Een toekomst voor glokale kunst in de kunstensector in Vlaanderen

Dit artikel wil enkele praktische kanttekeningen maken bij de toekomst van glokale kunst in de Vlaamse kunstensector. Deze kanttekeningen zijn gebaseerd op de theoretische analyses van de internationale deskundigen waarrond dit cahier gebouwd is en op een tiental jaren praktijkervaring, eerst met de organisatie van het Festival van de Immigrant in Antwerpen, daarna met de uitbouw van het project Open Culturele Centra in de provincie Antwerpen.
Het Festival van de Immigrant startte bijna twintig jaar geleden vanuit een diverse ploeg vrijwilligers, die -vanuit een progressieve politieke inspiratie- voor iedereen het recht op culturele expressie opeisten. Mijn betrokkenheid bij dit festival situeert zich in een latere periode waarin de term ‘multicultureel ’ geïntroduceerd werd bij een breed publiek en ook de organisatie van activiteiten met migranten voor een breed publiek mogelijk werd.

Het project Open Culturele Centra startte, als project niet-westerse culturen, vanuit een gezamenlijke vraag van culturele instellingen en verenigingen aan een hogere overheid om de introductie van culturele verscheidenheid te ondersteunen. In deze periode bedachten enkele muziekhandelaars (omwille van classificatie- en dus verkoopsmoeilijkheden) de term ‘wereldmuziek ‘. Het werd een begrip en later een mode.

Telkens vanuit een zeer luxueuze positie, de ene keer gedragen door een diverse ploeg enthousiaste burgers, de andere keer omringd door open en welwillende overheden, en nooit belast met het in stand houden van een eigen infrastructuur, kon ik me confronteren met de praktijk van wat nu glokale kunst genoemd wordt in Vlaanderen. Een praktijk die door zijn glokaliteit ook gebaat is bij internationale contacten en reflecties.

Een tussenweg zoekend tussen irrelevante anekdotiek en onbegrijpelijke abstracties, probeer ik de toekomst van glokale kunst voor de kunstensector in Vlaanderen te illustreren, in de overtuiging dat die toekomst bestaat. Op een ogenblik dat de mode van alles dat met ‘world ’ te maken heeft stilaan over zijn hoogtepunt heen is en dat er een oververzadiging is van alles dat ‘multicultureel ’ is, blijkt tegelijk ook dat beide termen door een teveel aan connotaties uitgehold werden. Actoren zelf verzetten zich intussen tegen die labels. Het verhaal van Zap Mama is tekenend: het project wordt door Marie Daulne zelf popmuziek genoemd, maar komt via een omweg in Londen toch terecht in de Belgische rubriek van de ‘Rough Guide to World Music ‘. De introductie van de nog lege betekenaar ‘glokale kunst ’ in Vlaanderen is dan ook een unieke gelegenheid om te reflecteren over de motivatie voor een interculturele kunstenpraktijk en over de gevolgen die een nieuwe visie kan hebben voor de praktijk.

Op zo ‘n moment van reflectie is het ongepast en zeker onvruchtbaar verhullend te spreken over de huidige en voorbije praktijk. Het is beter zonder blozen de realiteit onder ogen te zien, ook al leidt dat tot enkele vervelende vaststellingen. Het is niet makkelijk om tot inzichten te komen, gezien het ontbreken van een geschikte terminologie. Erger nog is het ontbreken van de ‘anderen’ van vlees en bloed in Vlaanderen. De theoretische analyses zijn het nochtans gloeiend eens over de noodzaak aan directe deelname van die ‘anderen’ aan het kunstenbeleid, zoals ze het ook eens zijn over het feit dat ze door de praktijk geselecteerd moeten worden. Zonder blozen moeten we kunnen toegeven: de ‘andere’ is niet hier. Of toch alleszins niet in voldoende mate erkend dat een gepaste selectie resultaat oplevert. Die erkenning is ook een zeer delicaat probleem en maakt deel uit van het verhaal rond macht, dat elders in dit cahier uitvoeriger aandacht krijgt en dat ik hier, voor zover dit mogelijk is, buiten beschouwing laat. Een vaststelling is in elk geval dat vanuit de kunstensector steeds meer vragen gesteld worden om allochtonen -de ‘anderen’ van hier- te laten participeren, en dat op deze vragen steeds moeilijker een gepast antwoord gevonden wordt. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat het vandaag moeilijker is allochtonen te benoemen voor de samenstelling van een groep experts voor de redactie van een stedelijk beleidsplan rond migranten en cultuur dan dit het geval was tien jaar geleden bij de samenstelling van een werkgroep provinciaal multicultureel beleid. Nochtans is die ‘andere’ van vlees en bloed op termijn onmisbaar voor de kunstensector in Vlaanderen.

Er zijn ook gevaren verbonden met het zoeken naar ‘anderen’ die actief gaan deelnemen aan het culturele leven. Het gebeurt bijvoorbeeld vaak dat bepaalde ‘anderen’ uitgekozen worden als vertegenwoordigers van hun subgemeenschappen, als unieke voorbeelden op wie alle ogen gericht zijn en van wie geen enkele persoonlijke vergissing getolereerd wordt. Bovendien wordt de ‘andere’, die toegang krijgt tot de dominante instellingen, vaak bevraagd door zijn eigen gemeenschap op wat hij voor hen kan betekenen. Deze bevraging leidt meestal tot de slotsom dat die ‘andere’ zijn positie alleen voor zichzelf gebruikt heeft. De gemeenschap voelt zich dan verlaten, verraden en bedrogen -ook al was die positie van haar ‘vooruitgeschoven post’ niet meer dan schijnmacht.

De menselijke verbeelding is oneindig verscheiden en dus moeten we er voor zorgen dat de (artistieke) diversiteit binnen de (culturele) diversiteit aanvaard wordt door alle betrokkenen: kunstenaars, institutionele verantwoordelijken, pers, publiek en betrokken gemeenschappen. Als we deze openheid proberen te creëren, dan moet tegelijk gezocht worden naar manieren om de hekjes binnen de kunstensector zelf weg te halen of te overstijgen. Artistieke deelsectoren als letteren, muziek, beeldende kunst, musea, architectuur en vormgeving, dramatische kunst, muziektheater, dans, kunstencentra, culturele centra, bibliotheken, film en media en kunstenfestivals, hebben natuurlijk telkens een specificiteit. Ze hebben bovendien een eigen subsidieregeling en/of subsidiërende overheid. Per domein moeten we de heersende methodes én de domeinindelingen zelf in vraag durven stellen, al was het maar omdat de praktijk zelf meer en meer multidisciplinair wordt. Het opzetten van de discussie rond glokale kunst toonde ons dat onderling overleg een meerwaarde biedt die nodig is om verandering mogelijk te maken en cruciaal is om greep te kunnen krijgen op de snel veranderende wereld.

P5 : Wie niet weg is, is gezien?

Aan de hand van een aantal voorbeelden wil ik illustreren hoe het concreet gesteld is met de aanwezigheid van ‘anderen’ in de brede sector van de kunsten in Vlaanderen. Daartoe bekijken we de vijf P’s van de georganiseerde kunsten: het podium, het publiek, het personeel, de politiek en ook de pers.

Het podium is wellicht het niveau van de kunsten waar ‘anderen’ het meest aanwezig zijn. Vijftien procent van het totale programmeringsbudget van de culturele centra in de provincie Antwerpen wordt besteed aan artistieke producties van wat ‘andere’ kunstenaars genoemd kunnen worden. Dit is alleszins een reële aanduiding dat het gegeven niet echt marginaal meer is. Ook het programma van het KunstenFestivaldesArts spreekt boekdelen. Ook al worden ‘andere’ kunstenaars vrij goed getolereerd of zelfs gesteund, toch worden ze nog vaak genegeerd of alleszins niet in hun eigenwaarde erkend. Bovendien ligt de situatie erg verschillend in de diverse kunstensectoren. Zo is de aanwezigheid van ‘andere’ plastische kunstenaars vrij groot, maar is hun erkenning een veel moeilijker zaak dan voor musici. Hoe dikwijls wordt ook niet geopteerd voor reisfoto’s van amateurs eerder dan voor werk van Afrikaanse professionele fotografen? Hoeveel ‘andere’ architecten liggen aan de basis van de ruimtelijke structurering van onze leefwereld? Het teksttheater -gebonden aan gezelschappen, taal en subsidies- is wellicht één van de moeilijkste sectoren in Vlaanderen om de participatie van allochtone kunstenaars te bevorderen. De hedendaagse dans stelt zich momenteel dan weer voldoende in vraag om ‘anderen’ creatiekansen te geven. Hoeveel bibliotheken ruimen plaats voor ‘andere’ verteltradities? Wie besteedt aandacht aan de ‘andere’ film?

Wat het publiek betreft kan niet voldoende opgemerkt worden dat slechts een klein deel van de bevolking participeert aan activiteiten van de kunstensector. Bovendien is dat deelnemende segment duidelijk te omschrijven in termen van sociale en culturele kenmerken. Ook al wordt het belang van cultuurbeleving voor emancipatie nergens ter discussie gesteld, net zomin als het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap en om te genieten van kunst als een universeel verklaard mensenrecht. Pogingen om een ‘ander’ publiek te bereiken, moeten dan ook bekeken worden tegen de achtergrond van zowel die beperkte algemene deelname als van die bijzondere kenmerken van actieve kunst-consumenten. Toch is het verwerven van een ‘ander’ publiek een belangrijke factor voor de glokalisering van de kunsten in Vlaanderen. Naast de individuele cultuurbeleving van allochtonen, wordt de laatste jaren ook het belang van zelforganisaties benadrukt als instrument voor het bereiken van ‘andere’ publieksgroepen. In de praktijk blijkt immers dat er pas een gedeeltelijk ‘ander’ publiek ontstaat als hiervoor extra inspanningen gedaan zijn. Op dat vlak mankeert het nogal eens in de wereld van de culturele organisatoren, ook bij hen die ‘wereld’-gerichte evenementen opzetten. In het beste geval zie je soms dat bijkomende inspanningen gedaan worden in de laatste fase, die van de promotie. Meer effectieve resultaten worden bereikt wanneer de betrokkenheid van ‘anderen’ nagestreefd wordt vanaf de eerste fase van de organisatie en zelfs vanaf de conceptontwikkeling. Het succesrijke bestaan van volledig eigen, meestal commerciële, circuits van eigen cultuurbeleving van allochtonen wijst hierop.

Dit brengt ons dan ook tot één van de meest cruciale punten van mijn pleidooi: het personeel. Nergens in de betoelaagde kunstensector in Vlaanderen ken ik momenteel een ‘andere’ die werkzaam is op een niveau met enige inhoudelijke invloed. Dit ervaar ik als één van de grootste hypotheken op de toekomst van de glokale kunst in Vlaanderen. Dat dit probleem diep geworteld én niet makkelijk op te lossen is, illustreert de vaststelling dat vorig jaar bij de aanwervingprocedures voor cultuurfunctionarissen -een topjaar gezien de nakende aanwervingstop in die deelsector- zelfs geen allochtone kandidaten zijn opgemerkt. Toch studeren steeds meer allochtonen af van hogescholen en universiteiten.

Op het niveau van de politiek is de vraag of de aanwezigheid gegarandeerd is van ‘anderen’ in bestuursorganen, in adviserende en in beslissende beleidsorganen. In de rand van dit probleem is het niet irrelevant het bredere probleem van de politieke participatie op te werpen, bewust dat dit niet alleenzaligmakend is. Zonder een doorbraak op het vlak van het gemeentelijk stemrecht voor migranten, is het moeilijk voorstelbaar dat op een meer specifiek beleidsvlak een grotere participatie van allochtonen nagestreefd en gerealiseerd zou kunnen worden. Anderzijds bewijst het gegeven, dat na vijftig jaar vrouwenstemrecht nog steeds slechts zeventien procent van de Vlaamse parlementsleden vrouwen zijn, dat stemrecht een noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarde is voor participatie. De besturen van de meer dan 100 culturele centra in Vlaanderen, ontworpen als één van de voornaamste instrumenten voor de democratisering van de kunsten, tellen niet meer dan 12 min of meer ‘andere’ namen. Ook de overige kunstinstellingen worden zeker niet ‘anders’ beheerd. Op beleidsadviserend vlak is de glokale deskundigheid eveneens problematisch. Wat anders te denken van een adviesraad die een uitspraak honoreert die stelt dat ‘muziek en dans organischer verbonden zijn met niet-westerse culturen en vanuit het oogpunt van kwaliteitsbewaking niet-westers theater geen verantwoorde keuze is en hier totaal onverteerbaar’.

De pers of de kunstkritiek wordt momenteel uitgedaagd zich bewust te worden van ‘anderen’, niet meer als primitieve alternatieven, onderzoeksobjecten, curiosa of modetrends, maar als zelfstandige partners met een eigen visie. De grootste uitdaging voor welwillende verslaggevers is wellicht hun onafhankelijkheid te bewaren als critici en zich niet te laten overrompelen door organisatoren van zogenaamde ‘andere’ kunstactiviteiten -die er doorgaans niet aan denken zich zelf te laten voorlichten door ‘andere’ kunstcritici. In een compenserende reflex eigenen sommige allochtone kunstenaars zich soms het monopolie toe om te kunnen oordelen over de glokaliteitsgraad van ‘andere’ producties. Wat te denken van een allochtoon theatermaker die, op basis van een quasi-etnische redenering- een gewaardeerd recensent interpelleert over zijn positieve kritiek op een ‘intercultureel’ stuk?

De overheid moet handelen

Een overheidsoptreden in de Vlaamse kunstensector in het perspectief van glokale kunst, moet gericht zijn op het uitschakelen van de hindernissen die momenteel verantwoordelijk zijn voor de algemene afwezigheid van ‘anderen’ in de kunstensector in Vlaanderen. Coherentie en bedachtzaamheid, telkens er beleidskeuzes gemaakt moeten worden, zouden het proces van glokale kunst echt vooruit kunnen helpen. Onderstaande beleidssuggesties zijn niet enkel van tel voor het Vlaamse Gemeenschapsbeleid, maar ook voor lokale en regionale besturen (gemeenten en provincies) en zelfs voor federale en internationale overheden.

Zelden zijn formele criteria uitdrukkelijk discriminerend. Toch zorgen ze soms voor onoverkomelijke barrières door de feitelijke situatie waarin ‘anderen’ zich bevinden. Een nationaliteitsvereiste voor aanwerving van personeel in vast dienstverband is wellicht het meest duidelijke voorbeeld. Maar ook bepaalde territorialiteitseisen in subsidieregelementen kunnen ervoor zorgen dat boeiende initiatieven niet voldoen aan de criteria. Minder materieel zijn mechanismen die op verregaand getrapte selectie gebaseerd zijn en in feite kleinere groepen benadelen. Een mooi voorbeeld is de samenstelling van de raden van bestuur van de culturele centra: ofwel wordt men afgevaardigd vanuit de gemeenteraad ofwel vanuit de plaatselijke culturele raad. Deze afvaardigingen vragen echter een aantal voorafgaande engagementen (lidmaatschap partij of vereniging, bestuurslid, afvaardiging in raad, bestuur, afvaardiging door raad) die het moeilijk maken nog energie over te houden aan de eindmeet. In dit concrete voorbeeld bestaat de decretale mogelijkheid om het getrapte systeem over te slaan en ‘anderen’ te coöpteren. In één enkel cultureel centrum wordt dit momenteel ook al toegepast. Het ‘echte’ vrije initiatief heeft zelfs geen decretale mogelijkheid nodig en zou zelfs ‘anderen’ uit het buitenland kunnen aantrekken.

Meestal heeft men bij veranderingen af te rekenen met de geslotenheid van bestaande systemen. Er is geen enkele reden waarom dit in de kunstensectoren, hoe open ze zich ook opstellen, niet het geval zou zijn. Op sociaal, psychologisch en begrotingsvlak bestaat er een begrijpbare weerstand tegen ‘indringers’. Veranderingsbereidheid moet dan ook aangemoedigd worden. Aanmoediging kan in een eerste fase vertrekken vanuit overheden die, als subsidieverstrekkers, toch nog een zeker moreel gezag hebben. Een andere vorm van aanmoediging kan vanuit een groeiende publieke belangstelling of druk ontstaan. Ook de positieve uitstraling van collega-instellingen kan soms verandering vergemakkelijken. Diverse vormen van aanmoediging zijn in elk geval niet alleen mogelijk maar ook vereist om ‘anderen’ een plaats te laten innemen in de kunstensector. Opgelegde verandering door het invoeren van quota, zoals in sommige ons omringende landen uitgeprobeerd is (met name Nederland en het Verenigd Koninkrijk), is zelden effectief gebleken, al was het maar omdat dit in een democratisch subsidiair systeem nooit consequent volgehouden wordt.

De afwezigheid van ‘anderen’ heeft natuurlijk ook te maken met het ontbreken van geïnteresseerde ‘anderen’. De interesse van ‘anderen’ om een actieve rol te spelen in de kunstensector in Vlaanderen moet op dit ogenblik in elk geval aangemoedigd worden. Dit heeft niet alleen te maken met het imago van de kunsten, maar ook met de mogelijkheden die de kunstensector heeft en met het zichtbaar zijn van geslaagde voorbeelden in de kunsten. Hieraan kan op middellange termijn alleen verholpen worden met positieve pilootprojecten, die deskundige ‘anderen’ vormen en ‘andere’ deskundigen zichtbaar maken. Voor deze pilootprojecten kan beroep gedaan worden op ‘anderen’ die niet in Vlaanderen wonen, maar ze moeten wel gekoppeld worden aan de vorming van ‘anderen’ die wel in Vlaanderen leven. Zo heeft de komst van wijlen Rufus Collins naar Nederland een stevige stimulans betekend voor de positie van allochtonen in het theaterlandschap. Daarnaast kan een project als de ervaringsgerichte opleiding van allochtone kunstmanagers helpen om de desinteresse van afgestudeerde ‘anderen’ voor de kunstensector weg te werken. Initiatieven zoals de distributie van een compilatie-cd van allochtone muziekgroepen, zoals dat de voorbije jaren in verschillende Europese landen gebeurd is, verminderen de onzichtbaarheid van bestaande ‘anderen’. Overheden moeten, met andere woorden, stimuleren en voorwaarden creëren. Wachten tot alles zichzelf reguleert, zou van een misplaatst en niet-continentaal liberalisme getuigen.

De sluitsteen van deze concrete raadgevingen is het onderkennen van de noodzaak aan glokaal advies. De competentie op het vlak van de glokale kunst van alle actoren op de verschillende domeinen van de kunstensector in Vlaanderen moet bevorderd worden. Het colloquium ‘Glokale kunst in Vlaanderen’ heeft een stevige aanzet gegeven om deskundige adviseurs te vormen. De lijst van de deelnemers aan dit colloquium wordt dan ook verder in dit cahier opgenomen. De idee van externe adviseurs mag niet verward worden met de praktijk van externe programmators, die evenzeer als aparte instellingen of circuits, de afwezigheid van ‘anderen’ in de kunstensector in stand houden en bevestigen. Ook op internationaal vlak wordt uiteraard externe deskundigheidsbevordering georganiseerd. Enkele grote voorbeelden zijn: de MASA die vanuit de francofonie podiumkunsten uit Afrika wil introduceren, het INIVA dat vanuit Londen een nieuw internationalisme promoot in de plastische kunsten, Arts International dat verbanden aanmoedigt tussen artiesten en publiek in de Verenigde Staten en hun ‘counterparts’ elders in de wereld. Het gemeenschappelijke aan deze initiatieven is dat ze niet aan apartstelling werken door het opzetten van een eigen circuit, maar daarentegen juist binnen bestaande circuits de deskundigheid voor glokale kunst willen bevorderen, niet alleen in gedachten maar ook in concrete activiteiten.

Daar zijn geen woorden voor

In mijn analyse benadruk ik de feitelijke afwezigheid van ‘anderen’ en de behoefte om de aanwezigheid van ‘anderen’ te stimuleren. Dit spreken situeert zich nog in een oppositioneel, apartstellend kader. In de glokale toekomst moeten we overstappen naar differentieel denken en handelen. De terminologie die hiervoor nodig is, wordt in de praktijk ontworpen. De negatieve terminologie van de ‘andere’ wordt zo stilaan omgebogen tot een positieve terminologie van de multiculturele verbeelding. In deze praktijk wordt gezocht naar mensen die contrasteren, wordt gewerkt vanuit verschillende horizonten die samen een stad vormen, wordt gebouwd aan één glokale wereld.

Pascal Nicolas is coördinator van het Project Open Culturele Centra, waarmee de provincie Antwerpen de programmatoren van de culturele centra wil stimuleren tot en begeleiden in het programmeren van ‘andere’ kunst. Hij is momenteel ook coördinator van Hoofdstuk 27, een adviesbureau voor glokale kunst.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2540   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift