Een portret van de Afghaanse president Hamid Karzai

Al maanden is de aandacht van journalisten, diplomaten en geïnteresseerde wereldburgers toegespitst op Irak en Noord-Korea. Maar hoe zou het intussen in Afghanistan zijn, en hoe stelt wonderboy-president Hamid Karzai het in zijn “bevrijde” land?
Rashid, Pakistaans journalist en kenner bij uitstek van de regio, bezocht in januari 2003 voor de ontelbaarste keer Kaboel en spendeerde er een hele dag met de president. Speciaal voor MO* schreef hij onderstaand portret. Een blik achter de zegebulletins.
Het oude koninklijke paleis in Kaboel is wat opgekalefaterd. Het stof van decennia oorlog is weggeblazen en de symbolen van reële macht zijn opnieuw aanwezig. Zwaar bewapende en indrukwekkend gebouwde Amerikaanse en Afghaanse lijfwachten, bijvoorbeeld, met armen als balken en wapens die recht uit Star Wars lijken te komen. Zij controleren iedereen die door de paleispoorten gaat of rijdt, en ze doen dat meer dan eens. De lijfwachten volgen de president in al zijn bewegingen, de hele dag en godweet ook ‘s nachts. Samen met zijn vrouw Zeenat betrekt Hamid Karzai een kleine woning op wat vroeger het koninklijk domein was. Zeenat is dokter en werkt in een ziekenhuis in de hoofdstad. Karzai zelf spendeert zowat al zijn wakende uren in de chaos van zijn kantoor.
Op een vroege ochtend in januari wandelde Hamid Karzai zijn kantoor in het presidentieel paleis binnen toen hij daar een paar mannen zag slapen: zijn lijfwachten. Verrast vroeg Karzai hen wat ze daar deden. Het antwoord was: ‘De veiligheid van uw kantoor bewaken.’ Er zijn, sinds de poging tot moordaanslag in september 2002 in Kandahar, wel meer uitzonderlijke maatregelen getroffen om Hamid Karzai te beschermen. Het bewaken van een lege kamer is er daar één van. Na die aanslag op Karzai werden overigens nog heel wat Arabische en Afghaanse zelfmoordcommando’s opgepakt in Kaboel, allen met explosieven op hun lichaam. Volgens Afghaanse inlichtingendiensten waren ze er op uit hun paradijs te verdienen door Karzai of Mohammed Fahim, de minister van Defensie, te vermoorden. Deze commando’s zouden verbonden zijn met Al-Qaeda of de Taliban, maar voor hetzelfde geld zijn ze gestuurd door de krijgsheren die nog steeds grote delen van Afghanistan onder hun militaire en politieke controle hebben.

Wervelstorm in het paleis


‘De krijgsheren weten dat ze niet kunnen overleven zonder het bestaan van een krachtig centrum en ze zijn niet sterk genoeg om dat centrum uit te dagen’, zegt Karzai tijdens een gesprek dat we hebben in zijn kantoor. ‘Er zijn natuurlijk wel eens wat provocaties, maar mijn positie en die van mijn regering staan niet echt op het spel.’
Het is geen sinecure om Hamid Karzai te interviewen. Zijn internationaal imago, dat het midden houdt tussen dat van een erg modebewuste politicus en dat van een wat zwakke marionet die de Amerikaanse belangen moet dienen, laat nauwelijks vermoeden in welke dagelijkse heksenketel de Afghaanse president werkt en probeert te besturen. Het lijkt alsof Karzai niet “neen” kan zeggen tegen krijgsheren, commandanten, vertegenwoordigers uit de provincies, zakenlieden of buitenlandse delegaties. Hij geeft grif toe dat zijn kabinet slecht gerund wordt en dat hij niet de nodige mensen heeft om orde op zaken te stellen.
Een middagmaal met Hamid Karzai heeft meer weg van een etentje in een overvolle kantine dan van een formeel staatsdiner. Allerlei mannen die eruitzien als commandanten die recht van het terrein komen, nodigen zichzelf uit aan tafel. De president zegt niet neen. De lunchgesprekken springen daardoor ook van Pathaans op Dari of Urdu, en als er buitenlanders bij zijn mag daar ook al eens wat Engels, Frans of Hindi tussen klinken. Karzai is al deze talen vlot meester, en slaagt er daardoor ook in om bruggen te slaan in het etnisch zo verdeelde landschap van Afghanistan. Het is bijna uitgesloten om hem alleen te spreken. Dat is een probleem voor een journalist, maar meer nog voor diplomaten die vaak vertrouwelijke boodschappen over te brengen hebben.
Vrienden, medestanders en VN-vertegenwoordigers proberen hem te overtuigen van het belang van duidelijke afspraken: wannéér bezoekers verwacht worden, hoeveel tijd ze krijgen en wanneer ze moeten vertrekken. Voorlopig leiden die inspanningen nergens toe, want iedereen blijft rondhangen in en rond het kantoor van de president. Een van de gevolgen is dat Karzai nauwelijks de tijd heeft om de vele rapporten over zijn land grondig te lezen. Om correct te zijn: hij heeft zo goed als geen tijd om wat dan ook te lezen. Behalve dat zijn kantoor overrompeld wordt door bezoekers, staat ook zijn gsm roodgloeiend van de vele telefoontjes van gouverneurs of krijgsheren die hem voortdurend opbellen. Wie erdoor geraakt heeft geluk, de rest moet wachten.
‘De autoriteit van de centrale regering wordt niet ondersteund door een efficiënte administratie’, zegt Karzai. ‘Die bestuurlijke kloof moet hoogdringend gedicht worden. Ik heb behoefte aan degelijke en gevormde mensen, maar die zijn hier niet makkelijk te vinden.’
De Taliban uitgedaagd
Hamid Karzai is een diep religieus man. Ook al raast de wereld rondom met een duizelingwekkende vaart voorbij, toch maakt hij vijfmaal daags tijd om zich naar Mekka te richten en te bidden. Zijn religiositeit heeft echter niets te maken met de kerkergodsdienst die de Taliban voor ogen stond. In tijden van religieus machismo gold hij als een politiek lichtgewicht en een intellectueel. Vooral dat laatste klinkt niet fraai in de oren van de generaties Afghanen die met oorlog en geweld zijn opgegroeid.
Karzai had vóór zijn terugkeer naar Afghanistan in 2001 nooit militaire actie van dichtbij gezien, en was dus allesbehalve voorbestemd om de nieuwe leider van zijn verscheurde Centraal-Aziatische vaderland te worden. Tijdens het verzet tegen de Sovjetinvasie deed hij dienst als adviseur en diplomaat van de vrijheidsstrijders, de mujahedeen. Hij frequenteerde de ambassades in de Pakistaanse hoofdstad Islamabad. Tegelijk dreef hij een klein hotel in Peshawar, de Pakistaanse stad die toegang geeft tot de Khyberpass naar Afghanistan, en die wel eens omschreven wordt als een Centraal-Aziatische Far West.
 ‘Net zoals zoveel mujahedeen geloofde ik de Taliban toen ze in 1994 op het toneel verschenen. Ik geloofde dat ze de interne conflicten zouden beëindigen, dat ze de orde en de wet zouden herstellen, en dat ze een Loya Jirga zouden samenroepen om uit te maken wie Afghanistan moest besturen’, zegt Karzai. ‘Ik gaf de Taliban 50.000 dollar en een uitgebreid arsenaal wapens dat ik verstopt had. Ik had meerdere ontmoetingen met Mullah Omar, en hij stelde mij voor om hun vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties te worden. De tragedie is dat de Taliban kort daarna onder de controle kwamen van de Pakistaanse militaire inlichtingendienst, waardoor ze gedegradeerd werden tot huurlingen voor een vreemde mogendheid. Bovendien lieten ze Arabische en andere buitenlandse organisaties toe hun terroristische trainingskampen op te zetten op Afghaanse bodem. Tegen 1997 was het voor de meeste Afghanen overduidelijk dat ze af wilden van de Taliban en hun samenwerking met Osama bin Laden. Ik heb dat herhaaldelijk gesignaleerd aan de internationale gemeenschap, en aan de Verenigde Staten. Maar niemand luisterde’, stelt Karzai.
Vanuit zijn huis in Quetta, Pakistan, begon Karzai vanaf 1998 dan maar zelf het verzet tegen de Taliban te organiseren. Hij kreeg vrij snel de steun van een aantal Pathaanse tribale leiders, omdat zij allesbehalve opgezet waren met de alliantie die de Taliban aangingen met Al-Qaeda. De Taliban reageerden kordaat, want de steun van de Pathaanse volkeren was voor hen cruciaal. Ze lieten prompt Karzai’s vader vermoorden. De oude Karzai was de leider van de Popalzai, een belangrijke Pathaanse stam. De Popolzai reageerden op deze politieke moord door Hamid Karzai aan te duiden als de nieuwe leider. Hamid trotseerde de Pakistaanse én de Afghaanse autoriteiten, en voerde zijn vaders lichaam van Quettain Pakistan naar Kandahar, de thuisbasis van de Popalzai, maar ook van de Taliban die toen een schrikbewind voerden. Het is wellicht die ene daad van uitdagend verzet die Karzai transformeerde van lichtgewicht naar mogelijk leider van een natie in de overgang.

‘Wij vaardigen de bevelen uit’


In juni 2002 werd Hamid Karzai door de hoge vergadering van stammen en clans -de Loya Jirga- verkozen tot president van de Afghaanse overgangsregering. Veel Afghanen bekritiseerden hem daarna omdat hij zich terugtrok in Kaboel en zijn gezag niet op een doortastende manier wou opleggen aan de regionale krijgsheren. ‘Wij vaardigen de bevelen uit, zij niet’, zegt Karzai nu beslist, maar een half jaar geleden was dat heel wat minder duidelijk, noch voor de bevolking, noch voor hemzelf. Dat had alles te maken met het feit dat de Verenigde Staten weigerden om de 4800 man sterke International Security Assistance Force (ISAF) ook buiten de hoofdstad te laten opereren. Bovendien kwam de internationale gemeenschap maar niet over de brug met de 4,5 miljard dollar aan steun voor de heropbouw van het land, zoals in januari 2002 beloofd was op de conferentie in Tokio. De moordaanslag in Kandahar had wat dat betreft een positief effect. Sindsdien zijn de VS en andere internationale donoren er eindelijk van overtuigd dat ze de dagelijkse risico’s die Karzai neemt, moeten steunen met méér hulp, met de opbouw van een goed functionerend staatsapparaat en een efficiënte aanpak van de lamentabele veiligheidstoestand in het hele land -niet enkel in Kaboel. ‘Uiteindelijk,’ stelt Karzai, ‘heeft niemand het lef om de regeringsbesluiten te verwerpen. Alleen zijn er sommigen die de uitvoering ervan doen op het ritme van de Afghaanse tijd.’
‘De Afghanen hebben enorm hoge verwachtingen’, zegt hij. ‘Ze zien de noodzaak in van een sterke centrale regering, en ze hopen dat die regering hun de toekomst zal bieden die ze allang niet meer verwachten van de krijgsheren.’ Om de nodige doorbraak te realiseren, heeft Karzai ook al meer dan eens een hartig woordje gesproken met zijn belangrijkste bondgenoot, de Amerikaanse regering. De VS blijven immers op meer dan één paard wedden, en steunen ook nog een aantal krijgsheren met aanzienlijke middelen.
Hamid Karzai is een onvermoeibaar onderhandelaar en verzoener, en deze kwaliteiten zal hij zowel intern als internationaal erg goed kunnen gebruiken. ‘De Pakistaanse regering weet dat ik goede relaties wil uitbouwen met de buren’, zegt hij. ‘Ik wil het blad van het verleden omdraaien en een nieuwe pagina beginnen.’ Als hij “de regering” zegt, bedoelt Karzai vooral de Pakistaanse sterke man, generaal Musharraf, die hij ervan hoopt te overtuigen dat de Pakistaanse militaire inlichtingendienst eindelijk moet ophouden met zijn steun aan de Taliban of aanverwante extremistische organisaties. Ondanks de vriendelijke verhouding tussen de twee mannen is die steun tot op de dag van vandaag echter niet gestopt, terwijl het Pakistaanse grondgebied ook nog altijd gebruikt wordt als onderduikadres voor vluchtende Taliban en Al-Qaeda militanten.
Karzai is niet zomaar een mens van goede wil, hij zorgt er in de concrete politieke praktijk ook voor dat de inmenging in de interne aangelegenheden vanwege de buurlanden zoveel mogelijk beperkt wordt. Op 22 december 2002 slaagde hij erin de ministers van Buitenlandse Zaken van China, Iran, Pakistan, Oezbekistan en Turkmenistan samen te brengen om de Kabul Declaration te tekenen. In die verklaring beloven de buurlanden zich nooit meer te mengen in het door oorlog verteerde land. Ook afgevaardigden van Rusland, India en Saudi-Arabië waren aanwezig op de ceremonie. Dat belet niet dat zowat alle landen rondom Afghanistan alweer bezig zijn met het oude spel van steun aan bevriende facties.
Alle problemen en tekorten ten spijt, is Hamid Karzai nog steeds ongelooflijk populair in Afghanistan. Dé grote vraag blijft hoeveel schade de restanten van Taliban en Al-Qaeda nog kunnen aanrichten bij de militaire bases van de VS en de regeringskantoren in het zuiden en het oosten van het land. De eerste weken van 2003 werden de aanvallen op deze doelwitten frequenter en heviger. Met elk ontwikkelingsproject dat de regering start om haar gezag over het land te verspreiden, ontstaat er een nieuw doelwit. ‘Wij willen de laatste restanten terrorisme uit de grotten en de heuvels verjagen. Neem dat maar van me aan: wij geven niet op.’ Karzai weet dat zijn politieke overleven -en wellicht het pure overleven van zijn vaderland- afhangt van zijn kracht om tenminste één keer neen te zeggen: neen aan het gebruik van het Afghaanse grondgebied door internationale outlaws. Als hij ook neen zou kunnen zeggen tegen de Amerikaanse bezetting, dan gaf de president zijn land waar het recht op heeft: een eigen toekomst.
Ahmed Rashid is correspondent voor o.a. de Far Eastern Economic Review en The New York Times. Hij publiceerde twee boeken: Taliban. Militante islam, olie en fundamentalisme in Centraal-Azië en Jihad. De opkomst van het moslimfundamentalisme in Centraal-Azië. Beide boeken werden uitgegeven bij Atlas.
Een interview met Ahmed Rashid kunt u nalezen op www.wereldwijd.be/edities/Magazine/ww317-24.htm

Eén land, vele heren

Afghanistan is weliswaar bevrijd van de Taliban, het land is nog allesbehalve tot rust gekomen. Eén van de centrale problemen voor president Karzai en zijn regering, is de militaire en financiële macht van de krijgsheren. 75.000 privé-soldaten en 100.000 militieleden zijn actief, terwijl men schat dat er zo’n 700.000 Afghanen gesofisticeerde wapens bezitten. De oorzaken van het probleem zijn veelvuldig: traditionele etnische verdeeldheid, de consequenties van meer dan twintig jaar oorlog en buitenlandse financiering van allerlei facties en legertjes, en de opbrengsten van de opiumteelt (de VN schatten dat er in 2002 2700 tonopium geoogst werd, een stijging van 1400 procent tegenover 2001). Daarbij komt het gebrek aan geld om een eengemaakt, nationaal leger op te bouwen.

In het noorden van Afghanistan beveelt Abdul Rashid Dostum, een ethnische Oezbeek, vanuit Shiberghan een leger van verschillende duizenden soldaten, terwijl Ustad Atta Mohammad, een ethnische Tadzjiek zijn hoofdkwartier heeft in Mazar-e-Sharif. In het zuidoosten is vooral Padshah Khan Zadran actief, terwijl in het westen van het land de Pathaan Amanullah Khan het terrein deelt met Gul Agha Sherzai in Kandahar.

Woodward, van The Washington Post, schrijft in het boek Bush at Wardat die krijgsheren in 2001 door de VS met tientallen miljoenen dollars omgekocht werden om zich tegen de Taliban te keren. Kenners stellen echter dat je Afghaanse krijgsheren niet kunt “kopen”, je kunt hen hoogsten “huren” voor een tijdje. Volgens de Pakistaanse krant Dawn betaalden de VS vorig jaar 400.000 dollar aan Pacha Khan Zardran om manschappen te trainen, zodat ze de Pakistaanse grens konden bewaken. Intussen heeft de regering Karzai eigen troepen naar de grens gestuurd, en gebruiken de troepen van Zardan hun middelen om burgerdoelwitten te bestoken. (gg)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3081   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift