verschijnen).

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift